Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Geestelijke opbouw

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Geestelijke opbouw

De Christelijke Ethiek

8 minuten leestijd

Als de eeuwige, almachtige God een begin maakt met de schepping, begint voor 't heelal, begint voor ons, menschen, het begin. De eeuwige God heeft geen begin ; dat zou met Zijn Goddelijke natuur strijden en ongerijmd zijn. Hij heeft de eeuwigheid in Zich Zelf. En dan begint Hij, „in den beginne" van den tijd, uit het niet-zijnde te voorschijn roepen wat Hij wil, daarbij scheppend handelend geheel naar eigen werkwijze, — almachtig, wijs en goed — alles makend naar Zijn Idee, naar Zijn Raad en eeuwig Voornemen.
Door de Godsopenbaring, in de Heilige Schrift ons bewaard, weten we dat. En neen, die openbaring Gods in het geschreven Woord — licht verspreidend over gansch de natuur — is er niet om de menschelijke nieuwsgierigheid te voldoen, ook niet om de wonderen Gods tot op den peilloozen bodem te ontsluieren, maar zij geeft, naar wat wij lezen in Artikel 2 van onze Ned. Geloofsbelijdenis „zooveel als ons van noode is in dit leven tot Zijne eer en de zaligheid der Zijnen".
Het werk Gods, dat Hij wrocht in de schepping van het heelal, wordt ons in het eerste hoofdstuk van den Bijbel getoond in wondere heerlijkheid, bij licht van Boven. En Jean Paul ; heeft naar waarheid gezegd : „het eerste blad der Mozaïsche oorkonde heeft meer gewicht dan alle folianten der natuuronderzoekers en wijsgeeren" (Zie dr. A. Kuyper Jr. Het beeld Gods, bladz. 2).
Langen tijd is men gewoon geweest te spreken van twee scheppingsverhalen.
Het eerste zou dan gegeven zijn in het 1ste hoofdstuk van ; het boek Genesis ; het andere in het tweede hoofdstuk, te beginnen bij het 4de vers.
Er is natuurlijk niets tegen Genesis 1 vers 1 tot 2 vers 3 te nemen als één geheel, en Genesis 2 vers 4 tot 25 ook als één bij elkaar hoorend stuk. Zooals men weet, is de indeeling in hoofdstukken en verzen niet oorspronkelijk, maar eerst later (in de 13e eeuw) gemakshalve aangebracht. Opvallend in die twee eerste stukken van het boek Genesis is en blijft, dat in Genesis 1 de Schepper alleen met den naam van God genoemd wordt („In den beginne schiep God den hemel en de aarde" ; „en God zeide : daar zij licht : en daar werd lichit" enz. In 't Hebreeuwsch staat hier E 1 o h i m, vertaald door God, zijnde de Veelmachtige God, wijs van raad en groot van daad), terwijl dan in 't 2e en 3e hoofdstuk telkens gesproken wordt van den HEERE God (die met den mensch in bizondere betrekking treedt). Bij dien tweeden naam is dus naast God bijgebracht de naam van Jehova, onder welken naam Israël den God van de einden der aarde als den HEERE kent, zijnde de God des Verbonds. Twee verhalen dus, met onderscheiden Godsnaam.
Maar bij nader inzien zijn het toch geen twee scheppingsverhalen. Want in Genesis 1 wordt ons inderdaad beschreven hoe God alle dingen geschapen heeft, de niet-zijnde dingen roepend alsof ze waren, welk scheppingsverhaal eindigt in de mededeeling dat ten laatste de mensch geschapen werd — terwijl in Genesis 2 en 3 ons dan een breedvoerig verhaal gedaan wordt van den hof, geplant in Eden, en wat daar verder tusschen den mensch en God is geschied.
Door het eerste der beide verhalen (Genesis 1) wordt het ons duidelijk, dat de eeuwige God Zelf door het enkele woord van Zijn almachtigen wil eerst de aarde als woest en ledig heeft geschapen, terwijl duisternis was op den afgrond. Dat is de oer-aarde in haar chaötischen toestand. Dan wordt eerst het licht te voorschijn geroepen, dat niet door de zon, maar door God is gemaakt ; terwijl later de zon door God tot lichtdraagster gesteld is, waarvan in den Bijbel staat, dat „God de zon doet opgaan" enz. Dan wordt het uitspansel gecreëerd om scheiding te maken tusschen de wateren, die boven en die beneden zijn. Vervolgens worden planten, visschen, vogels, het gedierte der aarde, het vee en 't wild gedierte te voorschijn geroepen, en ten slotte wordt de mensch geformeerd. De schepping van zon, maan en sterren had plaats nadat de plantenwereld is gecreëerd en vóór dat de dieren en de mensch worden geschapen.
De openbaring van het feit der schepping wordt dus in het eerste hoofdstuk van den Bijbel ten volle gegeven en als slot volgt Genesis 2 vers 1—3 : „Alzoo zijn volbracht de hemel en de aarde en al hun heir. Als nu God op den zevenden dag volbracht had Zijn werk, dat Hij gemaakt had, heeft Hij gerust op den zevenden dag van al Zijn werk, dat Hij gemaakt had en God heeft den zevenden dag gezegend en dien geheiligd, omdat Hij op denzelven gerust heeft van al Zijn werk, hetwelk God geschapen had van te volmaken". Deze verzen kunnen gevoegelijk het slot van het scheppingsverhaal (Genesis 1) zijn, maar evengoed de inleiding op het Paradijsverhaal (Genesis 2 en 3).
Het ontstaan van de aarde, de creatie van het firmament, de schepping van plant en dier en mensch, worden van stuk tot stuk ons meegedeeld in Genesis 1.
Het is in den vollen zin van het woord een scheppingsverhaal, waarbij in het oog springt, dat alles Gods wettig eigendom is, dat alles Gode zal moeten dienen, om Hem groot te maken tot in eeuwigheid. In de ontplooiing van al de scheppingsschatten tot Gods eer ligt de hoogste doelstelling voor alles wat gemaakt is. En van God gemaakt zijnde, om te leven en zich te bewegen tot Gods eer, ontvangt het ook van God de wetten en de ordinantiën. In het volgen van die Goddelijke ordeningen zal de welstand liggen van al het geschapene. In dien goddelijken weg zal het goed gaan. En in het leven naar die hoogste orde zal God op 't hoogst geprezen worden. Doch — in het afwijken daarvan zal smart, ellende, vloek en dood liggen voor het geschapene en lastering, oneer, smaadheid voor den Schepper, 't welk Hem smarten zal aan Zijn hart".
Dat voelen we al in Genesis 1, uit gansch de structuur van het scheppingsverhaal. Met goddelijke macht, ook met goddelijken vrede is alles gemaakt.
In alles is de hoogste en heerlijkste harmonie. Dat het zoo blijven moge !
Dan komt vervolgens Genesis 2 en 3. Daar krijgen we niet zoozeer een schepping s verhaal, maar er wordt ons verteld, wat er met de schepping verder is geschied. Het aanknoopingspunt is de mensch en er wordt verhaald, dat de mensch in den hof van Eden is gezet door den Heere en wat er vervolgens in dien hof met den mensch is gebeurd.
De paradijsgeschiedenis dus. 't Begint met de nadere bizonderheden van de schepping van den mensch, zoowel van Adam als van Eva. Nu hooren we, dat God Eva geschapen heeft uit een rib van Adams lijf, zoodat zij als scheppingswonder Gods uit den man genomen is. Wij krijgen alzoo éen beschrijving van het leven van den man en van de vrouw en de instelling van het huwelijk, als behoorend tot het echte leven des menschen. Voorts ontvangen wij bericht van het proefgebod bij den boom der kennis des goeds en des kwaads, en van de belofte bij den boom des levens. En eindelijk wordt ons de zondeval van onze eerste voorouders, verleid door de arglistigheid van de door Satans macht sprekende slang, beschreven, en de rechtvaardige straf door God den Heere toen uitgesproken over mensch en dier en aardrijk. Het scheppingsleven in gebrokenheid, in zonde, in vloek !
Dit alles nu is, alhoewel de schepping van den mensch er nader in wordt beschreven en bekend gemaakt, geen eigenlijk scheppings verhaal, het is de geschiedenis van Adam en Eva in het Parad ij s.
Beter dan te spreken van twee scheppingsverhalen doet men dus, wanneer men zegt, dat Genesis 1 vers 1 tot 2 vers 3 ons de scheppingsgeschiedenis geeft en Genesis 2 vers 4 tot 3 vers 24 het Paradijsverhaal.
Uit alles blijkt ons nu wel, dat de aarde voor den mensch is toebereid — waarom de Heere den mensch ook aan 't eind van de zes dagen schiep — en dat de mensch alles heeft ontvangen, om met al het geschapene den Heere te dienen. (Artikel 12 Ned. Geloofsbelijdenis).
Dat verandert alles radicaal, wanneer men voorstander is van het historisch materialisme en spreekt van eeuwige stof en kracht.
Dan is er geen God. — Atheïsme. Dan is er geen schepping naar Gods Idee, naar Gods Raad, naar Zijn eeuwig welbehagen, maar een wording der dingen uit de stof.
Dan is de aarde niet des Heeren, vol van Gods orde en wet, maar een product van stofwisseling.
Dan is de mensch niet van Gods geslacht, maar komt in den weg der evolutie op uit het reeds bestaande.
Dan vervalt de religie, als gebondenheid aan God en als dienst des Heeren.
Dan zijn we alles kwijt, wat juist voor den Christen de hoogste wijsheid en de rijkste schat moet wezen. Dan is alles radicaal anders.
Zweert dan ook de materialist bij z'n dogmatiek, n.l. het Evolutionisme — de Christen belijdt z'n geloof, dat God, de Almachtige, Schepper is van hemel en aarde. In welke schepping des Almachtigen de mensch de voornaamste plaats inneemt, hetwelk alles voortspruit uit Gods vrijmachtig welbehagen, geroepen zijnde God lief te hebben met geheel z'n ver­ stand, met geheel z'n hart en met al zijne krachten, de aarde en al het geschapene ontvangend, om alles te stellen in den dienst zijns Gods.
Zóó is des Heeren wil geweest. Wat de materialist ontkent en de Christen verdedigt. (Wordt voortgezet).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 november 1930

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Geestelijke opbouw

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 november 1930

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

PDF Bekijken