Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

MEDITATIE

Tweeërlei droefheid.

17 minuten leestijd

Want de droefheid naar God werkt eene onberouwelijke bekeering tot zaligheid ; maar de droefheid der wereld werkt den dood. 2 Corinthen 7 vers 10.

Alles wat boos en gruwelijk is, alles wat God onteert en eigen ziele verderft en verdoemt, komt uit het harte voort. Het is een vuile modderpoel vol griezelig ongedierte, waaruit de akelige walm der zonde den Heere tegemoet slaat. Het is met den doodsadem doortrokken. Niets is zoó verdorven, of het is in dat harte te vinden. Alles wat leelijk is, wordt door den Heere in Zijn Woord aan dat harte toegeschreven. Het is een moordenaarskuil vol ongerechtigheid. Het is een kooi, vol onrein gevogelte.
Wie zal zijn harte doorgronden ? Daarom is het voor Gods kinderen eene behoefte om met den psalmdichter te bidden: „Doorgrond m' en ken mijn hart, o Heere !"
Het is in ons natuurlijk harte ook akelig duister ; en in die donkerheid tieren welig onoogelijke gedrochten der .hel. In die duisternis vliegen de inbeeldingen des harten als booze geesten huilend én wild door elkander. In Adam, en door onze dadelijke zonden, liggen wij onder den vloek des Heeren. De inbeeldingen des 'harten zijn groot, maar hebben geen wezen. Het zijn wanstaltige schaduwen, door den duivel in het harte geworpen. Wij leven in de donkerheid en vreezen de adders niet, omdat wij ze niet zien.
En dan op zulk een harte te vertrouwen ! Toch is dat van nature onze lust. In tijden van vreugde gingen de inbeeldingen des harten over onze blijdschap en wij riepen maar zorgeloos en onbekommerd : „Vrede, vrede, en geen gevaar !" In tijden van bittere droefheid, meer dan eens, heeft ons gemoed zich ontlast en het is weer stil geworden. Wij zeggen, dat wij getroost zijn geworden en verblijden ons als dwazen met dingen, die geen wezen hebben. Gij zijt van smart bevrijd en uit droefheid opgebeurd, o blinde mensch ! en nu beeldt gij u in, dat gij iets van den hemel gesmaakt hebt. En omdat de droefheden vele zijn — de verlichtingen ook — is daar geen enkele onbekeerde mensch, of hij houdt eene kleine hope voor den hemel over.
„Die op zijn harte vertrouwt, is een zot !" zegt de Spreukendichter. Er is toch droefheid èn droefheid ! Die op een rietstaf leunt, dien wordt de hand doorboord. Die op Jezus te leunen krijgt, op Zijn werk en algenoegzaamheid, door een levend geloof, dat eene gave Gods is, is eeuwig zalig.
In onzen tekst wordt gesproken over tweeërlei droefheid. Ten eerste over de droefheid naar God, en ten tweede over de droefheid der wereld.
Er is een bekend spreekwoord, reeds aan de oude Romeinen ontleend, dat aldus luidt : „Wanneer twee menschen hetzelfde doen, dan doen zij : hetzelfde nog niet", en de bewijzen voor de waarheid, daarin gelegen, zijn voor 't grijpen. Barnabas brengt zijn goederen, en legt ze neer aan de voeten der apostelen, opdat die ze den armen zullen uitreiken.
Ananias doet hetzelfde, maar hoe groot is het verschil !
Kaïn en Abel brengen beiden hun offer. Er staat volstrekt niet bij, dat Kaïn iets minderwaardigs uitzoekt om het den Heere te geven ; beiden doen hetzelfde. Maar beiden doen zoó weinig hetzelfde, dat het offer van den een wordt aangenomen en dat van den ander van de hand wordt gewezen.
Petrus en Judas hebben beiden zwaar gezondigd. Zij hebben ook beiden over hun zonde berouw. Het einde van Petrus' berouw is de terugkeer tot den Heiland, en het is het begin van een rijk gezegend le­ ven ; het einde van Judas' berouw is wanhoop en dood.
Zoo spreekt de Heilige Schrift van tweeerlei geloof. Er is een geloof, dat Paulus doet zeggen : „Wij dan, gerechtvaardigd zijnde uit het geloof, hebben vrede bij God door onzen Heere Jezus Christus". En er wordt eveneens gesproken van een geloof, dat de duivelen bezitten : „De duivelen gelooven het ook, en zij sidderen".
Er is tweeërlei rechtvaardigheid. De rechtvaardigheid uit het geloof, die vrede geelt, en de rechtvaardigheid uit de werken der wet. De rechtvaardigheid van den tollenaar, en de rechtvaardigheid van den Farizeer.
Er is tweeërlei gebed. Er is een bidden, dat God niet hoort. Er is ook een bidden, waarvan de psalmist in vol vertrouwen zegt : „God neigt Zijn oor, 'k roep tot Hem al mijn dagen ; Hij schenkt mij hulp. Hij redt mij keer op keer".
Zoo is er zelfs tweeërlei zwijgen. Lees eens Psalm 39. Daar spreekt de psalmist in vers 3 : „Ik was verstomd door stilzwijgen, ik zweeg van het goede, maar mijn aart werd verzwaard". Het is het zwijgen, waarvan de opstand niet verre is. maar eerst ais hij zijn kleinheid voor God heeft leeren inzien, kan het komen tot het recente zwijgen, het node zwijgen, waarvan het in vers l1 heet : „Ik ben verstomd, ik zal mijn mond niet opendoen ; want Gij hebt het gedaan".
Wij zien dus dat een daad of toestand zijn waar u eerst krijgt, door wat er achter ligt. uit het harte zijn de uitgangen des levens.
De apostel Paulus had de misstanden in de Corinthische gemeente streng gegispt, als een trouwe herder had hij de zonde zonder aanzien des persoons aangezegd en blootgelegd, de gemeente vermanend haar uit haar midden te verbannen, opdat alles er naar den eisch van Gods heiligheid mocht zijn. Hij had door zijn strengen toon, waarin de Corinthiërs zijn liefde echter proefden, groote droefheid in de gemeente verwekt. Wanneer hij die droefheid verneemt, is hij er dankbaar voor. Hij schrijft, dat hij er zich over verblijdt. Hij verblijdt zich niet, omdat zij bedroefd geweest zijn zonder meer, maar omdat zij bedroefd geweest zijn naar God en tot bekeering. En daarbij sluit dan het tekstvers aan : Want de droefheid naar God werkt eene onberouwelijke bekeering tot zaligheid ; maar de droefheid der wereld werkt den dood. De Heere had den Corinthiërs de genade gegeven om de bestraffing aan te nemen, en daar kwam eene droefheid naar God. De grootheid van dat genadewonder ontvouwt hij in onzen tekst, en die ontvouwing mag Gods treurend Sion van alle eeuwen tot een onderrichtende vertroosting wezen. Daarom, gelukkig de levendgemaakte ziele, die nu het Woord eens met toepassing op zichzelven mag vernemen en ontvangen ! Immers eene droefheid naar God is een genadewonder. Want in Adam is alle vleesch van God afgeweken. Sinds de aarde en de mensch gevloekt zijn om der zonde wil, is er overvloed van murmureeren in ons steenen hart, dat hard is als een diamant.
Zoolang deze aardsche huishouding duurt, zal geen enkele zondaar uit zichzelven naar den Heere vragen. Maar nu behaagt het den Heere den Zijnen, in het voorbijgaan van vele anderen, op grond van het eeuwig voornemen der genade, een vleeschen harte te geven en hun steenen harte weg te nemen. En in dat vleeschen harte legt de Heere Zelf eene droefheid naar God, door den Heiligen Geest. De droefheid naar God is een genadewonder. Daarom, wat den dooden zondaar nooit bezwaarde, gaat de levendgemaakte ziele benauwen, dat ze al maar door tegen den Heere heeft kunnen zondigen. De naar God bedroefde ziele krijgt zoo te zien, dat de Heere in Zijn recht is als Hij haar eeuwig buiten den hemel sluit. En dat ziende, wordt zij zoo gewillig gemaakt om des Heeren straffen goed te keuren ! O, van God beminde ziele, toen gij zoo eens in uwe onwaardigheid voor den Heere mocht komen te liggen, was het u wel onmogelijk te beseffen de grootheid der genade aan uwe ziele geschied ! Gij dacht niet anders, of het zou u tot een oordeel wezen, en toch hebt gij u niet verborgen voor des Heeren aangezicht, gelijk Adam deed. Het is omdat ook dit werk van den Heere volmaakt is, gelijk al Zijne werken. Daarom, als eene ziele te zien krijgt dat zij dood is, en bedroefd is naar God, o, dan is er leven. Want de Heere laat niet varen de werken Zijner handen.
De droefheid naar God. Het woordje „naar" wijst hier geen richting aan, doch beteekent „overeenkomstig".
Droefheid naar God is eene droefheid naar de meening van God, naar Gods harte, overeenkomstig Gods wil. En wat is nu eene droefheid naar Gods wil ? Dat is eene droefheid, door Zijnen Geest gewerkt, eene vrucht van eene herscheppende daad Gods. De mensch, in wien die levendmakende daad plaats greep, komt tot het diepe besef dat God niet zijn God is. Hij ziet zich verstoken van Zijn gunst en buiten Zijne gemeenschap. Dat nu roept in de ziele droefheid op, die alleen kan worden weggenomen door gemeenschap met den Heere, zooals die gesmaakt wordt door Jezus Christus.
Een andere oorzaak voor die droefheid is het juiste inzicht in de oorzaak der scheiding tusschen God en de ziele. En die oorzaak is de zonde. Niet de gevolgen der zonde. De naam-Christen kent slechts droefheid om wat de zonde in hare gevolgen voor den mensch medebrengt. Maar de droefheid naar God is smart over de zonde zélf. De zonde als miskenning van God, als schending van Zijne heiligheid, als een niet beantwoorden aan het doel, waartoe God den mensch schiep.
De bevindelijke, niet de beschouwende kennis hiervan, doet droefheid in de ziele ontstaan. En dan gaat deze droefheid niet alleen over de zondige daden, maar allermeest over de bronwel, waaruit de daden voortkomen, n.l. het verdorven harte, de onzalige fontein, die haar oorsprong vindt in den eersten Adam. En die verdorven natuur wordt schuld, omdat die mensch zich in dien eersten Adam voor God gesteld ziet. Zoo is het dus de zonde in haar wezen, haar oorsprong en doel, die eene oorzaak wordt van droefheid naar God. Deze droefheid kent de naam-Christen niet, hoeveel tranen hem de zonden ook hebben gekost, en veel minder nog worden de zonden hem tot eene schuld, die betaald moet worden.
Die droefheid naar God werkt eene onberouwelijke bekeering tot zaligheid. Ziet daar de heerlijke vrucht in de ten leven gegrepen ziele. Het is bekeering. Van nature dwaas, en blind, is bekeering ons eene dwaasheid. Doch de naar God bedroefde ziele wordt door Hem ook omgezet. Hoe meer de levendgemaakte ziele ziet alles te vreezen te hebben, hoe meer zij naar den Heere gedreven wordt. Zij krijgt een afkeer van het booze. Daar komt een haat tegen de zonde, omdat de ziele ziet hoe de zonde haar vervreemd heeft van de zalige gemeenschap des Heeren.
Voorts, beminde des Heeren, hoe menigmaal hebt gij u voorgenomen het anders te maken, anders voor den Heere te leven. O, een naar God bedroefde ziele krijgt den strijd aan te binden tegen de zonde, dag aan dag ! Ach ! hoevelen bedriegen zichzelven en meenen eene droefheid naar God te kennen, terwijl zij nochtans de zonden blijven koesteren en dienen !
De droefheid naar God werkt bekeering. Doch het is eene bekeering tot zaligheid; daarom wordt de ziele in dien weg door den Heiligen Geest ingeleid in de noodzakelijkheid van den Heere Jezus. De naar God bedroefde ziele krijgt helder te zien, hoe vreeselijk het zijn zal te vallen in de handen van den levenden God. Maar hoe zij ook het beste voorneemt, altijd teleurstelling. In plaats van beter, wordt de ziele in zichzelve al slechter en slechter. Eene bekeering tot zaligheid ; dat krijgt de naar God bedroefde ziele te zien, als zij met haar verbroken werk van eigengerechtigheid zich voor den Heere neerwerpt, zich verfoeiende in zak en asch. Met een Petrus moet zij zeggen : „Heere ! ga uit van mij, want ik ben een zondig mensch !" En toch, zoo van verre staande als de tollenaar, brandt de ziele om den Heere Jezus als algenoegzamen Borg te ontvangen. Want in zichzelve verloren, ziet zij zoo, dat de Heere Jezus een volkomen Zaligmaker is, en daarom is het eene onberouwelijke bekeering tot zaligheid. Ja, wel is zij in zichzelve ellendig, de levendgemaakte ziele, maar nochtans is zij van dankbaarheid overstelpt, dat de Heere haar staande hield. En zoo kan niets meer de naar God bedroefde ziele tegen houden, ook de gansche wereld niet, tot zij door 't geloof in den Heere Jezus en Zijn werk te rusten krijgt. Gods kinderen zullen tot in eeuwigheid den Heere dankbaar zijn voor de door Hem gewrochte bekeering.
Hoe akelig steekt daarbij af, o, vleeschelijke mensch, al wat van de wereld is ; want wat ons hier voor een oogenblik verblijdt, berouwt ons in de eeuwigheid. Ja, onberouwelijis de bekeering tot zaligheid ook van Gods zijde. Want de genadegiften en de roeping Gods zijn onberouwelijk. O, gekende des Heeren ! wat is het u onuitsprekelijk zoet, als de Heere u daar eens bij bepalen komt, dat het anker uwer zaligheid vast ligt in de stille eeuwigheid ! Eer bergen en rotsen geboren waren, eer in den tijd nog ééne zonde begaan was, eer nog ééne zucht tot den Heere was uitgegaan, behaagde het Hem de Zijnen te kennen en aan te zien in den Zoon Zijner ontferming. Van die dingen komt de Heere elk Zijner kinderen te onderwijzen van het oogenblik af, dat Hij hen zegent met eene droefheid, die naar Hem uitgaat. Dan verstaat Sion zoo, als de Heere van hen sprak : „Geen oog had medelijden over u, om u een van deze dingen te doen, om zich over u te erbarmen ; maar gij zijt geworpen op het vlakke des velds, om de walgelijkheid van uwe ziele, ten dage toen gij geboren waart. Als Ik u voorbijging, zoo zag Ik u, vertreden zijnde in uw bloed, en Ik zeide tot uw uw bloed : Leef; ja Ik zeide tot u in uw bloed : Leef !" Daarom zalig de ziele, die die droefheid naar God in haar oorsprongen werking kennen mag ! Van hare verdoemenis overtuigd, van het onmogelijke, om zelf ook maar ééne schrede op het pad naar den hemel te zetten, onderricht, wordt de Heere ten slotte al Zijn bedroefden te machtig, als Hij Zelf hen op den Heere Jezus wijst en hun geeft Hem door het geloof te omhelzen.
Maar niet alle droefheid is droefheid naar God. Onze tekst spreekt toch ook van de droefheid der wereld. Er is velerlei droefheid. Hoe dwaas dan op den hemel eene hope te hebben op grond van droefheid, die geene droefheid naar God is ! En toch, hoe velen wagen het er maar op ! O, vleeschelijke mensch ! zou onze velerlei droefheid eene droefheid naar God kunnen zijn, terwijl onze bitterste droefheid ons niet uit drijft uit den vuilen modderpoel der zonde !
Daarom, wee ons, die over alles bedroefd geweest zijn, maar dien het nooit eens in 't harte is opgekomen door de invloeden des Heiligen Geestes, om de zonden te haten en te vlieden, waarmede wij zoo gruwelijk tegen een Drieëenig Verbonds-God gezondigd hebben ! Want zoo heerlijk de droefheid naar God is, zoo dood is onze natuurlijke droefheid.
De apostel spreekt van eene droefheid der wereld. Het is de droefheid der wereld. De naam wijst op de onzalige bezitters dezer droefheid ; het is de wereld. Wij zijn het, o, vleeschelijke menschen ! die geen Borg kennen voor onze ziele, en die maar niet gelooven kunnen en willen, dat het er zoo duister voor ons uitziet. Wij, onwewedergeborene, aardschgezinde, verdorven menschen. Het gaat nu om onze droefheid. Mocht nog een zondaar of zondares zich bij name geroepen hooren en tot den Heere uitgedreven worden. Het gaat nu om onze droefheid, soms zoo zwaar ! De vloek der zonde bracht eene zee van droefenissen. O, vleeschelijke mensch ! zou het ons niet door de ziele snijden, als van ons wordt weggescheurd wat dierbaar is, vleesch van ons vleesch ? Het kan dan zoo akelig droevig en bang, zoo bitter zwaar worden ! Arme mensch, die dan een Jezus missen moet, die voor de Zijnen den last droeg, welke hun te zwaar zou zijn ! De droefheid der wereld is eene ijdele droefheid, eene droefheid over wereldsche dingen, nietige ijdelheden, dingen, die geen wezen hebben. De droefheid der wereld is eene goddelooze droefheid. De droefheid der wereld is eene gedwongen droefheid. Wat zullen daar een gewetenskloppingen, een ziekbedden in den dag der dagen getuigen tegen de verlorenen. Maar een mensch is van nature zoo blind, dat hij de ziekbedangsten voor zijn beste oogenblikken aanziet. Zonder genade is het niet anders dan eene droefheid der wereld. Als het gevaar voorbij is, zoekt een natuurlijk mensch de zachtste genezing, die de wereld geven kan. Zichzelven den hemel belovend, begint het oude leven weer, een leven voor de hel !
O wee ons, blinde menschen, wier droefheid de apostel nu voorts bloot legt in hare doodelijke vrucht.
„Maar de droefheid der wereld werkt den dood". Immers de droefheid der wereld is niet anders dan de bittere vrucht der zonde. Door de zonde is de dood ; zoo zijn dan alle vruchten der zonde in zichzelven doodelijk. De droefheid der wereld werkt den dood, den lichamelijken, den geestelijken en den eeuwigen dood.
Vleeschelijke mensch ! daar is in ons een schijn van leven, maar ook niet meer dan een schijn. Het is een leven der verderving, gelijk een lijk een leven van ontbinding kent. De droefheid der wereld werkt den dood. Daarom is het, dat de rouwklagers door de straten gaan, want de mensch gaat naar zijn eeuwig huis ! En dan, hoe menige losbandigheid jaagt ons den dood tegemoet ! Ook den geestelijken dood. Door de zonde zijn wij van God vervreemd. Als takken zijn wij, in Adam, van den Heere, die de eeuwige Levensbron is, afgesneden. Dood en dor liggen wij daar ; onze lust is in den dood. Met de zwijnen hebben wij van nature een lust in de wentelingen in het slijk. Het vuil der zonde zoeken wij en jagen wij na in al ons werken, spreken en denken buiten en tegen den Heere. De droefheid der wereld werkt den dood. Die droefheid moge zwaar zijn, de dood is er in ! Met al ons bedroefd zijn gaan wij hoe langer hoe verder van den Heere af, totdat het werk van de droefheid der wereld voltooid wordt in den eeuwigen dood. Eeu­wig van Hem gescheiden, die het leven is, maar eeuwig ter pijniging in de macht van den duivel en zijne knechten !
Mocht het ons tot nadenken brengen, als wij nog leven in een onverzoenden staat met den Heere ! Wellicht hebben wij lang geleefd onder de verdraagzaamheid Gods en hoe lankmoediger de Heere is, hoe geruster wij er op doorleven ! Hoe dwaas zijn wij toch van nature, meenende door onszelven te misleiden, den Heere te kunnen bedriegen. Mochten wij dan eens bedroefd worden, omdat wij niet anders kennen dan de droefheid der wereld.
Dat de vrucht uwer naar God bedroefde ziele, treurend Sion ! eene onberouwelijke bekeering werkt, dat weet gij. Want gij die weten moogt dat de Heere u kwam staande houden, gij zoudt uwe droefheid naar God ook voor alle schatten der wereld niet willen missen. Vandaar ook, dat elke recht bekommerde ziele zoo nauw voor den Heere te leven krijgt. Maar moge de Heere u er nu. eens inleiden, wat het zeggen wil, dat het ook eene bekering tot zaligheid is! Dan kan het niet anders, of gij moet u aan den Heere Jezus overgeven, geheel zooals gij zijt. Zalig, als gij dat eens te gelooven krijgt, dat gij als een onreine gewasschen zijt in het bloed van den Heere Jezus, dat Hij u aanzag niet om uwentwille, maar alleen om Jezus' wille !
Of moogt gij u kennen als een van Gods bevestigde kinderen, de zonde blijft, maar tegen uwen wil ! Over de zonde blijft daarom óók de droefheid naar God. Althans zoo moet het zijn ! Hoe teederder de ervaring der genade, hoe inniger de droefheid naar God, want gij weet dan, dat gij zondigdet tegen Hem, die u eeuwig liefhad en die u het liefste werd, uw Jezus !
Zalig zijn zij die treuren, want zij zullen vertroost worden. Die met tranen zaaien, zullen met gejuich maaien. Eenmaal zullen zij uit genade deelen in de vervulling der belofte voor Zijne bedroefden : „En God zal alle tranen van hunne oogen afwisschen".

Den Ham (Ov.).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 oktober 1930

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 oktober 1930

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

PDF Bekijken