Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Geestelijke opbouw

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Geestelijke opbouw

De Christelijke Ethiek

8 minuten leestijd

De Ethiek steunt in de Dogmatiek. Zooals onze geloofsleer is, zoo zal onze levensleer zijn.
Bij onze Ethiek gaan we dan ook uit van onze Dogmatiek. Als onze Dogmatiek materialistisch is, zal onze Ethiek ook zóó georiënteerd zijn. .Levensoorsprong, levensbestemming, levensroeping, levensplicht, levenseisch, levenswet — alles zal het stempel dragen dan van onze materialistische, wereldsche, ongeloovige, onchristelijke levens-en wereldbeschouwing. Het staat in het teeken van het humanisme.
Is onze Dogmatiek Christelijk, Schriftuurlijk, Calvinistisch, dan zal onze Ethiek ook zóó georiënteerd zijn. Levensoorsprong en levensbestemming van den mensch zien we dan in een bepaald licht, en wel bij 't licht van Gods Woord. En voor de levenstaak, voor de levensfuncties, voor de levensterreinen en de levensplichten hebben we dan Gods Woord tot een lamp voor onzen voet. En waar allerlei levensvragen aan de orde komen en over allerlei levensverhoudingen moet worden gehandeld, zal het ons als Christenen een lust zijn het leven des Christens naar uitwijzen van Gods waarheid te teekenen en te komen met de eischen van Gods Wet en te spreken van de wijsheid en de kracht, welke Godes is. Onze Ethiek steunt alzoo in onze Dogmatiek, onze levensleer in onze geloofsleer. En de groote stukken van onze geloofsleer, van onze Dogmatiek, beschouwen we nu als behandeld en dienen ons nu verder als onderbouw, als fundament dat gelegd is.
Zoo krijgt de Ethiek — de Christelijke Ethiek — dan een eigen taak, om te handelen over het christelijk, zedelijk leven in al z'n factoren, in geheel z'n omvang. Op wetenschappelijke wijze zal de Christelijke Ethiek de levenseischen, de levensbeginselen ook beschrijven.
Waarbij de Christelijke Ethiek — vooral in onzen tegenwoordigen tijd — een dubbele taak heeft en wel negatief, om allerlei zedelijkheidstheorieën, die verkeerd en slecht zijn, te bestrijden en omver te werpen, maar ook positief, om de zedelijke waarde van het Christendom en de eischen des christelijken levens voor alle terreinen, waarmee we in aanraking komen, in helder licht te stellen en aan te prijzen.
Daarbij zal onze Ethiek dogmatisch, confessioneel, van uitgesproken en bepaalde religieuse kleur zijn.
Want we weten, dat het Christendom alles in eigen, heerlijk licht ziet ; en wel bij het licht van Gods Waarheid. En bij dat licht, dat van Boven is, moet het christelijk zedelijke ontdaan worden van allerlei vreemde aangroeisels en gezuiverd worden van allerlei wereldsche inmenging, om te vragen naar 's Heeren inzettingen, omdat er ook maar alleen vrede ligt voor de ziel bij het houden van Gods geboden.
Van een bepaald standpunt gaan we uit bij onze Ethiek.
De aardsche aangelegenheden moeten in het eeuwige licht geplaatst worden, zooals God dat wil naar uitwijzen van Zijn Woord; dan krijgen we een practisch Christendom, dat waarlijk christelijk is, tot Gods eer en tot des naasten heil.
En dat moet dan gedragen worden door óns innerlijk wezen, 't Moet een stuk van ons geloofsleven zijn. 't Gaat maar niet om een uitwendig handelen en een vormelijk doen van wat onze plicht is, zonder meer. We hebben bij de Ethiek — iets anders dan Moraal — te letten op de levende beginselen, waardoor het leven gedragen wordt ; op de wortelen, waaruit het christelijk leven opbloeit; op de bron, waaruit het opwelt.
Want nooit wordt er in Gods Woord van het leven des Christens gesproken als iets dat uitwendig, vormelijk en dood is.
Daarom spreken we als Christenen liefst niet zonder meer van „plichtenleer". Dat is veel te uitwendig, te formeel. Dat wekt veel te veel de gedachte, dat het „in orde is" als we dit of dat maar „gedaan" hebben. We hebben dan „onzen plicht" gedaan (Roomsch) en daarmee uit. Zóó spreekt de Christen niet. Want voor den Christen moet het leven met al z'n zedelijk handelen, gedragen worden door het geloof en door de liefde, 't Geloof in liefde werkende is het Christendom in realiteit, omdat het de openbaring is van het leven der ranken; die ingeënt zijn in den waren Wijnstok, Jezus Christus, Die zegt : „Ik in u en gij in Mij". Daarom legt de Heiland er telkens den nadruk op : „zonder Mij kunt gij niets doen". Wat Paulus, na zijn bekeering, van alle menschelijk werken afgebracht zijnde en tot het werken door den Geest gekomen zijnde, als volgt omschrijft: „ik leef — maar niet meer ik, maar Christus leeft in mij". Christus komt in de Zijnen tot openbaring.
Het Rationalisme spreekt 't liefst van plichtenleer ; de mensch moet dan doen wat z'n plicht is ; en allerlei wordt als plicht van den mensch omschreven. De mensch moet dan doen wat nuttig is (utilisme) ; of wat het geluk van den mensch: kan bevorderen (eudaemonisme) enz. Maar hoezeer dat allemaal waar is, dat de mensch z'n plicht moet doen, en moet doen wat nuttig is en moet dan wat 't geluk des menschen kan verhoogen enz. enz. — met dat al blijven we dan toch beneden hetgeen we hebben moeten. Want we moeten voor onzen plicht een wet, een norm hebben, hooger dan wat de mensch „nuttig" en „noodig" en „goed" noemt. We moeten de hoogste wet en den hoogsten norm of maatstaf hebben en wel den absoluten wil Gods naar Zijn heilig Woord. We moeten hebben Jezus Christus, die door Zijn Geest en Woord Zijn gemeente vergadert, regeert, leert en leidt, zeggende; „Zonder Mij kunt gij niets doen". We moeten met Paulus kunnen en willen zeggen : „ik leef — doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij". Christus levend in en door de Zijnen, dat is het hoogste ideaal des Christens.
Het Rationalisme — de wetenschappelijke richting, welke de rede, het verstand of de ratio des menschen oppermachtig en opperwijs maakt — handelde vroeger en handelt nog in deze buitengewoon oppervlakkig." De mensch wordt dan alles. De mensch weet alles, wil alles, doet alles. En wat de mensch weet en wil en doet is goed, best, opperbest. De mensch is nog zoo slecht niet ; en als men den mensch maar een kans geeft, dan komt in het midden van het menschelijk geslacht alles nog aardig goed terecht. Maar dan moet de godsdienst er buiten blijven. Den Bijbel kan men hier missen. Geen „dogmatiek". Vrijheid, blijheid — en dan komt alles terecht. Als men den mensch maar goed voorgaat, dan wil hij wel goed volgen. En de hoogste wet voor het zedelijk leven is en blijft de menschelijke wil. De zedelijkheid is dan autonoom, met zelfbeschikkingsrecht. De mensch is heer en meester en zal zelf uitmaken, wat goed en niet goed is, wat plicht is en wat niet behoorlijk moet gerekend worden. Waarbij de godsdienst er altijd armzalig afkomt, waarbij de Bijbel op non-activiteit komt, waarbij het geloof in Jezus Christus, gestorven om onze zonden en opgewekt om onze rechtvaardigmaking, waarbij wedergeboorte en bekeering naar luid van Gods getuigenis enz. absoluut gemist kan worden, daar beschaving en ontwikkeling cultuur-krachten zijn van genoegzame beteekenis, zoodat men al dat godsdienstig gedoe feitelijk missen kan. Al dat gefemel en dat geteem dient nergens toe !
Plichtenleer is voor ons te uitwendig en stelt den mensch te veel in z'n zelfbeschikkingsrecht. De Christen kent een hoogere levenswet en levensregel dan z'n plicht. Gods' Woord moet ons zeggen, wat onze roeping, onze levenstaak, onze levensplicht is. En de vervulling laten we dan niet opkomen uit den mensch, zooals deze van nature is — gelijk het humanisme al het mooie en al het goede uit den mensch doet opkomen — maar het levensbeginsel, dat noodig is tot de vervulling van de levenstaak, zoeken wij dan in de wedergeboorte en in het geloof in Jezus Christus, ónzen Heere.
Hooger dan allerlei menschelijk redeneeren moeten we komen, als we het hebben over de Ethiek, over het zedelijk leven van den mensch, over het christelijk-zedelijke in al z'n factoren en in geheel z'n omvang. We kunnen en mogen geen vrede hebben met allerlei menschelijke redeneeringen en spreken van plichtenleer, of van deugdleer. Want wat is plicht? Wat is deugd? We mogen het karakter van het zedelijk leven, van de christelijke zedelijkheid niet aantasten, om er iets menschelijks, iets minderwaardigs van te maken ; we moeten niet met het Rationalisme spreken zonder meer van plichtenleer, of deugdleer, maar we moeten handelen over den eisch Gods, van 's Heeren Woord en Wet en van den aard des nieuwen levens, wat niet van beneden is, maar dat van Boven geboren is. We moeten niet komen met een eigen samenstel van vormen en plichten voor 't leven, maar ons hier voegen naar des Heeren Woord en Waarheid. En bij de organische levenslijnen, die we als Christen noodig hebben, voor hoofd, hart en hand, moeten we in alles weten en voelen, dat er een hoogere, goddelijke Wet is, welke Wet des Heeren geldt voor heel den actieven mensch in al z'n functies van verstand, gevoelen, wil; voor hoofd, hart en hand. We zijn niet autonoom, om onze eigen wetgever te zijn, in alles zelf heer en meester zijnde, om alles zelf te beschikken en zelf te bepalen en zelf te willen en zelf te doen — we zijn theonoom, om God te erkennen als onzen Wetgever en Hem te eeren en lief te hebben als onzen God en Vader in Jezus Christus, onzen Heere, van Wien we gaarne belijden met Paulus : „uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen. Hem zij de heerlijkheid in der eeuwigheid. Amen"

(Wordt voortgezet).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 augustus 1930

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Geestelijke opbouw

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 augustus 1930

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

PDF Bekijken