Bekijk het origineel

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

8 minuten leestijd

Om de macht.

Men weet niet, waarover men zich in den tegenwoordigen tijd met betrekking tot 't optreden van de sociaal democraten meer moet verbazen, over de vrijmoedigheid dezer revolutionairen, die met uitsluiting van alle andere groepen der bevolking 't maatschappelijk leven willen beheerschen en op grond daarvan meenen op alles beslag te kunneji leggen, óf over de holle, niets zeggende leuzen, waarmede de leiders de gemoederen van de goe-gemeente weten aan te vuren.

In deze mentaliteit (geestesgesteldheid) der socialisten schuilt een gevaar, dat niet mag onderschat worden, omdat het revolutionair geschoolde deel van ons volk, de mannen^ en vrouwen van den klassestrijd, onder leiding van de sociaal democratische agitators tot alles in staat is.

Nog niet lang geleden werd het revolutionaire refrein uit de dagen van de spoorwegstaking van het jaar 1903, gericht tot de moderne arbeidersbeweging :

Gansch het raderwerk staat stil,

Als uw machtige arm het wil,

al was het in-anderen, toonaard, zelfs in de Tweede Kamer gehoord, toen de sociaal democraten spraken van algemeene werkstaking en van sabotage, wanneer de regeering ooit zou durven besluiten om het leger te mobiliseeren. En niet anders stond het'de vorige week op den 1-Mei-dag, toen de openbare weg voor de socialistische en communistische demonstraties werd opgeeischt, teneinde door optocht en revolutionair gezang de rustige bevolking in de steden en op 't platteland vrees aan te jagen. Hoever men ten deze wel dorst te gaan, bleeic in de Residentie, waar de burgemeester niet bereid was om in alles naar de pijpen van de sociaal democraten te dansen.

Daarover in den Gemeenteraad geïnterpelleerd, moest hij van een der volgelingen van den revolutionair Stenhuis, den man van den opstand, zich hooren toesnauwen : „onbeschofte kerel".

De sociaal democraten, die zeggen, dat zij bij hun 1-Mei-viering in het bijzonder willen opkomen voor de moderne cultuur, lieten zich bij deze gelegenheid van hun waren kant zien.

Of het grootste deel van de bevolking van de betoogingen der sociaal democraten niets moet hebben, toch moet de heele openbare straat voor de revolutionairen beschikbaar zijn.

Vooral spreekt tegenwoordig de Jeugdorganisatie der socialisten bij dit soort demonstraties een hartig woordje mee. De roode jeugd moet reeds vroeg het optreden der ouderen leeren bewonderen en zich de gewoonten der revolutionairen «igen maken.

De Antirevolutionaire politiek is Christelijke politiek. (6)

't Zij in Nederland of ergens elders, overal is de Overheid Gods dienaresse en overal is het recht Gods en de waarheid Gods het hoogste richtsnoer. Overal moet men tot Gods eer leven en in Gods wegen wandelen.

Natuurlijk doet men het niet overal. Overal is pok Gods Woord niet. Maar dat neemt niet weg dat in wezen bvéraVdévbtkeren des Heeren zijn en de Overheden Zijne dienstknechten. „Wij en ons volk, en alle natiën der aarde zijn Hem onderworpen", zegt dr. Kuyper (Toelichting van ons Program, blz. 48).

Dat overal de Overheid als instelling Gods moet worden beschouwd en aan Gods Wet gebonden is, heeft dr. Kuyper helder en klaar beschreven in De Gemeene Gratie, Deel III, blz. 55.

Daar lezen we toch : „Er moet daarom stipt aan worden vastgehouden, dat alle Overheid bekleed is met Goddelijk gezag, geheel afgezien van de vraag, wie de Vorst' in zijn persoon is en ook afgezien van de vraag op wat wijze hij zijn gezag uitoefent. Men mag niet zeggen : eerst als de Overheid zeker zedelijk karakter vertoont wordt ze dienaresse Gods. Ze i s dit altijd. De heilige Apostel spreekt het zoo stellig mogelijk uit, dat de macht die er i s, van God is ; en dat wel zonder eene beperking of machtsbepaling".

Dr. Kuyper weidt daar later nog eens over uit. Want we lezen blz. 129 en 130: „Hierop leggen we vollen nadruk. Er mag toch nimmer, ook maar één oogenblik, aan getwijfeld worden of elk mensch en dus ook elk Overheidspersoon is gehouden naar Gods wil te vragen, zijn kennis van den Goddelijken wil binnen de perken van hef mogelijke te verrijken, naar dien gekenden wil te handelen en vooral bij het leiden van anderen zich dien wil ten regel te stellen. Gods opperheerschappij is volstrekt. Zij gaat over alle menschen en er kan onder menschen geen gezag of geen macht, hoe hoog ook, zijn, die niet geschapen is om voor. God te leven en Gods wil tot richtsnoer van alle handeling te nemen. Staat 't nu vast, dat de Heilige Schrift ten opzichte van allerlei dingen, ook die het burgerlijk leven aangaan, ons over den wille Gods een licht ontsteekt, dat buiten het Woord te loor ging, dan volgt hieruit rechtstreeks, dat op ieder mensch en zoo ook op alle Overheid de plicht rust, om met dat nieuw ontstoken licht zijn voordeel te doen en dienovereenkomstig te handelen".

Zoo moet dus alle Overheid Gods ordinantiën naspeuren, Gods Woord gebruiken, met dat licht van Boven haar voordeel doen I Gebiedende eisch ligt hier voor alje Overheden en alle Machten !

„Zonder zweem van aarzeling moet öp dien grond" — zoo gaat dr. Kuyper verder — „uitgesproken, dat ook de Keizer van China en de Emir van Afghanistan de Sultan van Djokja gehouden en verplicht zijn van Gods Woord kennis te nemen, hun kennis van den Goddelijken wil uit de openbaring van dat Woord te verrijken zicbzej-

ven te gedragen en hun volken te leiden, overeenkomstig den in dat Woord geopenbaarden wil".

En dan zegt het Statuut van de H.G.S. ] (in het Statuut staat het N.B. !) dat volgens het A. R. Program het boek der Schriftuurlijke openbaring Gods voor de Overheden een gesloten boek is.

Staat er niet in het 9de gebod, op de tweede tafel dér Wet : „Gij zult geen valsche getuigenis spreken tegen uwen naaste" ?

Overduidelijk heeft dr. Kuyper zich altijd in deze uitgesproken.

„De Overheid is en blijft „Dienaresse Gods" en geen dienaresse Gods is denkbaar dan staande onder de verplichting om haar gezag overeenkomstig Gods wil uit te oefenen, onder de beschijning van het door God Zelf daarvoor ontstoken licht". „Christelijke of niet-Christelijke Overheid, maakt te dezen niet het minste verschil. Niet alleen de christen, neen, ieder, die m e n s c h heet, is tot zulk een volstrekte onderwerping aan de Wet Gods gehouden".

Dit staat zóó vast — zegt dr. Kuyper — dat „geen constitutioneel vorst zich ten deze verontschuldigen kan. Geen Koning of Keizer mag, hoe ook het parlement of een minister hem willen dwingen, ooit een wet of besluit nemen, waarvan hij in zijn hart overtuigd is dat het in strijd is met den wil van God. En wilde men den Koning hiertoe toch noodzaken, dan zou hij liever nog de Kroon moeten neerleggen, dan tegen den wil van God, voor zoover die geopenbaard is, in te gaan" (blz. 131).

Er kan dus geen sprake van zijn, of de steller van het Program der A. R. Partij achtte het tot het wezen der Overheid te behooren, dat zij den wille Gods doet. Zij kan daaraan nimmer ontkomen. Voor alle terrein geldt dat Woord, ook, en niet het minst voor het regeerambt. „Wat we niet begrijpen" — zoo schreef dr. Kuyper — „is dat men dat Woord Gods wèl aanvaardende, en aanvaardende in zijn hoogheilige beteekenis desniettemin zijn landsbestuur en wetgeving en rechtspleging buiten de in dat Woord Gods geopenbaarde ordinantiën vAl laten omgaan". (Toelichtine Ons Program, blz. 49). Maar hoe duidelijk dr. Kuyper in deze zich ook verklaard heeft, telkens heeft men hem verkeerd begrepen op dit punt. Hij zegt daarvan in zijn boek „De Gemeene Gratie", Deel III, blz. 133 : „met beslistheid moet elke voorstelling worden bestreden, alsof de openbaring Gods haar eisch slechts op een beperkt terrein zou doen gelden. En nooit is voorzeker aan schrijver dezes grooter onrecht gedaan, dan toen men hem de meening toedichtte en nahield, als zou hij beweerd hebben, dat de openbaring van het Woord alleen voor de geloovigen gold, zoodat op staatkundig terrein alleen te rekenen viel met de natuurlijke Godskennis. Een niet al te oppervlakkige kennis van wat we op allerlei manier publiceerden, had ons voor zulk een betichting moeten vrijwaren. En het pleit stellig niet voor den broederlijken ernst, waarmee men ten onzent zóó gewichtige onderwerpen bespreekt".

Feit is dan ook, dat als er één partij in deze voor haar beginsel inzake christelijke politiek is uitgekomen, het zeker de Antirevolutionaire of Christelijk Historische Staatspartij, sinds 1878, is. Dat is de partij, die het eerst het volk, dat vasthoudt aan de Heilige Schrift en dat Gods vinger erkent in 's lands historie, politiek heeft willen organiseeren, om te bevorderen dat er ten onzent Christelijke Staatkunde zal worden gevoerd, tot Gods eer en heel het volk ten zegen. (Wordt voortgezet).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 mei 1928

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 mei 1928

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

PDF Bekijken