Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Geestelijke opbouw

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Geestelijke opbouw

De Christelijke Ethiek

8 minuten leestijd

Kant (1724—1804), de Koningsberger hoogleeraar en wijsgeer van de allergrootste reputatie, die de rationalisten zoo geweldig wist te geeselen, zet den mensch onder autoriteit van z'n plicht. De mensch draagt z'n plicht in zich en deze beveelt kort en goed : „du sollst". Als de mensch nu maar naar de stem van z'n geweten luistert en doet wat z'n plicht is, gaat het in de richting van den ideaal-mensch en wordt het goede gedaan door den mensch.
Dat leert dus de autonomie van den wil des menschen. De mensch is z'n eigen wetgever en rechter ; geeft zelf het bevel en voert het bevel uit en zoo ontstaat het zedelijk handelen en het zedelijk leven des menschen, dat goed is ; goed — uit en door den mensch.
De autonomie van den wil des menschen heeft dus ten gevolge de autonomie van de zedelijkheid. Alles is van eigen rechte en staat onder bevel van den mensch. De mensch is alles in deze. Want niet alleen dat zoo de mensch het recht krijgt zelf te bepalen wat goed en niet goed is — z'n geweten zegt 't hem en z'n plicht gebiedt hem — maar hij kan het goede ook volbrengen en z'n plicht vervullen.
Zoo kan de mensch dan, niet zonder gevoel van eigenwaarde en niet weinig zelfvoldaan, op z'n grafsteen laten beitelen : „het is volbracht". Dit „het is volbracht" dan zettend achter het leven en het werken des menschen, die z'n plicht gedaan heeft en z'n levenstaak vervuld, naar eigen oordeel voortreffelijk of minder voortreffelijk.
Natuurlijk dat zij, die zóó redeneeren en zóó een eigen zedelijkheid opbouwen - — een autonome zedelijkheid, waarbij eigen wet maatstaf en eigen oordeel rechter is — met dat al sterk „dogmatisch" zijn. In den zin n.l. dat zij van bepaalde grondstellingen aangaande den mensch en het leven des menschen uitgaan, op welke (leer)stellingen, als stukken van hun levensbeschouwing, zij het gebouw der zedelijkheid optrekken en den menschen aanprijzen.
Dat is de humanistische methode, die allesbehalve Christelijk en Schriftuurlijk is. Men waant dan wel "onbevooroordeeld" te zijn en vrij van „dogma's", maar het is er intusschen verre vandaan ! Men handelt in alles naar een bepaalde methode, naar een bepaalde „leer" — alleen maar, die „leer" is geen Christelijke, maar on-Christelijke of anti-Christelijke „leer".
De Christen bouwt gansch anders zijn Ethiek op, spreekt anders over het leven, de levensbestemming en levensfuncties van den mensch, en in plaats van den mensch eigen heer en meester te maken en met eigen krachten te laten werken — ter verwerkelijking van den ideaal-mensch — belijdt de Christen met Gods Woord, dat de mensch door God geschapen is om te leven onder autoriteit van de Wet van den souvereinen God en dat de mensch daarin z'n plicht moet kennen, om te vragen naar Gods rechten en inzettingen, zoekende het leven dat Godes is.
Als de humanist den mensch van eigen rechte maakt — autonoom — en aan Gods recht niet denkt (theonoom), zeggende : wij, menschen, zullen het leven stellen, zooals het óns goeddunkt, waarbij wij noch de goden noch den dood vreezen" — dan gaat de mensch verre zijn bevoegdheid te buiten en zal hij in allerlei doolwegen hoe langer hoe meer verward raken en zonde op zonde stapelen, wat de Heere, die Zich in Zijn Woord geopenbaard heeft en den mensch naar Zijn beeld en gelijkenis geschapen heeft, niet ongestraft zal laten.
De Christen is in deze van een geheel ander gevoelen dan de Humanist, en voor hem is het Christelijk zedelijke dan ook wat goed en recht is in het leven des menschen overeenkomstig Gods wil en wet en waarheid. God is de Souverein. Het volbrengen van Zijn geboden geeft vrede en vreugd. En waar Gods geboden zich uitstrekken naar alle kanten en gaan over alle levensterreinen, wil de Christen de inzettingen des Heeren, die vele zijn, ook naspeuren om hart en hand er naar te richten, zeggende : „Leer mij naar Uw wil te hand'len, 'k Zal dan in Uw waarheid wand'len ; Neig mijn hart en voeg het saam. Tot de vreez' van Uwen Naam".
De Christelijke Ethiek heeft tot kenmerk, dat zij wil acht geven op den Christen met al z'n levensplichten en levensacties, en daarbij eischt zij — juist als Christelijke Ethiek — dat de mensch zich in heel z'n leven, dat uitgebreid is over alle levensterreinen, naar Gods wil zal richten, naar Gods Woord zal luisteren, Gods rechten en inzettingen zal houden en door Gods kracht zal leven
De Christen kent geen autonomie van den wil des menschen ; wil niet weten van de emancipatie der zedelijkheid ; weet alleen maar, dat het dan goed is als de mensch geloovig belijdt : „Uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dineren, Hem zij de heerlijkheid in der eeuwigheid. Amen".
Wanneer nu de Christelijke Ethiek als object (voorwerp) van, beschouwing heeft : het zedelijk handelen van den Christen, in verband met de onderscheidene levensfuncties, welke God den Christen voorlegt en waartoe de Schepper aller dingen den mensch roept — is telkens de vraag : hoe de Christen zich in gansch zijn leven, overeenkomstig Gods Woord, heeft te gedragen ?
Van autonomie van den wil des menschen is bij den Christen geen sprake.
Niet de mensch heeft hier te gebieden. God is de Wetgever, Koning en Rechter. Niet de emancipatie van de zedelijkheid wil de Christen. God zal zeggen, wat goed en wat niet goed is. En de Christen, die Gods Woord lief heeft en eert als levensgids, leeft in het diepst van zijn ziel met deze begeerte : „Leer mij, o Heer, den weg door U bepaald. Dan zal ik dien ten einde toe bewaren". „Naar Gods wil te handelen" en daarbij „in de waarheid te wandelen" is des Christens lust en leven. (Psalm 25).
De humanist, die van den mensch uit redeneert en den mensch op een troon verheft en alles vanuit den mensch opbouwt, staat hier met z'n levens-en wereldbeschouwing vierkant tegenover. De humanist heeft andere levensbeginselen en levensstellingen (dogma's) en stelt andere wetten en geeft andere regels, naar zijn welbehagen. Waartegenover de Christen als zijn geloofs-en levensbeginsel stelt, dat de mensch met heel zijn leven genomen moet worden, zooals Gods Woord ons dat leert. Dan is. niet de mensch de bron voor zichzelf noch de wetgever voor zichzelf, maar dan is de mensch, als het schepsel Gods, in alles ten diepste van God afhankelijk en in alles gehouden aan Gods Woord ; waarbij ook de gevallen mensch heeft te leeren, dat alle waarachtig leven uit God is, gelijk het in Jezus Christus op het heerlijkst is geopenbaard. Zoodat 't het zaligst lot voor den Christen is, om te mogen zeggen : „ik leef — maar niet meer ik, maar Christus leeft in mij".
Net precies het omgekeerde, dan de autonomie van den wil des menschen en de autonomie der zedelijkheid, leert de Christen. Waar de humanist leeft bij 's menschen werk en bij menschverheerlijking — daar heeft de Christen een gansch ander leven leeren kennen en is van een gansch andere levenspractijk, met gansch andere levenswijsheid. En des Christens belijdenis is : „Heere, maak mij Uwe wegen, door Uw Woord en Geest bekend. Leer mij hoe die zijn gelegen. En waarheen O Uw treden wendt. Leid mij in Uw waarheid ; Leer ijvrig mij Uw wet betrachten. Want Gij zijt mijn heil, o Heer! 'k Blijf U al den dag verwachten".
De humanist, die zich zelf tot wet­gever is en in eigen kracht leeft en bij eigen wijsheid zweert en op eigen deugd betrouwt, het schepsel eere gevend boven den Schepper, weet van geen zielszucht, zooals de Psalmdichter die vertolkt : „Ik zet mijn treden in Uw spoor. Opdat mijn voet niet uit zou glijden ; Wil mij voor struikelen bevrijden, en ga mij met Uw heillicht voor. Ik roep U aan, 'k blijf op U wachten, omdat G', o God ! mij altoos redt ; ai ! luister dan naar mijn gebed, en neig Uw ooren tot mijn klachten" (Psalm 17 vers 3).
Zooals het geloof van een mensch is, zoo is z'n leven, althans ideëel genomen. Dat bewijst de heiden, dat doet de Grieksche wijsgeer ons zien, dat toont de Boeddhist, de Mohammedaan, de Jood — dat doet de Christen, de Humanist; -, de Communist, de Bolsjewist ons aanschouwen. Overal en altijd is het : zooals 't geloof (of 't ongeloof) van den mensch is, zóó is het leven ingericht. En de groote scheidingslijn is : óf de mensch, het schepsel, zal het doen, met 't geen van beneden is — óf de mensch erkent God en zoekt het bij Hem, die als de eenige waarachtige God het eeuwige leven is, welk leven de God van hemel en aarde heeft geopenbaard in Jezus Christus, Zijn ééniggeboren Zoon, onzen Heere.

(Wordt voortgezet).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 september 1930

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Geestelijke opbouw

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 september 1930

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

PDF Bekijken