Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

De gewetensbezwaarden niet geholpen.

11 minuten leestijd

De gewetensbezwaarden niet geholpen.
Het amendement van mr. Bijleveld, dat ten doel had in het ontwerp van wet, houdende voorzieningen tegen besmettelijke ziekten, op bevredigende wijze tegemoet te komen aan hen, die op grond van hun godsdienstige overtuiging bezwaar hebben tegen inenting, hetgeen zou moeten blijken uit het onder eede bevestigen der bezwaarden van hunne bedenkingen, kon in de vergadering van de Tweede Kamer van Vrijdag l.l. maar 12 stemmen op zich vereenigen. Tot de voorstemmers van het amendement behoorden de Antirevolutionairen en de beide Staatkundig Gereformeerden; tot de tegenstemmers de overige groepen van de Kamer. Dat wij de afwijzing van het voorstel-Bijleveld door de Kamer betreuren, zal duidelijk zijn, omdat ook wij op het standpunt staan, dat de gewetensvrijheid van ons volk moet worden geëerbiedigd en dientengevolge de vaccine-dwang uit onze wetgeving behoort te worden verwijderd. Het is jammer, dat geen enkel ander lid der Kamer buiten de voorstemmers van het amendement zich heeft weten op te werken om op het stuk der vaccinatie aan de bezwaarden recht te doen.
Nu mag echter, om een juiste beoordeeling der zaak mogelijk te maken, niet worden voorbijgezien, dat er een paar omstandigheden waren, die op de stemming in de Kamer hun invloed deden gelden. Vooreerst de houding van Minister Slotemaker de Bruine, die reeds onmiddellijk na de toelichting van het amendement verklaarde, dat het onderwerp, waarover het amendement liep, buiten de grenzen lag van de werkzaamheden van het extra parlementaire Kabinet. Men zal zich herinneren, dat toen het zittend Kabinet optrad, mr. de Geer mededeelde: „dat de politieke vraagstukken, die verband houden met de partijgroepeering, zooals die tot dusver hier te lande heeft bestaan, zullen blijven rusten en gehandhaafd blijven in het stadium, waarin zij op het oogenblik verkeeren". Tot deze politieke vraagstukken rekende de Minister van Arbeid ook de afschaffing van den vaccinedwang en daarom verklaarde hij het amendement-Bijleveld onaannemelijk en voegde daaraan toe, dat, indien het amendement mocht worden aangenomen, daarvan intrekking van het wetsontwerp het gevolg zou zijn.
Voor dit dreigement van Minister Slotemaker de Bruine gingen de Kamerleden, die in den vaccinedwang voor hen geen beginselkwestie zagen, op zijde. En hoewel mr. Heemskerk duidelijk en scherpzinnig deed uitkomen, dat al is het Kabinet extraparlementair, dit de Kamer nog niet tot een extra-parlementair College maakt, toch ging de groote meerderheid van het parlement met den Minister mede en stemde zij het amendement af. Waarschijnlijk zou de uitslag van de stemming anders zijn geweest, wanneer de Minister het „onaannemelijk" niet had doen hooren; dan ware het zeker niet uitgesloten geweest, dat vele leden van de rechterzijde, die thans tegenstemden, uit welwillendheid jegens de Antirevolutionairen hun stem vóór het amendement hadden uitgebracht.
Wij durven zelfs verder gaan, waarvoor de „Handelingen" der Kamer wel eenige aanwijzing geven, dat wanneer ds. Kersten als woordvoerder van de Staatkundig Gereformeerden wat voorzichtiger ware opgetreden en van het amendement-Bijleveld geen politiek zaakje had gemaakt ten gunste van de Staatkundig Gereformeerden, voor het amendement een belangrijk grooter aantal stemmen zou zijn uitgebracht geworden.
Wij mogen toch niet aannemen, dat het in de bedoeling van den leider der Staatkundig Gereformeerden lag om zich tevreden te stellen met tegen den vaccinedwang bloot te  g e t u i g e n; hij zal toch gehoopt hebben met zijn optreden iets voor de bezwaarden tegen de inenting te bereiken. Maar waarom zich dan niet rustig bij het betoog van den heer Bijleveld aangesloten? Waarom zich dan zoo verwonderd aangesteld, dat de Antirevolutionairen met een amendement kwamen? Ds. Kersten weet toch heel goed, dat in het program van de Antirevolutionaire Partij de afschaffing van den vaccinedwang staat?
Wil men hier iets bereiken, dan zal de medewerking van de rechterzijde moeten komen en eischt het een zeer voorzichtig politiek beleid, om de stemmen van dien kant voor het beoogde doel te winnen.
Onder het Kabinet-Ruys diende de R.K. Minister Aalberse het wetsontwerp in, dat thans door Minister Slotemaker de Bruine werd verdedigd. In het eerste ontwerp, dat bij de Kamer inkwam, deed de R.K. Minister een eerste stap om aan de bezwaarden tegen de inenting tegemoet te komen, maar ook toen werd door het onvoorzichtig optreden van ds. Kersten de zaak bedorven.
Het moet den Staatkundig Gereformeerden toch niets kunnen schelen, wie het vaccinevraagstuk weet op te lossen en tot een goed einde te brengen. Het gaat er toch niet om, om elkander verwijten naar het hoofd te slingeren, daarvoor lijkt ons de zaak te ernstig en daarmede wordt zij ook niet gebaat.
Er was mogelijk iets te bereiken geweest, maar dan had ds. Kersten zich wat meer op den achtergrond moeten houden. Wij hopen dan ook om het groote belang der zaak en ook terwille van de gewetensbezwaarden, wien naar wij hopen eindelijk recht zal worden gedaan, dat, wanneer na gemeen overleg misschien een initiatiefvoorstel zal worden ingediend, het debat van de vorige week ds. Kersten zal geleerd hebben wat voorzichtiger op te treden. De Staatkundig Gereformeerden zullen moeten leeren begrijpen, voor zoover ze het niet reeds begrepen hebben, dat met een extra-parlementair Kabinet voor hen, die gewetensbezwaren tegen de vaccinatie hebben, niets is te bereiken. En dat als men het vraagstuk tot een bevredigende oplossing wil brengen, dit dan moet geschieden door de groepen der rechterzijde.

Niet op zijpaden.
De heer Ir. van Dis te Zeist doet ons blad de eer aan om van ons artikel: „Is er reden tot verdeeldheid?", voorkomende in ons nummer van 25 Maart, wel notitie te nemen in De Banier van 31 Maart. Wij zijn voor deze prompte bediening den heer Van Dis zeer dankbaar. Waar wij echter minder dankbaar voor zijn, is, dat wel enkele bijkomstige zaken, die in ons artikel werden genoemd, breedvoerig werden uitgemeten, maar dat van het hoofdpunt, dat wij in ons artikel behandelden, met geen syllabe wordt gerept. Nu moge de heer Van Dis het ons niet kwalijk nemen als wij hem mededeelen, dat wij ons door hem niet op zijpaden laten leiden. Het hoofdpunt van ons betoog lag in de vraag: wanneer de Antirevolutionairen de Calvinistische levensbeginselen niet in voldoende mate in de wetgeving tot uiting weten te brengen, waarom dan de Staatkundig Gereformeerden dit in de Kamer den Antirevolutionairen niet verbeteren. De weg ligt voor hen open door gebruik te maken van artikel 117 van de Grondwet, welk artikel aan de leden van de Tweede Kamer het recht van initiatief verleent. Op grond van artikel 117 der Grondwet kunnen de Staatkundig Gereformeerden b.v. voorstellen indienen tot het vaststellen van een nieuwe Zondagswet, tot wederinvoering van dé doodstraf, tot afschaffing van het vrouwenkiesrecht, tot opheffing van den stemplicht, enz. enz. Zoolang zij dit niet doen, hebben zij geen recht, anderen, die wegens hun geringe getalsterkte in de Kamer ook geen kans zien hun beginselen in de wetgeving belichaamd te krijgen, te verwijten van niet getrouw te handelen jegens hunne beginselen. Daarover en daarover alleen zouden wij, voor wij op andere onderwerpen ingaan, wel eerst eens de meening van den heer Van Dis willen vernemen.

Antirevolutionaire Staatspartij
IV.
De Revolutie van 1789 heeft niet in Nederland alléén gewerkt en nagewerkt. Ook in andere landen. En daarom is het heel natuurlijk, dat men niet alleen in Nederland een A.R. Staatspartij of A.R. richting heeft, maar ook in andere landen. De Antirevolutionaire richting is dan ook internationaal, hoewel natuurlijk onze Antirevolutionaire Staatspartij in Nederland een eigen partij is op 't Nederlandsche volksleven zich richtend, gaande in den weg van Neêrlands historie. 5 Dec. 1853 sprak Groen reeds in de Kamer van dat internationaal karakter van de Antirevolutionaire politieke richting, tegelijk uitsprekend, dat de Antirevolutionaire richting hier volstrekt niet kerkelijk was. Groen zei dat, nadat mr. de Kempenaar in de Kamer gezegd had, dat Antirevolutionair zoo ongeveer „een partijpolitiek was van een groep in de Hervormde Kerk". Toen antwoordde Groen letterlijk aan 't adres van dien liberalist: „Gij zoudt ons niet ongaarne doen voorkomen als onderdeel  e e n e r  p a r t ij  in de Hervormde Kerk, als opvolger der Dordtsche Vaderen, in moderne vormen gehuld. Gij vergist U. Wij zijn hier niet als fractie van de Hervormde Kerk, maar als onderdeel van een politieke richting, bekend in geheel  E u r o p a  en die niet binnen de grenzen der Hervormde, zelfs niet der Protestantsche Gezindheid beperkt is". Wij zijn hier „als een der twee hoofdrichtingen, waarin op politiek gebied, vooral sedert 1789, de wereld verdeeld is". Het revolutionair verschijnsel was vooral sinds 1789 een  w e r e l d  verschijnsel. En tegenover de revolutionaire beginselen ging de strijd in alle christenlanden en daarbij stonden de belijdende christenen van alle kerkelijke gezindten ten slotte naast elkaar. Men geeft dus een zeer valsch beeld van het standpunt der Antirevolutionaire Staatspartij ten onzent, wanneer men haar op eenigerlei wijs verbindt aan een bepaalde Kerk. Wij althans zouden niet tot haar willen behooren, indien zij in dien zin een  k e r k e l ij k e  partij ware.
Men moet het zóó zeggen: de beginselen waaruit de A.R. Partij leeft en waarvoor zij strijdt, vindt men belichaamd in de verschillende Christelijke Kerken hier te lande. Dat is bij de overzijde (Links) heel anders. Daar vindt men de grondbeginselen van hen, die zeggen: geen God en geen meester — of: bederf de politiek niet met uw godsdienst. Links moet men er feitelijk toe komen te zeggen, wat de heer Goeman Borgesius 29 Nov. 1906 (Handelingen, blz. 569) zeide: „het is een ramp voor het land, als het geloof wordt gemaakt tot grondslag voor het regeeringsbeleid". Dan acht men feitelijk het godsdienstig geloof een ramp voor het land en men gaat dan alles doen om het volksleven zonder geloofsbeginselen op te bouwen en in elkaar te zetten. De Staatkunde zonder geloofsbeginselen, het onderwijs zonder geloofsbeginselen, de rechtspraak zonder geloofsbeginselen, wetenschap en kunst zonder geloofsbeginselen. Men wil vrij zijn en vrij blijven ---
Maar natuurlijk put ieder, Rechts maar ook Links, toch weer uit een dieper liggende bron. Dat kan niet anders. Ieder mensch leeft toch ergens uit! En nu is de groote tegenstelling, dat men Rechts put uit z'n christelijk geloof, terwijl men Links zegt: niet ontleenen aan het christelijk geloof; en dus ergens elders z'n beginselen vandaan halen; maar waar vandaan?? Uit een niet-christelijke bron, uit niet-christelijke beginselen En daarachter staat de revolutionaire leuze: „geen God en geen meester!" — waarbij aanstonds de godin der Rede op de ledig gemaakte plaats ging zitten! Want telkens als de mensch God onttroont, staat er een andere „god" klaar, om den vacanten troon te beklimmen!
De Antirevolutionaire Staatspartij hier en elders beweegt zich nu in dezen geweldigen wereldstrijd, levend uit het beginsel van Gods souvereiniteit en met de belijdenis, dat Gods Woord voor ons wet en regel is voor alle terrein des levens. De Antirevolutionaire Partij is dus internationaal en is niet een partij van een bepaalde Kerk. Want de politieke strijd gaat niet en mag niet gaan om een  k e r k e l ij k e  belijdenis — dat behoort tot het terrein van de Kerk — maar gaat en moet gaan om de beginselen van ons  c h r i s tel ij k,  b ij b e l s c h  g e l o o f, waarbij we ons aansluiten aan de historie van ons Vaderland.
Groen en Kuyper en velen met hen hebben dan ook de Antirevolutionaire Partij gemaakt tot een landelijke partij voor.ons volk en tot een inter-kerkelijke partij, om alle geloovige belijders van den Christus uit onderscheidene kerkelijke gezindten in den politieken strijd te vereenigen, om ons volk en Vaderland en Vorstenhuis saam te dienen en tot zegen te mogen zijn.
Natuurlijk ligt dan het  h i s t o r i s c h  geloof ons ten grondslag.
Niet maar een geloof, dat men zelf fatsoeneert en in elkaar zet, zooals velen van Links nog willen. De dogma's van dat zelfgemaakt geloof aanvaarden we niet. Wij komen op voor het historisch geloof, steunend op Gods Woord en neergelegd in de groote historische stukken en instellingen der Christelijke Kerken. Dat is ons vaderlijk erfgoed en ons gemeenschappelijk bezit als Antirevolutionairen; en dat is  n a t i o n a a l  eigen aan ons Nederlandsche volk en geenszins een vreemd element voor onze natie, noch voor onze geschiedenis, noch voor onze Staatkunde, noch voor ons onderwijs, noch voor de terreinen van wetenschap en kunst. Vanouds heeft Nederland de c h r i s t e l ij k e beginselen hoog gehouden en de grondslagen van ons volksleven zijn dan ook  C h r i s t e l ij k e  grondslagen, in weerwil van de bestrijding die heftig is geweest en de aanslagen die vele waren en nog zijn.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 april 1927

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 april 1927

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

PDF Bekijken