Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

GEESTELIJKE OPBOUW

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

GEESTELIJKE OPBOUW

8 minuten leestijd

Het Calvinisme (10)

Bij Calvijn vinden we altijd weer als hoogste doeleinde aller dingen om God te dienen en Hem eere te geve; alles Hem te onderwerpen met vreugde des harten, met iheel het verstand, met alle krachten.
In zijne Verklaring van den brief aan Efeze (1562) lezen we: er zijn twee hoofdzaken, waarnaar wij moeten jagen; en dat is zelfs de hoofdzaak in alles, wat God ons onderwijst in de Schrift en daarop moeten wij al onze studie en onze zinnen zetten. De eene is, dat God groot gemaakt worde, gelijk Hij het waardig is. De tweede, dat wij verzekerd zijn van onze zaak, om Hem als onzen Vader met volle vrijmoedigheid aan te roepen. Indien wij die twee zaken niet bezitten, ziet het er ellendig met ons uit. Wij hebben dan noch hoop, noch religie. Men zal nog wel over God kunnen spreken, maar het zal een leugen zijn".
Steeds is dus bij Calvijn de worsteling om de eere Gods het eerste, daarbij z'n uitangspunt nemend in het algemeen Kosmologisch beginsel van de souvereiniteit Gods en daardoor heeft het Calvinisme in en buiten de Kerk z'n stempel gezet op alle uitingen van het menschelijk teven.
„Het grondbeginsel van het Calvinisme", zegt dr. Kuyper in Het Calvinisme, Zes stonelezingen, 1ste dr., blz. 70, „is de volstrekte souvereiniteit van den Drieëenigen God over alle geschapen leven, hetzij het zienlijk of onzienlijk zij".
Op Calvinistisch terrein vindt men dan ook altijd één zelfde grondgedachte, lijnrecht staande tegenover die de moderne, theïstische wereldbeschouwing voordraagt. Het is altijd: Uit Hem, door Hem en tot Hem zijn alle dingen, Hem zij de heerlijkheid in der eeuwigheid. Amen". Niet God is er immers om Zijn schepping, maar de schepping er om Gods wil. En daarom roepen de engelen voor den troon: Heilig, heilig, heilig is de Heere! De hemelen vertellen Gods eer en het uitspansel Zijner handen werk. De gansche aarde is van Zijn heerlijkheid vol. Maar dan moet ook de wereld der menschenkinderen één eeregeven zijn aan dien God, die haar schiep en bezielt. Onwaarachtig, zondig, dwaas is het, indien de mensch gaat meenen dat alles er is om het schepsel. En de pit en kern van alle ware religie is in alles den Heere te dienen en Zijn naam heerlijkheid te geven. „Uw naam worde geheiligd, Uw Koninkrijk kome, Uw wil geschiede", is de bedetrits die in alle goed gebed vóórop gaat. En hooger ideal dan: „Zoek eerst het Koninkrijk Gods", is er niet voor den mensch; zoo geheel schriftuurlijk; zoo zuiver Christelijk; gevende den heerlijksten vrede voor leven en sterven, door den eenig waarachtigen God te kennen en Jezus Christus, Dien Hij gezonden heeft!
Hooger opvatting dan het Calvinisme heeft, in zooverre het God als aanvang en einde van alles stelt, is door niemand gevonden en is ook niet te vinden.
De Calvinist wil er dan ook niets van eten, dat er een deel van de menschen zou zijn, die God hebben te dienen, maar eischt van allen, dat ieder op z'n plaats waar God hem stelde en in zijn werk, waartoe God hem riep, den Heere zal dienen naar Zijn Woord. Het algemeene priesterschap leert het Calvinisme en dan niet om den godsdienst te beperken alteen tot de binnenkamer, maar om het dienen van God uit te strekken over alle terreinen des levens; de religie niet alleen beperkend tot het hart, maar ook voor den wil, ook voor het verstand te eischen, dat alles in dienst van den souvereinen God wordt gesteld. De moderne wereldbeschouwing wil den godsdienst muilbanden of dood verklaren maar Christus heeft gezegd: Ge zult God liefhebben, niet alleen met heel uw hart en heel uw kracht, maar ook met heel uw verstand. Universalistisch moet onze religie zijn; „Ken Mij in al uwe wegen", zegt de Heere; gelijk het in de Heilige Schrift heet: „'t Zij gij eet of drinkt of iets anders doet, doe het al ter eere Gods!"
De moderne wereldbeschouwing wil den godsdienst sluiten buiten de wetenschap, buiten het erf des publieken levens, om de religie te verwijzen naar de binnenkamer, naar de bidcel, naar de intimiteit van het hart — waarbij de godsdienst naast het leven komt te staan en het breede erf des levens voor den mensch privaat terrein wordt, waar hij zelf heer en meester is. Maar vlak hiertegenover nu plaatst zich 't Calvinisme, dat voor de religie het volstrekt universeele karakter handhaaft. Bestaat al wat er is om God, dan moet ook héél de schepping Gode eere geven. De vogelen daarboven. Zon, maan en sterren in het firmament. De natuur om ons heen. Maar bovenal de mensch, die heel deze schepping en alle leven in die schepping Gode priesterlijk heeft toe te wijden. En hoe dan ook de zonde geheele stukken der schepping aan Gods eere ontrooft, de eisch en het ideaal blijft, dat alle creatuur als het religieuse offer op het altaar van den Almachtige zal nederliggen; waarom b.v. het huwelijksformulier spreekt van ons „goddelijk beroep" en van „met God en met eere" z'n gezin te onderhouden. In alles moet de mensch priester Gods zijn en zijn priesterlijke handen moeten alles Gode offeren als offer der dankbaarheid. Van een religie tot de binnenkamer, de bidcel, of de Kerk beperkt, weet Calvijn niet. Met den Psalmist roept hij hemel en aarde, roept hij alle volkeren en natiën op, om Gode eere te geven. In alle leven is God present met Zijn almachtige en alomtegenwoordige kracht en zoo wordt alles wat bestaat van beteekenis en krijgt het de hoogste waardij. Geen sfeer van menschelijk leven is er, of de religie doet er haar eisch gelden, dat God zal gedankt worden in alles, dat Gods ordinantiën zullen worden geëerd overal, en dat door alles zal heengaan „bid en werk". Waar de mensch ook sta, wat hij ook doe, waar hij ook de hand aan legge, in bedrijf, in geestesleven, in kunst en wetenschap, hij staat steeds in alles, voor Gods aangezicht, hij is bezig in Gods dienst, hij heeft zijnen God te gehoorzamen en boven alles de eere zijns Gods te bedoelen, daarin ook voor zichzelf de hoogste vreugd vindend. Omdat één God het alles draagt, gelijk Hij het alles schiep, moet er geen dualisme in het leven des christens zijn, dat hij voor het eene deel zijns levens godsdienstig en voor het andere deel als zonder godsdienst zou wezen. De religie raakt heel het menschelijk leven en niemand valt buiten den eisch om God te dienen naar Zijn Woord, eerbiedigend Zijne ordinantiën, gelijk Hij die stelde voor elk gebied van het zoo rijke, samengestelde leven.
Nu laat zich verklaren, hoe Calvijn op het gansche leven beslag heeft gelegd en dit heeft omvat. Wijl God de Schepper van de aarde is, bestaat er niets, hoegenaamd niets, noch wat vorm, noch wat inhoud aangaat, waaromtrent de mensch, schepsel Gods zijnde, onverschillig kan zijn. Staat en maatschappij, kerkelijk en huiselijk leven, wetenschap en kunst — niets van dat alles kan door het Calvinisme als waardeloos worden beschouwd; voor niets daarvan mag de mensch willekeur laten gelden. Ten aanzien van elk deel des aardschen levens moet zijn aandacht levendig zijn en moet hij vragen: „Heere, wat wilt Gij dat ik doen zal?" naspeurende de ordeningen, daarvoor door den Schepper gesteld;
De Calvinisten kunnen dan ook geenszins zijn, gelijk T h o r b e c k e wilde, eene „stille" partij, die bevredigd is, als zij in eigen omgeving voor hare godsdienstige behoeften voldoening kan vinden. Zij moet meer dan eenige andere groep zijn eene partij van actie, van „heilige agitatie". (Groen van Prinsterer. Aan de Kiezers. No. XIX en no. XX). Overal en altijd heeft de christen een roeping, waarbij alles moet worden geheiligd door het Woord van God en door het gebed. (1 Tim. 4 vers 5).
De Calvinist meent geenszins, dat voor 't gansche leven eene door menschen gemaakte wettelijke regeling moet worden tot stand gebracht; zoodat ten slotte de mensch dan gaat heerschen in de Kerk, in het gezin, in de school, in den Staat, in de maatschappij. Het Calvinisme, dat een partij van actie, van "heilige agitatie" is, gelooft en belijdt, dat het leven wettelijk geregeld is door God, den Schepper van hemel en aarde, waarom de mensch naar die goddelijke ordinantiën heeft te zoeken en te vragen.
Er is geen enkel terrein des levens of het Calvinisme laat er zich mee in; moet er zich mee inlaten. Want het Calvinisme beperkt zich volstrekt niét alleen tot het terrein van de Kerk of van de theologie. Het Calvinisme eischt het gansche leven op tot verheerlijking van God; niet één deel mag er van uitgezonderd zijn of blijven.
Daarbij moet steeds en overal de Calvinist op elk levensgebied z'n eigen weg gaan; een eigen stempel er op zetten; niet door iets uitwendigs zich daarbij onderscheidende; niet eenig o p z e t t e l ij k bedoelen daarbij openbarende; maar vragende naar Gods Woord, wandelende in Gods weg, eerbiedigend Gods ordinantiën en opkomend voor de eere van Hem, Dien hij eert als den Schepper van hemel en aarde, uit Wien en door Wien en tot Wien alle dingen zijn; Wien toekomt de heerlijkheid tot in eeuwigheid!
(Wordt voortgezet).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 april 1926

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

GEESTELIJKE OPBOUW

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 april 1926

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

PDF Bekijken