Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

4 minuten leestijd

Verschil van gevoelen.

De vraag, of de Overheid bij het treffen van maatregelen ten behoeve van de Zondagsrust der arbeiders, in haar dieil^t, te dien aanzien zich alleen maar heeft bezig te houden met het personeel, dat tegen het verrichten van Zondagsarbeid bezwaren heeft, dan wel alle arbeiders in hare regeling heeft te betrekken; is eene vraag, waarop het antwoord van een ieder, die de Gereformeerde levensbeschouwing is toegedaan, niet twijfelachtig is.

Het is bekend, dat onder dat deel van ons volk, dat nog overeenkomstig de christelijke beginselen wil leven, er heel wat zijn, die het alleszins voldoende vinden, wanneer de Overheid den Zondagmorgen buiten den arbeid houdt, het kerkgaan in die uren mogelijk maakt en de gemoedsbezwaarden tegen Zondagsarbeid tegemoet komt.

Maar van dit gevoelen, zijn niet degenen, die op staatkundig, terrein de eeuwige beginselen, die in Gods Woord zijn geopenbaard, belijden, en die van meening zijn, dat de Overheid als dienaresse Gods gehouden is Gods naam te verheerlijken. Zij eischen van de Overheid niet minder dan dat deze de Zondagsrust voor haar eigen personeel verzekert en de heiliging van den Zondag bevordert.

Bij deze dingen werden w^ij weer bijzonder bepaald, toen wij uit de dagbladen kennis namen van de vragen, welke door het lid van den Gemeenteraad te Rotterdam, den heer A. J. Kersten, tot Burgemeester en Wethouders waren gericht en van welke vragen ook „De Banier", het orgaan van den broeder van het raadslid, ds. Kersten, melding maakt.

De vragen luidden :

r. Is het Uw College bekend, dat op Zondag 15 April 1.1. een aantal werklieden bij de Gemeentelijke Drinkwaterleiding, ondanks door hen kenbaar gemaakte bezwaren van godsdienstigen aard, gedwongen, is te werken aan het schoonmaken van filters ?

2°. Zoo ja, acht Uw College zulks niet in strijd met hetgeen voorkomt op pag. 1216 (Ie lid) van Uw antwoord op het Centraal Rapport van den Gemeenteraad over de begrooting voor 1928 ? (Hier was door B. en W. op een desbe­ treffende vraag geantwoord, dat met principieele bezwaren tegen Zondagsarbeid zou worden gerekend) ; en

3°. Is Uw College bereid herhaling van dezen dwang te voorkomen ?

Men kan bij het lezen van deze vragen z'n oogen haast niet gelooven en niet begrijpen, dat deze vragen door een Gereformeerd man zouden zijn opgesteld geworden. Onwillekeurig komt de gedachte naar voren, hoe het mogelijk is, dat iemand van Gereformeerd levensbeginsel en dan nog wel een leider der Staatkundig Gereformeerde Partij, zulke vragen kan neerschrijven.

De korte inhoud der vragen is toch geen andere, dan dat de heer Kersten bij B. en W. van Rotterdam aandringt op vrijstelling van arbeid op Zondag voor die gemeentewerklieden, die hun bezwaar van godsdienstigen aard tegen dien arbeid kenbaar maken. Het overige gemeentepersoneel kan op Zondag gerust voortwerken, desnoods moeten, wanneer op dien dag krachten tekort komen, losse arbeiders inspringen.

In welke moeilijke en vreemde positie komt de Staatkundig Gereformeerde al niet, als.hij zidh op het terrein van de practische politiek beweegt en geroepen wordt om zijn beginselen in concrete plannen uit te werken.

Echter zou geen man van Gereformeerd beginsel, wanneer hij er voor geplaatst werd om de Zondagsrust van het Over-, heidspersoneel te bepleiten, vragen stellen, als de heer Kersten deed.

En dan die tweede vraag aan B. en W. van Rotterdam !

„Zoo ja, acht Uw College zulks niet in strijd met hetgeen voorkomt op pag. 1216" enz. Had deze vraag niet moeten luiden : Zoo ja, acht Uw College zulks niet in strijd met het vierde Gebod van Gods heilige Wet : Gedenk den Sabbath dag, dat gij dien heiligt ?

Op de wijze, zooals de heer Kersten zich de Zondagsrust voor het personeel in Overheidsdienst of bij het openbaar verkeer indenkt, zouden alle werkzaamheden op Zondag kunnen plaats hebben, zelfs het laten loopen van pleiziertreinen op dien, dag geoorloofd zijn, wanneer maar de gemoedsbezwaarden tegen het verrichten van arbeid op Zondag werden vrijgesteld.

Wij vinden dit standpunt niet fraai, weinig principieel, en zeker niet conform het Gereformeerd levensbeginsel.

Dan laat het Gemeenteprogram, dat dr. Kuyper destijds opstelde, op het punt van den Zondagsarbeid een geheel ander geluid hooren. Daarin heet het : „Met alle geoorloofde middelen wordt de Zondagsrust bevorderd en geweerd al wat de heiliging van den Sabbath belemmert". Welk beginsel dan zoo wordt uitgewerkt, dat het allereerst op den weg der Overheid ligt om Zondagsrust te verschaffen aan het eigen personeel, waarbij van bevoorrechting geen sprake is.

Wij zijn het hier met de gedachte van dr. Kuyper meer eens, dan met het gevoelen van den heer Kersten, in zijn vragen, uitgedrukt.

Op de vraag, of alle arbeid op Zondag verboden is, hopen wij D.V. de volgende week een antwoord te geven.

Dit artikel werd u aangeboden door: de Gereformeerde Bond

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 mei 1928

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 mei 1928

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

PDF Bekijken