Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

9 minuten leestijd

De afloop.
De Eerste Kamer heeft de vorige week het Tractaat met België met 33 tegen 17 temmen verworpen. Deze beslissing kwam niet onverwacht. Na de bestrijding, welke het Verdrag in de Pers had ondervonden en de scherpe discussies, die daarna in de Eerste Kamer werden gevoerd, stond de verwerping van het tractaat reeds lang te voren vast en was de stemming in ons Hoogerhuis eigenlijk niets anders dan een bevestiging van hetgeen reeds op niet-officiëele wijze ter kenisse van het Nederlandsche volk was gekomen. Wat intusschen wel de nieuwsgierigheid opwekte, was om te weten te komen, hoe de verschillende politieke partijen tegenover het Tractaat zouden staan. En dan vallen in dit verband twee dingen te constateeren; in de eerste plaats, dat de stemmen bij alle partijen, uitgenomen bij den Vrijheidsbond, verdeeld waren; in de tweede plaats, dat van de Roomsche fractie in de Eerste Kamer de groote meerderheid tegen het Verdrag stemde.
Dat wij dit laatste met opzet vermelden, vindt z'n grond hierin, dat nadat het Tractaat in de Tweede Kamer was aangenomen, het verhaal de ronde deed, dat het Verdrag eigenlijk een uitvindsel was van het Vaticaan, om daarmede een Roomsche natie te bevoordeelen, ten koste van een Protestantsch volk. Daarbij zou dan de enkele Roomsche stem, die in de Tweede Kamer tegen de regeling werd uitgebracht, een Jezuïetenstreek zijn geweest, ten einde de plannen van Rome niet in de gaten te laten loopen. Van dit geheele verhaal blijft thans niets over, nu van de 16 Roomsch Katholieke eerste Kamerleden slechts 7 man hun stem aan het Tractaat gaven, tengevolge waarvan het Verdrag werd afgewezen. Ongewijfeld een tegenvallertje voor de anti-papisten, die zich daarmede een politiek fortuintje zien ontgaan.
Een andere conclusie, welke uit de stemming in de Eerste Kamer, nu vrij algemeen alle partijen verdeeld optraden, valt te trekken, is, dat de debatten ook in dezen tak van de Staten-Generaal buiten de politieke beginselen om gingen en dat de stem, welke door ieder Kamerlid werd uitgebracht, overeenstemde met de belangen van het Vaderand, zooals dit lid die zag.
Is ten gevolge van de beslissing van de Eerste Kamer de verwerping van het Verdrag dus een  f e i t  geworden, thans is het te hopen, in verband met de groote landsbelangen, welke bij de zaak betrokken zijn, dat een ieder zich zonder eenigen wrok bij de beslissing zal neerleggen, en dat iedereen zich van stonde aan gaat beijveren om gezamenlijk den politieken toestand in oogenchouw te nemen, die van de verwerping van het Tractaat het gevolg zal zijn.
Dit is een nationaal belang van de eerste orde, waaraan niemand zich mag onttrekken. Gelukkig heeft de oud-Minister Colijn in de Eerste Kamer, onder veler instemming, eenige groote lijnen getrokken, die den grondslag kunnen vormen voor het voeren van een positieve constructieve politiek, die, wanneer België maar eenige meegaandheid toont, nieuwe perspectieven opent voor een behoorlijke oplossing van de hangende kwestie. Hoe dit alles echter zij, vanaf dit oogenblik heeft een ieder mede te werken om de positie van Nederland naar buiten zoo sterk mogelijk te maken. Het verleden moet daarbij blijven rusten en aller aandacht op de naaste toekomst gevestigd worden. Dat Minister van Karnebeek met zijn groote kennis van zaken en zijn ruimen internationalen blik voortaan de leiding van onze buitenlandsche politiek niet meer zal beheerschen, valt zeker te betreuren, maar het worde Minister de Geer gegeven een staatsman bereid te vinden om het scheepke van Staat, dat nog heel wat zal hebben te verduren, veilig de haven binnen te loodsen.

Het Calvinistisch dwarspad.
Eenige weken geleden heeft dr. de Visser, de tegenwoordige leider van de Christelijk Historische Unie, een paar artikelen in De  N e d e r l a n d e r  geschreven, waarin hij zijn standpunt, en wij mogen op goede gronden aannemen, ook dat der Unie, met betrekking tot de rechtsche politiek uiteenzette. In deze artikelen komt niet onduidelijk naar voren, dat van dien kant de rechtsche samenwerking — zoo zij weer wordt gezocht — niet zal worden afgewezen. Echter worden al aanstonds door dr. Visser voorwaarden voor een samengaan der drie rechtsche partijen gesteld. Een dezer voorwaarden is, dat niet zal afgeweken worden naar een Calvinistisch dwarspad, maar krachtig zal worden voortgeschreden op den weg eener christelijk-nationale Staatkunde, Terecht is in de A.R. pers gevraagd, wat de Visser, en met hem de Christelijk Historischen, bedoelen met dit afwijken naar een  C a l v i n i s t i s c h  d w a r s p a d. Voor zoover wij weten, is het antwoord op deze vraag nog niet gegeven.
Toch lijkt het ons toe, dat wij dit antwoord niet ver hebben te zoeken, en dat het nogal voor de hand ligt. Het zal hier gaan om enkele specifiek A.R. beginselen, als b.v. de wederinvoering van de doodstraf, de opheffing van den stemplicht, de heiliging van den Zondag en dergelijke andere wenschen van de A.R. Partij. Deze punten van staatsbeleid hebben de instemming niet van de Chr. Historische Unie. Zij hebben steeds punten van verschil uitgemaakt tusschen de beide politieke partijen. Of samenwerking der drie rechtsche groepen zal kunnen verkregen worden, door de voorwaarde van de Christelijk Historischen in te willigen, lijkt ons voorshands uitgesloten. Het is bovendien niet de goede weg, dat in overeenstemming te verkrijgen, één van de betrokken partijen voorwaarden gaat stellen, zonder eerst eens ernstig overleg te hebben gepleegd hoe ver men ten dezen gaan kan. En dan mogen die voorwaarden zeker niet ingaan tegen het levensbeginsel, dat een andere partij, hier de Antirevolutionaire, is toegedaan.

Antirevolutionaire Staatspartij
III
De Antirevolutionaire Staatspartij had dus nu (1878) een Program van beginselen. Het was een „eigen" partij. Daarbij heeft zij haar kracht gezocht in de zelfstandigheid van beginsel. „In ons isolement (d.i. in onze zelfstandigheid van beginsel) ligt onze kracht", heeft Groen ons geleerd. Toch is de Antirevolutionaire Staatspartij, met behoud van eigen beginsel, nooit tegen samenwerking met andere partijen geweest. En toen aan het eind van een 10jarige worsteling, 1872—1882, gezien werd, dat de  m i n d e r h e i d  in het land (het liberalisme) de  m e e r d e r h e i d  was in de Kamer, is in 1881 en 1882 op een wel omschreven accoord samenwerking aan andere partijen aangeboden. De  C o a l i t i e  trad op, om aan de liberalistische overheersching — die de minderheden (de christelijken) achtte als de doode vlieg, die des apothekers zalf stinkende maakt en daarom dan ook maar onderdrukt moesten worden (1878, Kappeyne van de Copello bij de behandeling van de Schoolwet) — een einde te maken. Want de belijdenis der Antirevolutionaire Staatspartij is, dat de Heere regeert, maar die Almachtige God bindt ons menschen aan den middellijken weg en legt ons als hooge roeping op, om saam het goede te zoeken voor land en volk, waar het mogelijk is.
In April 1888 was het, dat het eerste Ministerie der rechterzijde gevormd was (het Ministerie - Mackay). De Antirevolutionaire Partij ging daarmee een nieuw tijdperk in. In 1901, toen weer alle Christelijke partijen elkaar steunden, kwam de meerderheid weer aan de rechterzijde. Gevolg daar van was het optreden van het Ministerie-Kuyper. Dat de Antirevolutionaire Staatspartij vóór samenwerking is, blijkt uit artikel 21 van Ons Program, dat aldus luidt: „Dat zij (de Antirevolutionaire Partij), om deze beginselen (n.l. die in de vorige artikelen zijn omschreven) ingang te doen vinden, de zelfstandigheid van hare partij hand haaft; zich bij geene andere partij laat indeelen; en slechts dan samenwerking met andere partijen aanvaardt, indien die door een vooraf welomschreven program, met ongekrenkt behoud van hare onafhankelijkheid, kan worden verkregen. Reden waarom zij bij eerste stemming gemeenlijk met een eigen candidatuur aan de Staatkundige verkiezingen deelneemt en bij herstemming zich voorbehoudt, te handelen naar omstandigheden".
Eigen zelfstandigheid moet dus steeds krachtig worden gehandhaafd. Bij geen andere partij laten we ons indelen. In ons isolement (d.i. in onze zelfstandigheid van beginsel) ligt onze kracht. Wat dat eigen beginsel der A.R. Partij is? Groen zeide: Wij zijn de Anti-Revolutionaire Partij, omdat wij strijden tegen de diepgaande dwaling op religieus en politiek gebied, tegen de leer, welke tegenover de geopenbaarde waarheid en de Goddelijke autoriteit plaatst de souvereiniteit van de rede en van den menschelijken wil.
De Anti-Revolutionaire of Christelijk-Historische partij wil dus staan tegenover de souvereiniteit van des menschen verstand en wil daartegenover stellen de souvereiniteit Gods en het gezag van Zijn geopenbaarden wil. Zegt de Revolutie: Geen God en geen meester — de Anti-Revolutionair zet daar tegenover wat God in Zijn Woord heeft geopenbaard en komt met de souvereiniteit Gods en de beginselen van gezag en vrijheid. Daarin sluit de A. R. Partij zich aan „bij den grondtoon van ons volkskarakter, gelijk dit, door Oranje geleid, onder invloed der Hervorming omstreeks 1572, zijn stempel ontving" (art. 1 van Ons Program).
Bij de Reformatorische beginselen van de 16de eeuw sluit de AntinRevolutionaire Partij zich aan. Daarom is zij de Christelijk-Historische partij, die in de lijn der historie de christelijke beginselen voorstaat en zij denkt daarbij steeds met groote dankbaarheid aan wat in deze vroeger door Oranje is gedaan. Ons volk heeft een ,,eigen" geschiedenis; een zoo wónder-heerlijke geschiedenis. En de beginselen in de 16e eeuw hier ingebracht onder ons volk, waardoor ons volksleven een eigen stempel kreeg, wil de Anti-Revolutionaire Partij vasthouden, om die beginselen „overeenkomstig den gewijzigden volkstoestand, in een vorm die aan de behoeften van onzen tijd voldoet, te ontwikkelen". (art. 1. Ons Program).
1927 is 1572 niet.
Hoeveel is er veranderd! En daar moet rekening mee worden gehouden. Ook heeft men in 1572 alles niet kunnen doorzien en daarom moet nu worden voortgesponnen aan 't geen onze Geref. Vaderen toen geleerd en gedaan hebben. Geen verandering van fundamenteele beginselen, die op Gods Woord gegrond zijn, maar wel toepassing op onzen tijd, waarbij rekening wordt gehouden met de ontwikkeling der beginselen, en de  v e r a n d e r d e  tijdsomstandigheden.
Voor de Anti-Revolutionaire Partij staat bizonder voor den geest, wat de groote Revolutie van 1789 heeft geleerd en gebracht. „Weg met God, weg met den Koning !" — heeft men toen geroepen. Niet dus om God te dienen naar Zijn Woord op alle terrein des levens maar juist om God en alle machten af te schaffen en bandeloos en roekeloos te kunnen leven naar eigen wil, eere gevend aan de menschelijke rede. Die revolutionaire beginselen worden door de Anti-Revolutionaire Staatspartij bestreden en de beginselen van het Gereformeerd Protestantisme worden daartegenover gesteld, om die toe te passen, voor zoover bij een gemengde bevolking, in Nederland moet en mogelijk is.

Dit artikel werd u aangeboden door: de Gereformeerde Bond

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 april 1927

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 april 1927

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

PDF Bekijken