Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

MEDITATIE

Voor of tegen Christus

14 minuten leestijd

Voor of tegen Christus .

De oude Simeon, staande eenmaal in het voorhof des tempels, legde omtrent het Kindeke Jezus, dat hij vol zalige zielevreugde droeg in zijne armen, dit zoo merkwaardig getuigenis af: „Zie, deze wordt gezet tot een val en opstanding veler in Israël".
„Zie", zoo zegt hij, en wel met opzet, opdat men toch wel met aandacht lette op dit zijn getuigenis. En wel terecht. Met die zoo weinige woorden wees hij toch op de geheel eenige beteekenis van Christus voor de kinderen der menschen. Eén van twee is waar, óf Hij is voor den mensch eene oorzaak van eeuwige gelukzaligheid, òf anders van rampzaligheid. Het hangt er maar vanaf of ons harte al dan niet naar Hem uitgaat. En nu van tweeën één: òf het gaat naar Hem vol heilbegeeren uit, óf het wendt zich vijandig van Hem af. Neutraal, geheel onzijdig te zijn tegenover Hem, het is ten eenenmale onmogelijk. Dit bleek reeds toen Hij nog lag in Bethlehem's kribbe. Voor sommigen, als voor de herders en voor de Oostersche wijzen was Hij als een aantrekkende, voor anderen daarentegen als voor een Herodes als een afstootende magneet.
En zie, die tweeërlei tegenovergestelde verhouding der menschen ten opzichte van Christus, wordt nog immer gevonden.
Komt, handelen we daarover wat uitvoeriger naar aanleiding van 1 Petrus 2 vs. 7:
U dan die gelooft, is Hij dierbaar; maar den ongehoorzamen wordt gezegd: De steen, dien de bouwlieden verworpen hebben, deze is geworden tot een hoofd des hoeks, en een steen des aanstoots, en eene rots der ergernis.
Zullen we ons tekstwoord recht begrijpen, zoo is noodig, dat we het beeld, zoo treffend schoon, verstaan, waaronder de Heere Jezus hier en in 't vorige vers wordt voorgesteld. Wanneer de apostel daar bezigt de woorden: „Zie, Ik leg in Sion een uitersten hoeksteen", dan denkt hij aan Jesaja 28 vers 16, waar Gods volk, hier gelijk elders Sion genoemd, voorstelt onder het beeld van een prachtigen tempel, waarvan de levende steenen zijn de kinderen Gods. Elke tempel der oudheid nu droeg een kostbaren steen, een hoeksteen, dienende niet slechts tot sieraad, maar tevens tot sterkte, gelegd namelijk aan den hoek, om aldus de zijden vast aan elkander te verbinden en daardoor meerdere hechtheid te geven aan het gebouw. Het was derhalve de hoofdsteen des tempels, gelegd aan deszelfs hoek en daarom genoemd hoofd des hoeks. 
Aan den geestelijken Godstempel nu, aan Sion, bevindt zich ook zulk een hoeksteen, namelijk Christus, van Wien we zingen in Psalm 118 vers 11. Deze steen is ook, gelijk trouwens iedere steen er van, gelegd door niemand minder dan door den oppersten Kunstenaar en Bouwmeester, alzoo door God Zelve.
De bekende Joodsche geschiedschrijver Flavius Jozefus verhaalt ons, hoe de bouwlieden van den tweeden tempel vonden een steen, zeer schoon, maar dezen weg wierpen, meenende, dat hij nergens paste. Eindelijk evenwel bleek, dat één steen ontbrak en wel de hoeksteen. En zie, nu werd de weggeworpen steen weer opgezocht om nu te ontwaren tot verbazing en vreugde, hoe die juist zoo alleszins doelmatig was voor hoeksteen.
Ook Christus werd verworpen door Overpriesters en door Schriftgeleerden, alzoo door hen, die geroepen waren de geestelijke bouwlieden van Israël te zijn. Doch God de Heere wekte Hem op uit den dood, om nu te zijn de verheven hoeksteen, het Hoofd des hoeks, dienende ook zoowel tot sieraad als tot sterkte.
Van dezen Hoeksteen Christus Jezus zegt onze apostel allereerst: „U die gelooft, is Hij dierbaar". En ja, zoo is het. Vraagt ge: maar waarom is Christus den geloovigen dierbaar ? zoo antwoord ik: let daartoe eens op de beide kenmerken van den hoeksteen, die hem juist geschikt maakten om te dienen voor hoofd des hoeks: sieraad en sterkte. Welnu, ook Christus bezit die twee eigenschappen en wel gansch volkomen.
Allereerst sierlijkheid. Gelijk de stralen der zon schitterend schoon tezamen vallen in het kristallijnen glas, zoo vereenigen de stralen van Gods heiligheid, liefde, wijsheid en macht zich in Christus, zijnde het uitgedrukte beeld van Gods zelfstandigheid. Hij mag van zichzelven betuigen: „Ik ben een roos van Saron, een lelie der dalen". De gewijde Psalmdichter roept over Hem in blijde verrukking uit: „Gij zijt veel schooner dan de menschenkinderen; genade is uitgestort op Uwe lippen. Alle Uwe kleederen zijn mirre en aloë en kassie, uit de elpenbeenen paleizen, vanwaar zij U verblijden".
Ja, voorwaar, sohoon was Hij reeds in Zijne vernedering, schoon is Hij vooral ook in Zijne Middelaarsheerlijkheid.
Maar ach, hoe weinigen zijn het, die zulks vermogen te zien. Het zijn slechts zij, die van den Heere door Zijn ontdekkend Geesteslicht een oog hebben ontvangen om te zien en een hart om op te merken, zoodat de blinddoek hun is afgevallen en zij ontvangen hebben de zoo kostelijke en zoo onmisbare genadegave des oprechten geloofs.
De apostel zegt dan ook: „U die gelooft is Hij dierbaar". Hoe vaster en hoe meerder het geloof is, des te grooter, wordt ons de dierbaarheid van Christus. Helaas, vaak is dat geloof zoo slapend. De oogen kunnen zoo gehouden zijn. De macht van eigen zondig vleesch, van wereld en satan kan zoo verblinden. Maar o, als door den Heiligen Geest weer licht mag opgaan over licht en er zoo mag zijn een ingeleid worden in Gods heiligdommen, dan klinkt het jubelied der bruidskerke Christi: „Alles wat aan Hem is, is gansch begeerlijk". En weet ge wat de sierlijkheid van Christus voor de Zijnen vooral zoo heerlijk maakt? Het is, dat Zijne sierlijkheid op henzelven afstraalt en nu ook de hunne is en steeds meer wordt. Met het oog toch op Hem, op hetgeen zij in Hem hebben en zijn, geldt van hen: „Liefelijk, gelijk de gordijnen Salomo's",  ja mogen ze juichen: „De Heere, onze gerechtigheid".
En nu is Christus hun niet slechts dierbaar vanwege Zijne sierllijkheid, maar ook vanwege Zijne sterkte, die Hij hun geeft. Gelijk de hoeksteen eens tempels de steenen er van vast aan zichzelven verbond en daardoor vastheid gaf aan den tempel, zoo ook verbindt Christus de Zijnen aan Zichzelven. Zij zijn ééne plantinge met Hem in de gelijkmaking Zijns doods, alzoo ook in de gelijkmaking Zijner wederopstanding. Hij is de wijnstok en zij daarvan de ranken. Die vereeniging met Hem is eene vereeniging juist door het zaligmakend geloof, door hetwelk het toch is, dat ze Hem zijn ingelijfd. En door die eenheid met Hem is Hij hun tot vastigheid, evenals de hoeksteen eens tempels dezen vastigheid gaf, zoodat ze mogen zingen:
„De Heer is mij tot hulp en sterkte.
Hij is mijn lied, mijn psalmgezang;
Hij was het, die mijn heil bewerkte,
Dies loof ik Hem mijn leven lang".
Buiten Christus zijn ze weerloos als een lam en dat te midden van grijpende wolven. Maar ziet, in hun strijd des geloofs treedt hun terzij de sterke Held, de Leeuw uit Juda's stam, uitroepende: „Ik ben 't die in gerechtigheid spreek en machtig ben om te verlossen". Hij is hun Rots, hunne toevlucht, Sion's roem en sterkte, zoodat de apostel Paulus, hoewel anders zuchtend, ziende op zichzelven, over eigen onmacht, nu, met het oog op wat hij in Christus heeft en van Hem ontvangt, betuigen mag: „ik vermag alle dingen door Christus, die mij kracht geeft".
En waar Christus alzoo den waar geloovigen is tot sieraad en sterkte, daar ook is Hij hun dierbaar. O, hoe moest Hij hun niet nog veel dierbaarder zijn en zulks blijken niet slechts door een meer getrouw getuigen van en een meer oprecht leven voor Hem, maar ook door te toonen, dat de belijdenis: „ik geloof in de gemeenschap der heiligen", niet slechts is taal der lippen, maar des harten, bedenkende, hoe Christus ook daartoe is gelegd tot Hoofd des hoeks van den geestelijken Godstempel, om deszelfs steenen nauw aan elkaar te verbinden, opdat Sion aldus zou vormen één schoon, harmonisch geheel.
Helaas, maar al te weinig wordt die gemeenschap der heiligen aanschouwd, vooral in onzen geesteloozen tijd vanwege gebrek aan geloof en liefde tot Christus en vanwege eerzucht en hoogmoed des harten. O, daardoor is het dat er zoovele en zoo velerlei kerken en kerkjes worden opgericht als even zoovele scheidsmuren, en dat tusschen hen, die toch naar 's Heeren naam zich noemen. Och, dat er meer eenheid mocht gevonden worden onder de oprecht geloovigen en aldus blijken moge dat Christus hun inderdaad dierbaar is, gedachtig zijnde aan Zijne Hoogepriesterlijke bede: „opdat zij allen één zijn, gelijkerwijs Gij, Vader, in Mij, en Ik in U, dat ook zij in ons één zijn".
Vooral is zulks zoo noodig, waar er zoovelen zijn, voor wie Christus niet dierbaar is, integendeel, maar veeleer, volgens ons laatste tekstgedeelte, is „een steen des aanstoots en eene rots der ergernis".
Wonderlijk verschijnsel, voorwaar! Dezelfde Hoeksteen voor den één als een hoeksteen gansch sierlijk en dierbaar, voor den ander juist het omgekeerde: een steen des aanstoots, eene rots der ergernis. Hoe zulks te verklaren? vraagt ge misschien. Wel, om op die vraag u te antwoorden, zoo wijs ik u er allereerst met nadruk op, hoe in ons tekstwoord sprake is van één en denzelfden Zaligmaker, doch van tweeërlei soort van menschen, namelijk van geloovigen en van ongehoorzamen. Met opzet wijs ik u hierop, opdat de schuld van rampzaligheid blijve bij den menseh zelven en op geenerlei wijze bij den Heere.
Ziet, voor de ongehoorzamen of wilt ge voor de ongeloovigen, want blijkens onzen tekst is ongeloof als ongehoorzaamheld aan te merken — is Christus niet dierbaar, integendeel, is Hij een steen des aanstoots en eene rots der ergernis. Zulks komt vooral vanwege Zijne eischen, zoo zwaar, en vanwege Zijine rede, zoo hard, zwaar en hard n.l. voor het zondige vleesch en het trotsche hart.
Immers Hij eischt wedergeboorte, waarachtige bekeering door en tot den Heere, zelfverloochening, het leven te willen verliezen om hetzelve te behouden, door den dood tot het leven, te haten wat de Heere haat, te beminnen wat de Heere bemint, steeds te vragen: ,,Heere, wat wilt Gij, dat ik doen zal?" O, dat alles strijdt zoo met de begeerten van vleesch en bloed, zoodat Hij hun is tot een steen des aanstoots.
En nu is Hij hun dat niet slechts vanwege Zijne eischen, maar ook tengevolge van geheel Zijne persoonilijkheid en Goddelijk wezen. O, welk eene tegenstelling tusschen Hem en den natuurlijken mensch. Hij heilig, de mensch gansch onrein, Hij de waarheid, de mensch uit den vader der leugenen. Hij enkel licht, de Zonne der gerechtigheid, de mensch-een kind der duisternis. Zoo vindt dat zich ergeren aan Christus derhalve mede zijn oorzaak in ons zondig hart en in onzen diep verdorven aard. Goed beschouwd, dan blijkt ons derhalve, hoe Christus geene ergernis geeft, maar de ongehoorzame en ongeloovige mensch neemt ergernis aan Hem, zoodat de schuld ligt aan de zijde des menschen en niet des Heeren.
Doch nu zal het er maar op aankomen wie en wat Christus is in ons eigen oog, en dat niet maar voor-, doch onderwerpelijk, zelfbevindelijk. Het is toch niet genoeg te erkennen, dat Christus anderen dierbaar is, noodig is zulks te kunnen en te mogen betuigen voor onszèlven. We hoorden, hoe ons tekstwoord spreekt van tweeërlei soort van menschen, van geloovigen en van ongehoorzamen.
Wat dunkt u, behoort gij tot de eersten of moet ge nog tot de tweeden gerekend worden? Weet het wel: het oprechte, het zaligmakend geloof is niet aller, het is een gegeven goed en geenszins vrucht van eigen akker. Bedenk tevens, hoe er is veel gestolen geloof, een zich toeëigenen zonder dat de Heere het komt te schenken uit loutere genade.
Vergeet niet, hoe we van nature behooren tot de ongehoorzamen, zulks reeds geworden zijnde in ons stam-en bondshoofd Adam. Ge hoordet, hoe aan degenen die ongehoorzaam zijn, twee kenmerken eigen zijn: Christus is hun een steen des aanstoots en eene rots der ergernis.
Och, dat ge bij Geestes ontdekkend licht uzelven nu eens leerdet onderzoeken, nauw, ja, zeer nauw, of somwijlen die beide kenmerken, zoo vreeselijk, ook nog de uwe zijn. Zeg niet te spoedig van neen. Weet 't wel, men kan Hem belijden met de lippen en toch Hem ongehoorzaam zijn, zulks betoonend door zondigen levenswandel. Als het er op aankomt, dan kiest man niet met Ruth voor God en Zijn volk, maar met eene Orpa voor de wereld. Ik vraag u: wat is zulks anders dan ongehoorzaamheid? En Hem ongehoorzaam zijn is ook dat zich ergeren aan de leer van Gods vrije genade, dat steunen op eigen deugd en werk, inplaats van den eenigen grond der zaligheid te zoeken in Christus, dan Zoenborg; dat hinken op twee gedachten. Het moet komen tot eene beslissende keuze, en wel hier in dit ons leven, liefst in onze gezonde dagen.
Zeg mij, is de Heere u reeds te sterk geworden, zoodat het bij u door de onwederstandelijke werking des Heiligen Geestes tot die keuze is gekomen? Met andere woorden: zijn uwe oogen reeds geopend geworden voor Christus' dierbaarheid, en dat wel zóó, dat gij belijden moogt: ook mij is Hij dierbaar?
Zoo ja, welk eene groote genade is dan u geschied. Zonder dezelve toch zijn we zoo blind èn voor onszelven in de grootheid onzer zonde en de diepte onzer ellende, èn voor Christus' dierbaarheid, rijkdom en onmisbaarheid, ja, blind voor blindheid. Het is reeds een nooit genoeg te waardeeren weldaad, wanneer door den Heiligen Geest het oog der ziel is geopend geworden voor eigen verloren toestand en dat men Christus van noode heeft als Borg voor z'n arme ziel. Ook al mist men dan nog de vrijmoedigheid en de blijmoedigheid des geloofs, toch is er dan een heilbegeeren naar Jezus, en kan de bede niet worden onderdrukt: Heere, wees Gij mijn Borg.
Wanneer men zulk een de vraag doet: tot welke van die twee soorten van menschen, van welke in onzen tekst gewaagd wordt, behoort gij? klinkt mistroostig het antwoord: „ik weet niet, wat te moeten zeggen. Er is wel een verlangen naar Christus, somwijlen zelfs sterk, maar ach, dan volgt weer vaak zulk een tijd van dor-en doodigheid, zoodat ik, ziende op nog zooveel ongehoorzaamheid, in bangen twijfel verkeer en nog het ergste vrees".
Misschien, mijn waarde lezer, is uzelven die klacht niet vreemd. O, laat mij dan u mogen zeggen: ook onze apostel Petrus zelve, die ons tekstwoord schreef, moest klagen over eigen ongehoorzaamheid.
Maar ge weet, hoe zulks hem niet onverschillig liet, want immers, na zijne drievoudige verloochening zijns Heeren ging hij naar buiten en weende bitterlijk. Ziedaar u genoemd het onderscheid tusschen een nog onbekeerde en tusschen den begenadigde, aan wiens ziel, hoe gering dan ook, leven is gegund. Beiden maken zich schuldig aan ongehoorzaamheid, doch waar de eerste haar niet komt te beweenen, daar doet zulks de laatste wel.
Och, dat ook gij moogt afweten van dat uitgaan des harten naar Jezus, ook al is het met smeeking en geween vanwege zooveel ongehoorzaamheid, dagelijks weer aan. Daarmede toch zoudt gij bewijzen, hoe toch in den grond der zaak Christus u dierbaar is. Dat dit dan u tot troost strekke, dat Hij zulks van u weet, dewijl Hij let op de roerselen der ziel; alsmede ook dit: dat Hij zoowel de eerste is als de meeste in liefde. Daarom, wees welgemoed. Eens zal Hij u toonen op gansch volmaakte wijze, dat gij Hem dierbaar zijt, zóó dierbaar, dat gij met Hem moogt aanzitten aan het Avondmaal van de bruiloft des Lams, u leidend in gestikte kleederen in Zijn koninklijk paleis, Hem, den Koning in Zijne schoonheid ziende, gelijk Hij is.
Zoo vreeselijk het eenmaal zal zijn voor hen, die ten einde toe Hem ongehoorzaam zijn, zoo heerlijk zal het dan wezen voor wie in Hem gelooven. Zalig daarom zij, voor wie het woord geldt: „U die gelooft, is Hij dierbaar".
Hij worde of zij het ook u. Zijn Naam ter eere. Amen.

Linschoten.                                                                                                                                                                             D. PLANTINGA.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 oktober 1926

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 oktober 1926

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

PDF Bekijken