Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

GEESTELIJKE OPBOUW

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

GEESTELIJKE OPBOUW

7 minuten leestijd

VI Het Calvinisme (6)

Johannes Calvijn.

Ongehinderd kon Calvijn nu voortgaan het ideaal, dat voor zijn geest stond, te verwezenlijken. Hij had een oog voor het geestelijke en stoffelijke welzijn van Genève. Door zijn arbeid werd Genève het middelpunt van de reformatorische beweging in Europa, de wachttoren, vanwaar hij heel de godsdienstige en staatkundige beweging zijner dagen overzag en licht uitzond te midden van veel wat nog duister was. Dit werd nog meer het geval toen in 1559 een Hoogeschool werd opgericht. Den 5den Juni 1559 werd deze school voor wetenschap geopend met een rede van den eersten rector Beza en door een toespraak en gebed van Calvijn. Niet minder dan 900 studenten uit onderscheidene landen, vooral uit Frankrijk, Engeland en de Nederlanden, lieten zich voor het eerst inschrijven. Naar Genève gingen de edelste zonen der hervorming, om daar te zitten aan die voeten van Calvijn en Beza; en om vandaar, bezield met het heilige vuur, in eigen land het licht der waarheid te laten schijnen. Daardoor is Calvijn geworden de grondlegger van de Gereformeerde Kerken in Frankrijk, Engeland, Schotland, Nederland, Hongarije, Amerika en Afrika, waar de beginselen van lee en Kerkregeering, door hem, naar de Schift voorgesteld, werden ingedragen en verbreid en aangenomen.
Dat Calvijn een harde werker is geweest, bewijzen zijn geschriften die hij heeft nagelaten, welke in het Corpus Reformatorum niet minder dan 58 deelen beslaan. Deze uitgave, die staat vernieuwd te worden, is wel een merkwaardigheid. Drie hoogleeraren in de godgeleerdheid te Straatsbung, G. Baum, E. Cunitz en E. Reuss, hoewel zelven geenszins geestverwanten van Calvijn, hebben een belangrijk deel van hun leven er aan besteed, om al de werken van Calvijn die overig zijn, in nauwkeurigen tekst uit te geven. (Joannis Calvini opera quae supersunt omnia. Brunswijk bij C. A. Schwetschke en Zoon). In deze uitgave komen voor 4271 brieven uit Calvijn's tijd, van, aan en over hem geschreven, voorzien van historische en litterarische aanteekeningen. Ook zijn er tal van preeken van Calvijn in opgenomen.
Met betrekking tot het kanselwerk is het volgende op te merken. Calvijn heeft gemiddeld 200 maal per jaar het Woord bediend; doorgaans nog meer, daar Genève in zijne drie kenkgebouwen elf Zondagsbeurten had en twee en twintig weekbeurten! Van die weekbeurten had Calvijn vast elken Woensdag één beurt, en om de andere week behalve Woensdag óók nog op de vijf andere dagen! Zoodoende heeft Calvijn, die ruim 200 beurten per jaar had, ongeveer 5000 maal gepreekt. Natuurlijk improviseerde hij, want voor opschrijven van de leerrede was geen tijd. Daarbij sprak hij heel langzaam en met inbegrip van de gebeden duurde de dienst nooit langer dan een uur. Van zijn preeken, die veelal stenografisch werden bewaard, zijn er 2100 — van de 5000 — uitgegeven; tijdens zijn leven 850 en later de rest; echter slechts een enkele maal met Calvijns goedkeuring en medewerking, daar het bijna altijd buiten hem omging en hij dus ook de verantwoordelijkheid niet droeg. 159 preeken over het boek Job zijn in 1554 gehouden en in 1562 een reeks over de Tien Geboden uitgegeven; deze uitigave ging geheel buiten hem om. Ongeveer 850 preeken zijn reeds uitgegeven, nog ongeveer 1250 bestaan in handschriit van den stenograaf.
Uit een en ander blijkt wel hoe groot de werkkracht van Calvijn was en hoe ver zijn invloed rijkte. Van heinde en ver correspondeerde men met hem en door zijn correspondentie heeft hij zich een onsterfelijken roem verkregen. Zijn raad, zijn leiding werd alom begeerd. Door zendbrief en door boden kwam hij in relatie met vorsten en rijksgrooten, die blijken van sympathie voor de Reformatie hadden gegeven.
Hier mogen wij iets invoegen wat betreft die levens-en werkwijze van den beroemden Geneefschen Reformator. En dan moet gezegd, dat de geschiedschrijvers, vooral van Roomsche zijde, hem niet gespaard hebben. „Geen slijk zoo vuil, geen modder zoo goor, of men heeft er zijn nagedachtenis mee bezoedeld. Dat hij een veelvraat en wijnzuiper zou geweest zijn, een hypocriet en bedrieger, die door tooverkunsten het volk misleidde en onder het uiten van helsche vervloekingen zou gestorven zijn, dat zijn nog maar de geringere zonden, die men hem ten laste heeft gelegd; zelfs van de schandelijkste ontucht heeft men hem beticht. De rechtbank der historie heeft over die aanklachten reeds lang uitspraak gedaan. De man, die nooit om volksgunst gebedeld heeft, die, hoewel schatten gouds voor de vluchtelingen door zijn handen gingen, zelf voortdurend met geldgebrek te worstelen had; die zich zoo geheel wijdde aan dien dienst van Gods zaak, dat hij nauwelijks één maaltijd per dag gebruikte en des nachts geen vier uren sliep, die man staat in zelfverloochening en toewijding aan Gods zaak zóó hoog, dat wanneer hij Roomsch ware gebleven, de Roomsche Kerk hem reeds lang tot éen harer heiligen zou hebben verklaard. Aan den hoogen zedelijken ernst van Calvijn's karakter wordt door iederen geschiedschrijver de grootste hulde gebracht, evenzeer als aan de rijke geestesgaven door God hem geschonken, vooral aan zijn onovertroffen logische denkkracht". (Prof. dr. H. H. Kuyper. Zuid-Afrika. Lezing Calvijn, blz. 179). Tegen Calvijn is hierbij vaak de klacht ingebracht, dat hij een man met een ijskoud gemoed, een man zonder hart en zonder liefde zou zijn geweest; daarbij dat hij eer-én heerschzuchtig was, een tyran en despoot, die geen tegenspraak kon verdragen, zijn wil op de meest onbarmhartige wijze doorzette, wreed tegenover zijn vijanden was, een eenzijdig en bekrompen drijver. (Zie o.a. Wink's Kleine Encyclopaedie t. p.).
Nu is het waar, dat Calvijn — is God niet de vrijmachtige in het uitdeelen van gaven en talenten? — een geheel andere natuur had dan Luther. Men behoeft beider beeld maar aan te zien en men voelt het verschil! Wat was Calvijn een man van fijne, tengere gestalte, met een fijn besneden gelaat, bleek en ingevallen van vasten en waken! Dan die spits toeloopende baard, die scherp vooruitstekende neus, dat hoog gewelf­ de voorhoofd! Hoe héél anders dan Luther met die forsch gebouwde gestalte, met dien korten gedrongen nek, met die vleezige wangen, met die fonkelende oogen — wat een „krachtmensch" was de held van Wittenberg; een man van vleesch en bloed, een man met een warm sanguinisch temperament! „Maar", zoo schrijft prof. dr. H. H. Kuyper, „wanneer ge om die tegenstelling meenen zoudt. dat Calvijn gelijk is aan die met eeuwige sneeuw bevrachte bergtoppen, die hoog boven het menschelijk leven uitsteken, maar bij wie alle warmte van het menschelijk gevoel ontbreekt, dan doet ge Calvijn toch onrecht aan".
Het meesterwerk van Calvijn, De Institutie, leert ons wel, dat Calvijn geen man was van een dor scholastiek betoog. Vol innige godsvruoht geurt elke bladzijde ons tegen en het is wel genoemd „een voortdurend gebed". Voor de schoonheid der natuur had Calvijn een open oog. Een vijand van de kunst is Calvijn nooit geweest. Tegenover Zwingli's al te dorren eeredienst, die zelfs geen lied in de samenkomsten der gemeente duldde, heeft Calvijn terecht geprotesteerd. De Fransche letterkunde rekent hem, die meester over de taal was, terecht onder de uitnemendste schrijvers. Al werden zijn tafelgesprekken niet voor ons opgeteekend, zooals bij Luther, we weten uit de getuigenissen zijner vrienden, dat hij scherts en tafelkout minde en humor tintelt telkens ook uit zijn brieven ons tegen. Scherp heeft Calvijn de Stoïcijnsche philosophie veroordeeld, die alle vreugden des levens mijdt en telkens verkondigt hij, dat alle gaven Gods met dankzegging genoten, goed zijn en door ons mogen gebruikt worden. Zijn huis, zijn disch, zijn hart stond altijd open voor zijn vrienden. Hoewel zelf niet rijk, vaak worstelend met geldgebrek, - wees hij nooit af wie om hulpe tot hem kwam. En bij Calvijn's sterfbed is niet anders dan getreurd, omdat zulk een man, zulk een vriend, zulk een leermeester, zulk een helper was heengegaan.
(Wordt voortgezet).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 maart 1926

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

GEESTELIJKE OPBOUW

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 maart 1926

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

PDF Bekijken