Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

GEESTELIJKE OPBOUW

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

GEESTELIJKE OPBOUW

7 minuten leestijd

Het duizendjarig Rijk. (3)
Voor een iegelijk, die z'n Bijbel kent, is duidelijk, wat de profeten bedoelen met de teekenlng van de toekomst voor Israël. Geenszins is hun prediking in woorden en beelden aan het aardsche leven ontleend. Het scliijnt niet zelden, alsof er voor Israël een aardsche heerlijkheid, met een aardsch vrede-rijk is weggelegd. Maar we weten, dat het alles doelde op hetgeen in Christus voor het ware zaad van Abraham was weggelegd. Geen aardsch Palestina,  en Joodsch Jeruzalem, geen wezenlijken ----- met spijzen als brood en wijn en vleesch, hebben de profeten op 't oog. Neen! hun blik gaat veel hooger; hun woord en prediking heeft dieper beteekenis. Maar het Joodsche volk, vol vleeschelijke eigengerechtigheid, heeft deze hoog-geestelijke dingen, die spraken van vrede en vreugd in Christus voor Gods ware volk, dikwijls ongeestelijk aangevoeld en ----- ze dan platvloersch in aardschen en wereldlijken zin uitleggen, waarbij de geestelijke heerlijkheid geheel verloren ging.
Men had geen geestelijke voelhorens, er was geen geestelijke diepte bij het volk; men legde het Woord des Heeren niet uit zooals Hij het wilde, maar paste het eigengerechtig toe op het vleeschelijk Israël, wonend in het aardsche Kanaan, waardoor men natuurlijk in bittere teleurstelling moest eindigen.
Velen in lateren tijd hebben de heerlijke toekomst, door de profeten gloedvol, met Oostersche levendigheid en Joodsche beeldspraak geteekend, óók niet begrepen en zijn stoffelijk en vleeschelijk de dingen aanhangend, óók gaan spreken van verwachtingen voor Israël, die geheel aardsch en uit de aarde zijn. En dat heeft de voorstelling van een duizendjarig vrederijk verscherpt. Men is gaan praten van een op aarde zichtbaar en tastbaar rijk, waarin men voorstelt, dat al de beloften, aan de kinderen toen gedaan, zullen verwezenlijkt worden in tastbare vormen hier beneden op aarde. Den profetischen zin van het Woord Gods verstaat men dan niet. En vooral in moeitevolle dagen, van veel lijden en verdrukking, komt de beeldspraak van de Profeet dan weer voor den geest, om daarom ----- zich te fantaseeren aardsche heerlijkheid te midden van een aardsch vrederijk.
We weten echter, dat als de Heiland optreedt, Deze Zich in 't minst niet aansluit bij de platvloersche, aardsche, vleeschelijke voorstellingen der Joden, aangaande een duizendjarig vrederijk op aarde, waar de leeuw en de geitenbok samen neder liggen en de zwaarden tot sikkelen zullen worden gesmeed. Dan teekent Hij niet een aardsch Kanaan en een Joodsch Jeruzalem en een aardsch Davidisch rijk, met een bevoorrechte positie voor Israël. Christus, onze Zaigmaker, is geen Chiliast. En ook in deze is Hij het, die de profeten het best heeft verstaan; Die  gekomen is om de profetieën te vervullen, geenszins in stoffelijken en vleselijken en aardschen zin, maar geestelijk en eeuwig.
Die van een  d u i z e n d j a r i g  v r e d e - r ij k  o p  a a r d e  spreken en dan komen met allerlei teksten uit het Oude Testament hebben dus wel te bedenken, dat Christus ons een geestelijke uitlegging van de Schriften heeft gegeven en dat het nu toch verkeerd is bij een vleeschelijke uitlegging te blijven staan.
O, zeker! de profeten hebben het gehad over Israels val en Israels verlossing, over Jeruzalems schande en over Jeruzalems heerlijkheid, over altaar en priester, over Barbaar en Scyt, over Tyriër en Moor, over wijnstok en vijgeboom, over vrede en vreugd — en de Heere heeft het volk der besnijdenis telkens wonderlijk verlost en genade en eere gegeven. Maar de heerlijke toekomst, voor Israël weggelegd, bestond toch tenslotte niet in de grootheid van het volk der besnijdenis, maar in de veelheid dergenen, die in Christus zouden gelooven. Dat geestelijk Israël zou talrijk zijn als de sterren des hemels, die over gansch de aarde zijn uitgespannen als lichten des Heeren.
Overal zou het Sion Gods gevonden worden, dat een heerlijker altaar zou kennen dan te Jeruzalem stond — 't gesprek van Jezus met de Samaritaansche vrouw wijst daar profetisch heen! — en bij het volmaakte offerlam Jezus Christus zou een betere maaltijd gevonden worden dan ooit te voren, tot een volkomen verzoening der zonden en tot genieting van vrede en zaligheid tot in eeuwigheid.
Verkeerd is het, om voor de toekomst alies door een Joodschen bril te zien. De geestelijke dingen moeten geestelijk worden verklaard.
De discipelen hebben het ook ervaren, dat men bedrogen uitkomt als men gaat droomen van een aardsch Koninkrijk. Geen aardsche troon is opgericht te Jeruzalem. Het Joodsche volk is niet gekomen in Kanaan tot aardsche grootheid. Neen, Paulus die het roemen in het vleesch afgeleerd had, verstond 't later wel anders. En den Heere prijzend voor Zijn eeuwige, grondelooze liefde en onwankelbare trouw aan al Zijn beloften, vermaande hij Jood en Scyt en Barbaar om als een verdoemelijk zondaar te vluchten tot het kruis, om daar te vinden, niet een aardsch vrede-rijk, maar goddelijke zaligheid, hemelsche vreugd en eeuwigen vrede, met uitzicht op een eeuwig Koninkrijk der heerlijkheid, dat voor al Gods kinderen is weggelegd van vóór de grondlegging der wereld.
Wij kunnen het best verstaan, dat menigeen de teekening der profeten, met het oog op het geestelijk Israël van alle tijden gegeven, verkeerd heeft opgevat. Onze gezichtskring is zoo beperkt en ons verstand is verduisterd en ons hart is arglistig. En dan gaat men droomen van een vruchtbaar land, van een nieuw aardsch Jeruzalem, van een schitterende regeering van een Koning uit Davids huis, van zeldzame zegeningen voor jong en oud, van stoffelijke eerbewijzen, door de Heidenen gebracht. Maar heeft de Heiland het ons niet geleerd, dat we  s t e r v e n  moeten aan al deze stoffelijke verwachtingen en ongeestelijke droomerijen en ons kruis op ons moeten nemen en Hem volgen in den dood, verwachtende een hemelsch Koninkrijk?
En als we Hem in dien weg leeren volgen, dan zien we de toevergadering van het Israël Gods; den opbouw van het Jeruzalem Gods; de uitbreiding van het Koninkrijk Gods. Dan kijken we niet naar het aardsche Kanaan en het Joodsche Jeruzalem, maar we zien de heerschappij van den Vredevorst, den opbouw van de vredestad. De toevergadering van het ware zaad Abrahams. Dan zien we den Satan gebonden, en den Koning van Sion gaande van overwinning tot overwinning; dan zien we in het eind den ondergang des boozen en de nederdaling van het hemelsch Jeruzalem op aarde. Dan hooren we de profetie: God zal zijn alles in allen. En ja, in de verte zien we het vrederijk, als de schapen en de bokken zullen gescheiden zijn voor goed.
Een vrede-rijk; maar een ander dan waarvan de Chiliasten dwaselijk droomen.
Hier hebben we dus den draad weer op te vatten.
Bij de Perzen droomde men van een komend vrederijk op aarde, onder heerschappij van S o s i o s h. De Mohammedanen fantaseeren aangaande een toekomstig vrederijk op aarde. Oud-Israël sprak er van en menschen van den nieuweren tijd, die de profetieën vleeschelijk verstaan. Maar de Heiland was geen Chiliast. De Apostelen hebben hun aardsche verwachtingen moeten loslaten. Paulus spreekt van een toekomstig vrederijk niet.
Doch, als Christus' Kerk onder vele verdrukkingen moet zuchten en onder vele vervolgingen moet lijden, komt bij schrijvers, die van den ouden Joodschen zuurdeesem niet vrij zijn (Judaïsme), de gedachte aan een duizend-jarig vrederijk op aarde weer naar voren.
Niet in de N. Testamentische geschriften, als de brieven der Apostelen aan de gemeenten, vinden we Chiliastische gedachten, maar in andere geschriften van dien tijd, die we gewoonlijk  A p o c r i e f e  geschriften noemen, wel. Daar wordt een prediking van een toekomstig duizend-jarig vrede-rijk beluisterd, waarbij er dan vele Kerkvaders zijn, w.o.  I g n a t i u s  e n  P o 1 y c a r p u s, die van 't Chiliasme niets willen weten en er voor waarschuwen.
De Kerkleeraar  I r e n a e ü s, overigens iemand van groote vermaardheid, stelde zich een Kerk van louter heiligen voor hier op aarde en gaat diensvolgens den kant uit van aardsche droomerijen, — maar dan begint de Christelijke Kerk ook meer officieel zich tegen de Chiliastische voorstellingen te verzetten. En vooral de scherpe bestrijding van de zijde van den beroemden Kerkvader Augustinus is bekend.
(Wordt voortgezet).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 december 1926

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

GEESTELIJKE OPBOUW

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 december 1926

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

PDF Bekijken