Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

KERKELIJKE RONDSCHOUW

19 minuten leestijd

David Wijnkoop en de Theol. faculteit.
Amsterdam heeft een eigen Hoogeschool. De Gemeente-Universiteit van Amsterdam. Met natuurlijk vijf faculteiten, want anders is een Universiteit niet geldig. Dan mag zij niet officieel wetenschappelijke titels toekennen aan studeerenden. Dan kan men er niet studeeren voor advocaat, dokter, predikant enz. Die Gemeentelijke Universiteit heeft dus ook een theologische faculteit — al zijn er vanwege de Hervormde Kerk geen kerkelijke hoogleeraren.
Dus wel een theologische faculteit, met theologische professoren — al kunnen Hervormde studenten er niet studeeren voor dominé in de Ned. Hervormde Kerk, omdat de kerkelijke hoogleeraren ontbreken.
Dezer dagen moest een hoogleeraar in de godgeleerdheid benoemd worden. En dat moet in Amsterdam dan gebeuren door den Gemeenteraad.
Fraaie vertooning !
Een aangewezen candidaat was aanwezig. Want dr. Plooy, vroeger predikant te Leiden, is sinds eenige jaren buitengewoon hoogleeraar aan de Amsterdamsche Universiteit ; indertijd óók door den Gemeenteraad benoemd ; en die werd nu voorgedragen ter benoeming als gewoon hoogleeraar. Als echt en officieel hoogleeraar dus; welke benoeming dr. Plooy waard is ; want hij is een knap theoloog, een bekend Nieuw-Testamenticus.
Als nu de benoeming van dr. Plooy, thans buitengewoon hoogleeraar, tot gewoon hoogleeraar in de uitlegging van het
Nieuwe Testament en de Oud-Christelijke letterkunde, in den Gemeenteraad aan de orde komt, is het even stil en 't lijkt alsof 't punt van de agenda onder den hamer zal doorgaan zonder dat iemand 't woord verlangt ; dus met algemeen goedvinden ; maar David Wijnkoop, de bolsjewist, is er óók nog.
Wat er dan gebeurt, kunnen we misschien 't best weergeven door een uitknipsel uit de N. Rott. Crt. Daar lezen we :
»De heer Wijnkoop dient een voorstel in, B. en W. uitnoodigend maatregelen te nemen opdat de theologische faculteit van de Universiteit vervalt, en in afwachting daarvan niet over te gaan tot het benoemen van nieuwe hoogleeraren aan deze faculteit.
Zijn voorstel toelichtend, zegt de heer Wijnkoop dat de theologie geen wetenschap is en met wetenschap niets te maken heeft. Ze is alleen een wapen van de verdrukkende tegenover de opkomende klasse, en men zoekt als professoren uit de meest geschikten om dit wapen te hanteeren. De theologische faculteit bij onze Universiteit is niet alleen een dood ding, maar ook een anachronisme ; terwijl de godsdienst in ons land niet minder dan in alle andere landen achteruit gaat, helaas wel niet zoo snel als spr. zou wenschen, maar dan toch achteruit, is het een dwaasheid nog een Godgeleerde faculteit er op na te houden en hoogleeraren in de theologie te benoemen.
De heer Wierdels (r.k.) en na hem wethouder E. Polak (ond., s.d.), wijzen er den heer Wijnkoop op, dat de wet op het hooger onderwijs het jus promovendi van de Amsterdamsche Universiteit onafscheidelijk heeft verbonden aan 't hebben van vijf faculteiten, waaronder een theologische. Daarom zoude de Universiteit van Amsterdam niets meer beteekenen zonder theologische faculteit. De gemeente kan aandrang bij de regeering oefenen om de wet op het H.O. te wijzigen ; krachtens raadsbesluit hebben B. en W. dit reeds tweemaal gedaan, en niets gedaan gekregen. Een derden keer kunnen B. en W. een zoodanigen stap niet ondernemen.
Het voorstel van den heer Wijnkoop is daarna verworpen met 29 stemmen tegen en 5 voor«.
Bij het opnemen van dit „uitknipsel", was het ons natuurlijk 't meest te doen om de beschouwing van den bolsjewist David Wijnkoop aangaande den godsdienst.
En zeker geldt hier, dat er niets nieuws onder de zon is. Want het is al weer heel oude kost geworden, dat zeggen „dat de godsdienst uitgevonden is door de rijken en de machtigen, om zoo des te gemakkelijker te kunnen heerschen over de schare" ; maar de grimmigheid en de nijdigheid bij dit spreken geeft toch weer een eigenaardig gevoel aan ons ; en we bemerken weer, dat het gevaar van het atheïstisch communisme en bolsjewisme van alle kanten dreigt.
Vindt dit dreigend gevaar de belijders van den Christus wakende en biddende ? En voelen de christenen van Nederland, die liefde kennen voor God en voor Zijn Woord, dat zij samen een roeping hebben ?
God geve het!

Internationaal.
Het Socialisme met z'n roep : „Proletariërs van alle landen, vereenigt u", is internationaal. Het voelt dat de grenzen ons niet mogen scheiden in de liefde voor ons beginsel en den strijd voor wat ons lief en dierbaar is. In internationale congressen komt men samen en bij groote gebeurtenissen zijn van alle natiën bijeen.
Van alle natiën en tongen, doch niet om God te loven en den Naam van Christus te belijden. Integendeel. Om zich saam te beraden voor den klassenstrijd. Om saam te ijveren voor stoffelijke belangen, waarbij het Koninkrijk Gods niet in aanmerking komt.
Nu lazen we dezer dagen van de internationale conferentie voor het Vrijzinnig Protestantisme te Arnhem.
Dat waren protestanten, maar vrijzinnige protestanten en dus niet de echte, historische protestanten. Want die protesteerden op grond van Gods Woord en gaven getuigenis van de Waarheid naar de Schriften, waarbij Jezus Christus en die gekruisigd het alles beheerschend middelpunt vormde.
Omdat zij God niet mochten dienen in de Staten van Duitschland, naar uitwijzen van Gods Woord en omdat men de prediking van den Christus der Schriften, gestorven om onze zonden en opgestaan tot onze rechtvaardigmaking, belette — daarom protesteerden de Evangelische Vorsten.
En die Evangelische Vorsten, die werden genoemd „protestanten". De historische, echte naam „protestant" zit dus onlosmakelijk vast aan de Waarheid naar Gods Woord en het Evangelie van Jezus Christus, onzen Heere.
't Vrijzinnig Protestantisme heeft daarmee niets gemeen en heeft dan ook geen , recht om zich zóó te noemen. Dat is vervalsching van een naam van historische beteekenis. En zulk bedrog door vervalsching moest bij de wet strafbaar worden gesteld. Men mag niet knoeien. Het echte moet beschermd worden tegen bedrog. Dat het Vrijzinnig Protestantisme iets héél anders is dan het echte Protestantisme — en daarom ook zich met den naam van Protestantisme niet valschelijk mag sieren — blijkt uit alles. Want heel andere, principieel andere dingen zijn in 't geding.
Die Vrijzinnige Protestanten zijn nu in internationale conferentie samen geweest te Arnhem. Want in Duitschland is ook zoo'n beweging van het Vrijzinnig Protestantisme, dat wél iets anders wil dan het historisch echte Protestantisme in Duitschland. En nu zijn ze bij elkaar gekomen uit alle landen (we lazen in het verslag niet uit welke landen) en vooral uit Duitschland waren er nog al woordvoerders, die zich hebben doen hooren ; o.a. prof. Siegfried uit Marburg. Hij had 't over de beteekenis, de vordering en de kracht van de liberale theologie. En wat de verhouding van de liberale theologen tot de Kerk betreft, adviseerde hij om binnen de grenzen van de Protestantschè Kerken te blijven en daar haar roeping te vervullen.
We knippen een stukje van deze rede van prof. Siegfried uit. En dan krijgen we dit te hooren :
»Er zijn in Duitschland maar twee groote christelijke kerken, die beide volkskerken willen zijn. Er blijft ook ons, vrijzinnigen, geen andere keuze dan binnen de grenzen der protestantschè kerk onze taak te vervullen en de deur der kerk te doen opengaan voor de werkelijke geestelijke nooden. Wij moeten strijden voor een groote evangelische vrijheid, die iets anders is dan het erkennen der gelijkwaardigheid van iedere overtuiging, maar die tegelijkertijd werkt aan de bevrijding van de persoonlijkheid en aan de groeiende eenheid van allen, die de christelijke vrijheid aanvaarden. Wat het concrete betreft, moet de kerk op de werkelijkheid ingaan.
Niet alleen verheldering, maar voorbereiding van een vrijzinnig protestantschè cultuur. Ook de paedagogische vragen van school en godsdienstige opvoeding moeten volledig onder de oogen worden gezien. Dan moet het geheel van de sociale problemen worden bestudeerd en de taak van het vrijzinnig protestantisme in dit opzicht zonder aarzeling worden aanvaard. Tenslotte heeft ook op ; het gebied der zending tegenover datgene, wat in het oosten geschiedt en ten opzichte van den antireligieuzen geest, die door de wereld gaat, het vrijzinnig protestantisme zijn taak en roeping«.
Hier worden belangrijke dingen genoemd ten opzichte van de verhouding tot de Kerk en de roeping van de Kerk. Evangelische vrijheid (bedoeld wordt modern-Evangelische vrijheid, waarbij het hart van 't Evangelie „Jezus Christus gestorven om onze zonden en opgewekt tot onze rechtvaardigmaking" is uitgesneden) en dan werken aan een nieuwe cultuur (modern-christelijk). Ook de paedagogische vragen en de school komen aan de orde. Ook de sociale problemen.
Dat zijn dus nog al belangrijke dingen ! En daarbij wil het Vrijzinnig Protestantisme in de Kerk blijven
Dr. Schubring uit Berlijn kwam daarna aan 't woord. Daarvan lezen we in het verslag :
»Deze inleiding is aangevuld door het referaat van dr. Schubring, dat daarop volgde. Deze spr. legde den nadruk er op, dat in Duitschland de kerkelijke ontwikkeling van het vrijzinnig protestantisme niet door afscheiding, maar op het terrein van de protestantschè volkskerk moet geschieden. Het vrijzinnig protestantisme kan hierbij zeer zeker veel steun ondervinden van buitenkerkelijke groepen. Dit bewustzijn van kerk-politiek bijeen hoorend, is vooral sinds den oorlog naar voren gekomen. Men heeft aanvankelijk gevoeld : wij hebben tezamen een taak ten opzichte van de wereld en tegenover hen, die kerk en godsdienst loslaten.
Maar dit besef is over zijn hoogtepunt heen. De eenheid was slechts veroorzaakt door uiterlijke omstandigheden, niet door innerlijke geesteseenheid. Wij staan thans weer voor tijden, waarin de oude onderscheidingen wellicht verscherpt zullen optreden en althans de toestand van schijnbaren vrede volkomen zal worden losgelaten.
Want men gaat thans reeds uiteen ten aanzien van de vraag, hoe men in den strijd met kerkvijandige machten het christendom heeft te verdedigen. In «en stroom naar nieuwe handhaving van een vaste dogmatische leer en in de Lausanner beweging, die 't onderscheidene dn éénen geest omvatten wil. Het vrijzinnig protestantisme heeft zoodanig geen aandeel gekregen aan de regeeringsmacht, waardoor het in invloed is verminderd. In dit verzet tegen revolutionaire stroomingen meenen velen weer houvast te vinden bij een dogmatische overtuiging.
En voorts is er het moeilijke proces van de verandering van een kerk der zuivere leer in een kerk van christelijken arbeid aan de maatschappij. Dit alles brengt mede, dat het vrijzinnig protestantisme in Duitschland een sterke behoefte heeft aan internationalen samenhang. Men voelt sterk, dat het vrijzinnig protestantisme alleen dan zijn juiste en gewichtige taak kan vervullen als het door een sterk bewustzijn van eenheid in overtuiging en streven in de verschillende landen wordt gedragen«.
Hieruit blijkt, hoe de moeilijkheid ge­voeld wordt van het Vrijzinnig Protestantisme met de Kerk te verbinden en de belijdenis der Kerk in dezen pasklaar te maken. Waarbij het Vrijzinnig Protestantisme in kracht en beteekenis achteruit gegaan is. En waarbij het Vrijzinnig Protestantisme hopeloos verdeeld is.
Het samenkomen in internationale conferentie bedoelde meer tegen het hopeloos verdeeld zijn van het Vrijzinnig Protestantisme in te worstelen en te trachten hier tot betere toestanden te komen onder de Modernen van alle landen.
Wij gaan hier nu niet dieper op .in. Slechts onderstrepen we de taak van de Kerk van Christus ten opzichte van de cultuur, ten opzichte van de paedagogische vragen en de school, niet het minst ten opzichte van de sociale vragen en de Zending.
Maar dan moet de Kerk staan op haar grondslag Jezus Christus en dien gekruisigd. En dan moet de Kerk van Christus Kerk des Woords zijn.
Als de Kerk niet is de Kerk van Christus en niet is de Kerk des Woords, kan zij de ongelukkige wereld niets brengen.
Want al is de wereld op zichzelf verliefd en zweert zij bij zelfverlossing, zij zal toch van zichzelf moeten leeren afzien, om te vragen naar de verlossing, die des Heeren is.
Waar is nu de Kerk des Heeren als Kerk van Christus en Kerk des Woords in haar internationale beteekenis, in haar internationaal optreden?
Waar is zij ? De Heere binde deze vraag op ons aller hart. Want we leven in geweldige tijden.
En zullen wij dan slapen als die des nachts slapen ?

Eenheidsbeweging.
In „Geest en Woord", het orgaan dat als Gereformeerd Weekblad komt uit den kring van de Gereformeerde Kerken in Hersteld Verband — al staat het er niet officieel mee in verband — schrijft ds. Van den Brink een stukje over „de Eenheidsbeweging" onder de christenen en in het midden van de Christelijke Kerken, ons dan tegelijk nog eens er op te wijzen, dat we goed acht moeten geven op den grondslag; niet op wat wij als liefhebberij of persoonlijke meening graag als grondslag zien en noemen, maar wat voor het Christendom de grondslag moet zijn, n.l. Jezus Christus en die gekruisigd. Humanisme of Christendom — geldt ook nu nog.
Ds. Van den Brink-schrijft dan over de samenkomst die onlangs in de St. Laurenskerk te Rotterdam is gehouden ter bevordering van de éénheidsbeweging in het midden van de Christelijke Kerken. En ds. Van den Brink schrijft als volgt :
»Alle actie, hoe schijnbaar gering ook, voor herstel der eenheid van de zoo jammerlijk verdeelde Kerk des Heeren, verdient onze warme sympathie ; en het is de dure roeping van allen, die den Christus belijden, tot welke kerkgemeenschap zij ook behooren, die actie met woord en daad te steunen en te bevorderen.
Bijzonder verblijdend is 't, dat reeds hier en daar een soort van „gemeenschappelijke godsdienstoefening" werd gehouden, waarin voorgangers en kerkleden van diverse kerkelijke pluimage recht broederlijk bijeen waren. Zelfs droeg een dergelijke samenkomst, op 'n Zondagavond in de St. Laurens te Rotterdam gehouden, eenigermate een oecumenisch karakter door de medewerking van een predikant der Schotsche Kerk, die een rede hield in de Engelsche taal.
Het wekt echter bevreemding, dat ook een Remonstrantsche predikant, een theoloog van moderne richting, in deze vergadering optrad, al was het maar alleen om een Schriftgedeelte voor te lezen.
Dit doet de vraag rijzen, op welken grondslag deze eenheidsbeweging rust.
Het spreekt vanzelf, dat deze grondslag zoo breed (pf wil men; zoo smal) en zoo ruim mogelijk moet genomen worden en niet die kan zijn der Gereformeerde of der Luthersche of van eenige andere kerkelijke belijdenis, maai moet zijn die der katholiek-christelijke belijdenis. Al het speciale en specifieke, dat scheiding maakt, moet geheel op den achtergrond worden gedrongen, en naar voren moet gebracht wat vereent.
Maar dit saambindende is dan toch zeker het geloof in onzen Heere Jezus Christus, die „overgeleverd werd om onze zonden en opgewekt tot onze rechtvaardigmaking". Het gaat toch over de openbaring der wezenlijk bestaande eenheid van Jezus' gemeente ; het is toch te doen om een demonstratie van het „één Heer, één geloof, één doop, één God en Vader van allen, geleid door één Geest". Doel is toch te benaderen, al is het nog heel in de verte, de hereeniging der Kerk van Christus, en deze Kerk is toch de vergadering der geloovigen.
Doch hieronder vallen toch zeker niet zij, die, hoe hoogstaand en hooggeacht zij overigens mogen zijn, niet gelooven aan Jezus' dood en opstanding tot verzoening van onze zonden en die der geheele wereld.
Alle begin is moeilijk.
Er kan hier ook misverstand in het spel zijn.
Maar voor den goeden voortgang dezer schoone eenheidsbeweging is 't toch gewenscht, zelfs noodzakelijk, dat duidelijk blijke, op welken grondslag ze rust, immers op dien van „ons algemeen en ongetwijfeld Christelijk geloof"
Wij kunnen ons met deze beschouwing van ds. Van den Brink zéér goed vereenigen. Neen, wij mogen niet dom en hooghartig die eenheidsgedachte en eenheidsbeweging veroordeelen en verachten om intusschen maar rustig en zelfgenoegzaam in de schrikkelijke, zondige, schadelijke verdeeldheid voort te blijven leven. Ieder zoo z'n eigen kerkje en eigen groepje. En van samenbinding rondom het kruis van Christus geen sprake
In de schuld zullen we moeten komen voor God en voor de menschen. En we zullen moeten worden losgemaakt van onze afgoderij, in velerlei vormen onder ons voorkomend.
Maar — dan geen ander fundament dan hetgeen van God gelegd is.
Dat is geen malle, dwaze onverdraagzaamheid.
Dat is de eerste en eenvoudigste plicht van den Christen, om te noemen en te roemen den éénen Naam, die onder den hemel is gegeven tot zaligheid.
Als God maar één Naam gegeven heeft, zullen wij er niet twee of drie of vier mogen noemen.
Maar Hij, die dien éénen Naam draagt, bad, toen Hij nog op aarde was : „Heilige Vader Bewaar ze in Uwen Naam, die Gij Mij gegeven hebt, opdat zij één zijn, gelijk als wij".
Dat bad de Heiland voor de Zijnen die op aarde waren en op aarde zouden wonen in den loop der eeuwen.
Eenheidsbeweging. Rondom en door dien Eénen. Jezus Christus, onze Heere.
Waar is het meebidden onder de christenen, met den Christus, tot den Vader : „opdat zij één zijn"

De Calvinistenbond.
Daarover schreven we nog niet. Om twee oorzaken. We waren blij dat deze bond er was. We hebben er ook nog een weinig aan mogen meewerken om dien bond op te richten. Maar toen die bond er was hebben Calvinisten dadelijk alles gedaan, om dien Calvinistenbond, in Nederland opgericht, verachtelijk te maken in de oogen van de echte Gereformeerden. Dat heeft ons leed gedaan. En we zwegen.
Maar meer dan eens is ons gevraagd : Waarom schrijft gij er niet iets over ?
En nu we zoo midden in de eenheidsgedachte en eenheidsbeweging zitten — willen we toch ook wel iets zeggen over onzen Calvinistenbond.
Mee door de actie van dr. Van Lonkhuijzen, Geref. pred. te Zierikzee, tot voor kort predikant in Amerika, zijn Nederlandsche Calvinisten met Engelsche Calvinisten samengekomen en is beraadslaagd, of we hier in Nederland niet iets konden doen voor een internationale beweging onder de Calvinisten van alle landen.
Vele mannen en vrouwen van Calvinistische levens-en wereldbeschouwing voelden er voor. En mee onder leiding van mannen als Colijn, Rutgers en vele anderen is voor Nederland een Calvinistenbond opgericht. Mannen en vrouwen van de Gereformeerde Kerken, van de Hervormde Kerk, van de Chr. Gereformeerde Kerk en van de Gereformeerde Kerken in Hersteld Verband (ds. Kersten c.s. wilden niet mee doen) kwamen bijeen en na besprekingen, waaraan de h.h. Colijn, Rutgers, Severijn, prof. Van Leeuwen, ds. Janssen enz. deelnamen, is een bestuur gevormd (prof. Rutgers (Geref. Kerk), voorzitter ; prof. Van Wijngaarden (Herv, Kerk) secretaris, enz.) Ook is er een Statuut gemaakt. Allemaal mooi. De Calvinistenbond was er — en is er — om nationaal en internationaal nu te werken en een band te leggen tusschen allen die van een Calvinistische levens-en wereldbeschouwing zijn.
Maar toen kwamen onderzeeërs en bovenzeeërs. Toen werd de Calvinistenbond van alle kanten aangevallen. Hoewel prof. dr. H. H. Kuyper en prof. v. Hepp ook tot den Bond behoorden en mee leiding zouden geven, was de Bond niet Gereformeerd genoeg. Vooral van den kant van de Gereformeerde Kerken (ds. Rietberg van Maassluis en dr. Dijk van Den Haag, en anderen, kwamen los in verschillende organen) werd de staf gebroken over den Calvinistenbond. En het bleek wel, dat Assen hier nog nawerkte. Assen en anti-Assen konden niet samenwerken. Als de een Gereformeerd is, kan de ander niet Gereformeerd zijn, enz.
Ellendig toch. Als zóó de Calvinisten van de Hervormde Kerk en van de Chr. Gereformeerde Kerk en van de Gereformeerde Kerken en van de Gereformeerde Kerken in Hersteld Verband tegen elkaar worden uitgespeeld, dan is het toch wel allervreeselijkst.
Dan kunnen we alleen maar samenwerken op de manier van het oud-liberalisme. Dat zei altijd verdraagzaam te zijn en voor de vrijheid ; maar dan moest ieder precies denken en doen als de liberalist ; dan wilde de liberalist verdraagzaam zijn ; en dan wilde de liberalist vrijheid toestaan.
Anders de roede.
Dat hebben we altijd met elkaar veroordeeld en aan de kaak gesteld. Is dat verdraagzaamheid, als men alleen zichzelf verdragen kan en verder alleen hen, die het met ons eens zijn?
Is dat vrijheid, wanneer we alleen plaats willen gunnen aan onszelf en verder alleen aan hen, die het met ons eens zijn ?
Verschrikkelijk !
En zoo is onze Calvinistenbond getorpedeerd vóór dat het schip is uitgevaren, nog in de haven liggend.

Over den Goeden Vrijdag.
De Goede Vrijdag kan het niet halen, om onder de „christelijke feestdagen" te worden opgenomen. Hij kan ook moeilijk een , , feestdag" heeten. En als hij onder de christelijke feestdagen, in den zin van een vrijen dag werd opgenomen, wat zouden de gevolgen er van zijn ? Wij vreezen, dat het bitter zou teleurstellen.
Wij voor ons zien den Goeden Vrijdag — juist omdat het die dag is — dan ook liever maar onder de gewone dagen, met samenkomsten der gemeente aan den avond van den dag in Gods huis. Liefst dan met de prediking des Woords en niet met de viering van het Heilig Avondmaal. De vrees voor een soort „Grooten Verzoendag" zit er bij ons diep in. Wij vinden, dat niet op Goeden Vrijdag de Avondmaalsviering moet plaats hebben, maar veel liever op den opstandingsdag, op het Paaschfeest. Dan wordt door Christus' gemeente herdacht : „Hij is gestorven voor onze zonden en opgewekt tot onze rechtvaardigmaking". Dan ligt rechtvaardigmaking en heiligmaking heerlijk in dat ééne, groote feit van den opgestanen Heiland, Die dood is geweest, maar nu leeft. Dan is het de ondergang met al onze zonden in Zijn dood en de opvaart ten leven, in den opgestanen Heiland.
Het eten van Zijn vleesch en het drinken van Zijn bloed is dan geest en leven, vertroosting en vrede, voor degenen die in Hem gelooven en zich rondom den disch des Verbonds wenschten te scharen, waar 't volk vergaderd is.
Dit is, dit is de poort des HEEREN ; Daar zal 't rechtvaardig volk door treên, Om hunnen God ootmoedig t' eeren. Voor 't smaken Zijner zaligheên.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van Friday 18 July 1930

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van Friday 18 July 1930

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

PDF Bekijken