Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Geestelijke opbouw

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Geestelijke opbouw

De Christelijke Ethiek

11 minuten leestijd

Bij de Ethiek gaat het om het zedelijke, om den mensch in zijn zedelijk leven, om na te speuren, door welke beginselen dat zedelijk handelen van den mensch in al zijn levensfuncties gedragen en gestuurd wordt.
Geen wonder, dat hierbij dan allerlei principiëele vragen ter sprake komen,als : wie is de mensch, wat is de mensch in zijn oorsprong, in zijn wezen, in zijn werkelijken toestand ? Wat is het leven van den mensch, zijn levensdoel, zijn levensfuncties ? Wat is zedelijk goed en wat is zedelijk kwaad? Gaat het leven des menschen tot aan het graf, of gaat het tot na den dood ? enz.
Als we het hebben over „de geloofsleer" — komen er allerlei beschouwingen, allerlei beginselen naar voren. Maar als we het liebben over „de levensleer" niet minder ! Geen wonder immers? Want hoe verschillen niet de levens-en wereldbeschouwing van de menschen ? De Boeddhist, de Mohammedaan, de Jood, de Christen — ze zullen allen komen, om hun beschouwingen ten beste te geven. En de Materialist, de Atheïst, de Socialist, de Bolsjewist blijven niet achter, om uit hun levens-en wereldbeschouwing te redeneeren over deze dingen, die de levensterreinen en de levensplichten des menschen raken. Ze zullen allen over de vervulling van de levenstaak des menschen, in het midden van de verschillende levenskringen als gezin, kerk, maatschappij, staat enz., hun meening voordragen, al naar dat hun eigen inzicht en overtuiging is.
Hier neemt de Christen een „eigen" standpunt in. Hij ziet den mensch, het zedelijk leven des menschen, in verband met de verschillende levenskringen en de vele levensverhoudingen, waarin de mensch door God geplaatst is, in een bepaald licht. En wel in het licht van zijn Christelijk beginsel, waarbij Gods Woord hem tot gids is.
De Christen kan niet over den mensch en de vervulling van zijn levenstaak, over den mensch en zijn levensdoel voor tijd en eeuwigheid, praten zooals de Materialist of Atheïst dat doet. Ook niet zooals de Boeddhist, Theosoof of Mohammedaan doet. Een Christen ziet den mensch in zijn oorsprong en wezen, voor heden en toekomst, voor leven en sterven, zooals hij dat geleerd heeft van God, die tot ons spreekt op allerlei wijze, maar boven alles in Zijn Woord, om ons door Zijn Geest in die Schriftuurlijke Waarheid rond te leiden.
Gods Woord heeft voor den Christen gezag. „Er staat geschreven", zegt de Christen telkens, zooals hij van den Heiland geleerd heeft, die het óók zeide, levende bij de Schriften. Gods Woord is den Christen een lamp voor den voet en een licht op het pad. En zooals God hem voor oogen staat als de Souvereine God, die de Schepper, Onderhouder en Regeerder aller dingen is, aan Wiens wil allen gebonden zijn en van Wiens hulp allen afhankelijk zijn, zoo staat Gods Woord voor hem, als Gods waarheid, die eeuwig zeker is en den mensch wijsheid leert. De „mensch Gods" — zooals Paulus 't noemt 2 Tim. 3 : 14—17 — gaat alleen veilig, als hij wandelt in den weg van de Heilige Schriften, door God ons gegeven en wonderlijk voor ons bewaard door alle eeuwen.
We kunnen allen eerbied hebben voor Plato, Aristoteles, Augustinus, Calvijn, Kant en zoovele anderen, ze kunnen staan als sterren aan den wetenschappelijken hemel en schade zal het ons doen, indien we niet ijverig onderzoeken wat zij ons geleerd hebben en nog willen leeren — maar de Christen heeft door genade geleerd, om vóór alles en boven allen telkens te vragen : „ontdek mijne oogen, opdat ik de wonderen van Uwe wet aanschouwe." (Ps. 119 vers 18). De geestelijke mensch, de mensch Gods, weet, dat hij dan alleen toegerust kan worden tot ware kennis en alle goed werk, indien hij door Gods Geest in Gods Woord mag worden onderwezen, dat ons „ware wijsheid" leert. En ook de leeringen van menschen — geleerde, wetenschappelijke menschen — moeten telkens getoetst worden aan Gods Waarheid, omdat de Christen den godsman der Oude Bedeeling nazegt : die Gods Woord hebben verworpen hebben geen wijsheid overgehouden. „Tot de Wet en tot de Getuigenis". Daarin heeft de Heiland Zelf ons een exempel nagelaten. Zelf levende bij de Schriften en als wapen gebruikend : „er staat geschreven". Bestraffende ook de Sadduceën, de intellectueelen van hun tijd, dat ze de Schriften niet geloofden ; bestraffende niet minder de Emmaüsgangers, dat zij niet wandelden in het rechte spoor van Gods Getuigenis.
Of staat het voor den Christen niet vast, dat God alleen de Wijsheid heeft en Hij ons Zijn Waarheid heeft bekend gemaakt, opdat we niet zouden dwalen ?
Willen anderen „neutraal" zijn (wat niet beslaat; en niet zelden onverschillig, hatelijk, vijandig tegenover Gods Woord is) ; of wil men uitgaan van „algemeene" beginselen (welk woord in den laatsten tijd veelal in de plaats komt van „neutraal" en dat zoo ruim en zoo breed zich aandient) wij, als Christenen, belijden gaarne, dat wij onze hoogste wijsheid van God moeten ontvangen en hebben af te lezen van de bladzijden van Gods' Woord.
Geen oogenblik ontkennen we, dat de Heere ons overal onderwijst; in de natuur, in onze consciëntie, in de geschiedenis ; maar om tot de rechte kennis der dingen te komen, tot de rechte kennis van God en Zijn werken, maar ook tot de rechte kennis van den mensch, zijn levensbestemming, zijn levenstaak, zijn levensverhoudingen enz. is het noodig, dat Gods Woord onze raadsman is. In dat licht zien wij het licht.
Wij weten geen weg, bij de behandeling van de Ethiek, als het gaat over den mensch en zijn ethisch leven in den ruimsten zin, over het menschelijk handelen in betrekking tot de vele levensterreinen en levensverhoudingen, indien we niet wandelen met beide handen vasthoudend den gouden draad van de Godsopenbaring in Zijn Woord ons gegeven ! En wij schamen er ons niet voor — ook niet tegenover den grooten kring van „geleerden" en „wetenschappelijke" mannen en vrouwen, die van de benaming „christelijk" een afkeer hebben, omdat het zoo „bevooroordeeld", zoo bekrompen" en zoo „onverdraagzaam" geacht wordt — om telkens in de leer te gaan bij Mozes en de Profeten, bij Jezus en de Apostelen, bij dat Woord van God, dat ons in den loop der eeuwen op velerlei manier en langs onderscheidene wegen (Hebr. 1 vers 1) gegeven is en nu sinds bewaard wordt door Hem, Die het ons gaf.
Het geven van dat Woord en het bewaren van dat Woord is voor den Christen van zóó groote waardij, dat hij er God niet genoeg voor danken kan en als het wèl met hem staat — ook met den christen-geleerde — zal hij gaarne dat Woord ijverig onderzoeken, om bij dat Woord te leven en te wandelen, getuigende met den man Gods van de Oude bedeeling : „Uw Woord is een lamp voor mijn voet en een licht op mijn pad" (Psalm 119 : 105), óók met den man Gods van de Nieuwe be­deeling uitsprekend, dat de mensch Gods niet volmaakt kan worden toegerust tot alle goed werk, als hij niet onderwezen wordt door al die Schriften, die, van God ingegeven, nuttig zijn tot leering, tot wederlegging, tot verbetering, tot onderwijzing die in de rechtvaardigheid is.
Alleen in den weg der Schriften wandelt de mensch veilig en daarom moet de mensch ook „van kindsaf in de heilige Schriften onderwezen worden." (2 Tim. 3 vers 14—17).
Werkt de Boeddhist, de Mohammedaan, de Materialist, de Neutrale, de Algemeene enz. enz., een ieder naar zijn levensovertuiging en bouwt ieder van hen naar de beginselen, die hem lief zijn, z'n geloofsleer èn z'n levensleer, z'n Dogmatiek en z'n Ethiek op, wij als Christenen, schamen ons niet aan de hand van de Heilige Schriften te willen wandelen, om niet anders te weten, dan wat God Zelf in den weg Zijner openbaring ons komt bekend maken, ook tot rechte beschouwing en waardige volbrenging van onze levenstaak.
Dan ligt heel de natuur en al 't geschapene voor ons open als een schoon boek, in hetwelk alle schepselen, groote en kleine, gelijk als letteren zijn, die ons de onzienlijke dingen Gods geven te aanschouwen, namelijk Zijne eeuwige kracht en Goddelijkheid (welke dingen alle genoegzaam zijn" om de menschheid te overtuigen en hun alle onschuld te benemen) — maar dan ligt boven alles voor ons open het Heilig en Goddelijk Woord, waarin de Heere ons te kennen geeft zooveel als ons van noode is in dit leven, tot Zijne eer en de zaligheid der Zijnen. (Art. 2 Ned. Gel. bel.).
Als Christen laten we ons onderwijzen, door de dingen die rondom ons zich vertoonen, door 't geen in het groote, breede leven zich aan ons oog voordoet, 't geen de natuur ons leert — „des HEEREN wet nochtans verspreidt volmaakter glans." Des Heeren Woord, Gods getuigenis. Zijn Waarheid gaat boven alles, „'t Is Gods getuigenis, dat eeuwig zeker is en slechten wijsheid leert."
Dat Woord van God is voor den Christen, die zich zet tot de behandeling van de Zedeleer, van de Ethiek, om te spreken over den mensch en zijn levensverhoudingen en levensverrichtingen, onmisbaar. Hij kan er niet buiten. Want hij weet zonder dat Woord niet wie de mensch is, wat de oorsprong, het wezen, het levensdoel van den mensch is, noch wat zedelijk goed, noch wat zedelijk kwaad is, en vreezende God wenscht hij bij voortduring door dat Woord des Heeren onderwezen te worden, omdat uit 's harten diepsten grond telkens weer opkomt : „Des HEEREN vrees is rein ; zij opent een fontein van heil, dat nooit vergaat. Zijn dierbre leer verspreidt een straal van billijkheid, daar z' al onwaarheid haat. Z' is 't menschdom meerder waard, dan 't fijnste goud op aard."
De Christen neemt Gods Woord ten gids, telkens vragende : „spreek, Heere, uw dienstknecht hoort" ; „leer mij o Heer ! den weg door U bepaald, dan zal ik dien ten einde toe bewaren" ; „Heere, maak mij Uwe wegen door Uw Woord en Geest bekend."
En hij mag getuigen : „Dus krijg ik van mijn plicht, o God een klaar bericht". Ook : „Hij, die op U vertrouwt. Uw wetten onderhoudt, vindt daarin grooten loon."
Dat geeft hem veiligheid, maar het maakt hem niet trotsch. Want datzelfde Woord komt hem juist in al zijn handel en wandel, bij de vervulling van zijn levensroeping in de onderscheidene levensverhoudingen, waarin God hem kwam stellen, zoo dikwijls voor den spiegel van Gods Wet trekken, om den Christen beschaamd te maken van wege zijne vele tekortkomingen en hem voor God en de menschen schuldig te doen staan.
„Maar, Heer! wie is de man, die, op 't nauwkeurigst, kan zijn dwalingen doorgronden ? " belijdt de Christen, wetend hoevele zijne zonden zijn en blijven.
„O Bron van 't hoogste goed ! wasch. reinig mijn gemoed van mijn verborgen zonden", is zijn smeekbede daarom geduriglijk.
Een Christen, die Gods Woord eert en zóó zich zet tot de beschouwing van het leven des Christens, van zijn zedelijk handelen, van zijn gaan en staan op de verschillende levensterreinen, waar God hem een taak heeft gegeven, gaat niet met opgeheven hoofd vol hoogmoedsgedachten voort, zichzelf uitnemender achtend dan een ander.
Hij zegt den dichter van denzelfden 19 den Psalm na :
„Weerhoud, o Heer! uw knecht, dat hij zijn hart niet hecht' aan dwaze hoovaardij !"
Om ook diep afhankelijk, blij geloovig te zingen : „Heerscht (die dwaze hoovaardij) in mij niet meer, dan leef ik tot Uw eer, van groote zonde vrij."
Hoog stelt de Christen daarbij zijn levensideaal, waar hij van God geroepen is tot zoo velerlei levensterrein en tot onderscheidene levensplichten. Hoog, héél hoog is zijn ideaal. Want Gods eer is er mee gemoeid, des naasten heil is er mee verbonden, de levenszegeningen en de levensvloek zitten er aan vast. En opziende naar den hemel, schouwend op de engelen, bidt hij, dat hij „gelijk de engelen in den hemel" gewillig hier op aarde Gods wil mag doen. Biddend weer, telkens" weer smeekend: „Laat U mijn tong en mond, en 's harten diepsten grond toch welbehaaglijk wezen ; o HEER, die mij verblijdt, mijn rots, en losser zijt! Dan heb ik niets te vreezen".
Wat zijn ze dwaas, die zeggen, dat we voor de Ethiek niets hebben aan den Bijbel!
Oud-en Nieuw Testament is voor ons in deze van de hoogste, van onschatbare waarde !
't Fijnste goud goud op aard méér dan 't fijnste

(Wordt voortgezet).

Dit artikel werd u aangeboden door: de Gereformeerde Bond

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 september 1930

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Geestelijke opbouw

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 september 1930

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

PDF Bekijken