Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

MEDITATIE

18 minuten leestijd

Lukas 15 vers 11.

„Een zeker mensch had twee zonen".
De Zoon des menschen is gekomen om te zoeken en zalig te maken, hetgeen verloren is — dat is ook weer de grondtoon van het wonderheerlijke hoofdstuk Lukas 15, dat niet alleen besluit met, maar ook opklimt tot de gelijkenis van den verloren zoon. De schoonheid van dit verhaal des Heeren Jezus wordt wel in zeer breeden kring erkend en geroemd — ja, vooral ook door hen, die den Christus der Schriften „overgeleverd om onze zonden, en opgewekt om onze rechtvaardigmaklng" (Rom. 4 vers 25), — niet noodig meenen te hebben. Mag de berouwvolle niet rechtstreeks (d.i. in dit geval buiten Christus om) tot God als tot den genadigen en liefdevollen gaan, zooals de jongste zoon in de gelijkenis deed? Maar waartoe hierop gewezen ? Om onszelf te herinneren, dat wij ernstig hebben te vragen om de voorlichting des Heiligen Geestes dat Die ons doe zien, wat de Heere Jezus in deze gelijkenis in het bijzonder, wil inscherpen ! Wat het z..g.n. punt van vergelijking is. Dan zal Die ons ook bewaren van de woorden des Heeren te misbruiken in dien zin, dat we er uit zouden willen afleiden, wat niet in Zijn heilig bedoelen heeft gelegen.
„Een zeker mensch had twee zonen". Wie van deze beiden is nu de hoofdpersoon ? Met. andere woorden : wie is de eigenlijke verloren zoon ? Deze vragen hangen samen. En toch : de laatste beantwoorden wij nu nog niet. Wat betreft de vraag naar den hoofdpersoon, .het is duidelijk, dat deze gelijkenis tweeledig is ; in het eerste gedeelte is de jongste — in het tweede de oudste de hoofdfiguur. Want de Heere Jezus sprak voor een zeer gemengd gehoor ; en zoowel de tollenaars en de zondaars (vers 1), alsook de Farizeërs en de Schriftgeleerden (vers 2), wilde Hij door deze zelfde gelijkenis in het hart grijpen.
„Een zeker mensch had twee zonen". Van den jongsten hooren wij het eerst. „Vader, geef mij het deel des goeds, dat mij toekomt". Hij vraagt dus om boedelscheiding nog tijdens het leven van zijn vader. Als jongste was hij niet de voornaamste erfgenaam. Volgens de wet (Deut. 21 vers 17) heeft hij recht op één derde gedeelte van zijns vaders bezittingen. Zoals in dien tijd meer gebeurde, geschiedde ook hier : „en hij, de vader, deelde hun het goed".
Lag het nu in zijn bedoeling een eigen bedrijf op te zetten ? Allerminst ! Hij wilde de wereld in ! Vrij zijn ! 't Was .hem thuis, onder zijns vader oog te nauw, te bekrompen, te duf, té eentonig 1 Hij, de zoon van goeden huize wilde niet in den dagelijikschen sleur, in den tredmolen loopen ! Hij wilde — in één woord — zijn jonge leven genieten. Alles wordt te gelde .gemaakt en weldra is hij „weggereisd in een vergelegen land".
Dit alles was wèl-overdacht ; en toch : eerst veel later geeft hij zich rekenschap van zijn doen. „ en tot zichzelven gekomen zijnde" Wanneer ? Waar ? Als hij te midden van een kudde zwijnen nederzit! De laatste poging om zich te handhaven op zijn eigen .gekozen weg ! Nu leerde hij zijn dwaasheid zien: hij, die vrij had willen zijn om ongestoord te kunnen genieten, hij had genoten! Volop ! „levende overdadiglijk". In 't vreemde land waren spoedig vrienden te vinden geweest die in feestroes hem hadden geholpen zijn goed er door te brengen. Totdat alles verteerd was — geld en vrienden waren tegelijk verdwenen ! Waar was nu het geluk — de vrijheid waar hij van gedroomd had, toen het hem in het ouderlijk huis ondragelijk scheen ? Hoe bitter was de nasmaak van de kortstondige vreugde !
Welnu, dan maar werk zoeken — dat kon hij beter in dit vreemde land dan thuis. Maar in dagen van grooten hongersnood, die daar ging heerschen — die anderen misschien wél, doch hij in zijn zorgeloosheid zeker niet had zien aankomen — bleek ook dat vrijwel onmogelijk.
Honger ging nijpen en gebrek hem dreigen ! Ten leste —daar vindt hij wat ! Een plaats als zwijnenhoeder ! Welk een vernedering voor hem, den Israëliet ! Zwijnenhoeder ! En zoo karig is het loon en zoo groot zijn ellende, dat hij, als hij des avonds de dieren naar den stal heeft teruggedreven en toeziet , hoe anderen den dieren hun draf toedienen, begeert „zijnen buik te vullen met den draf, dien de zwijnen aten". „Zijn buik te vullen", dat eene woord teekent ons den hongerlijder ten voeten uit . Hij, die van huis uit niet wist wat honger was — die toen hij „vrij" was in overdaad geleefd heeft!
,,En niemand gaf hem dien". Zoover moest het komen ! Alle kans op behoud moest hem ontnomen worden. Als hij zijn buik nog had mogen vullen met zwijnenkost, dan had hij volhard in zijn verkeerden weg. Had hij het misschien „eerlijker", ja een soort .heldendaad gevonden, om nu het tegenliep het hoofd om­ hoog te houden en de omstandigheden te trotseeren. "
Maar er is Eén, Wiens hand ook de omstandigheden leidt in die zóó kan doen tegenloopen, dat ook de zich verhardende gebroken wordt. dat verloren zonen, of zij willen of niet, tot zichzelven moeten komen ! Zoo ging, ; het dezen !
En toen zag hij niet alleen zijn dwaasheid — zeker, óók dat : „Hoevele , huurlingen mijns vaders hebben overvloed van brood !". De losse werklieden hebben het bij mijn vader nog goed, en ik — ik, de zoon — ik verga van .honger" ; door mijn eigen schuld doch óók, ja bovenal zijn schuld jegens zijn vader — tegenover God, Die hem zulk een vader geschonkèn had ; God, Dien hij verlaten, vergeten, den rug toegekeerd had om het te zoeken in den weg van de genoegens des vleesches !
Hij zat nu bij de zwijnen ! Wat beloofde de wereld veel en wat schonk ze weinig ! Niets dan een verwoest leven en de beschuldiging — de knaging des gewetens, zooveel ondragelijker nog dan het schrijnen van den honger ! Als een zwijn had hij zich aangestelde, gewroet in het slijk der lagere genietingen ; vertredend paarlen, die hem geschonken waren. En nu ging de hand des Heere tegen hem uit ; sloeg pijnlijk en drukte zwaar op hem.
Hij leert zijn zonde belijden ! Leert .hongeren en dorsten naar gerechtigheid !
Dat is de groote ommekeer ! En die bestaat altijd uit inkeer tot zichzelven, afkeer van het oude bestaan ; het leven der ongerechtigheid ; doch ook wederkeer. „Ik zal opstaan en tot mijnen vader gaan, en ik zal tot hem zeggen: „Vader, ik heb gezondigd tegen den hemel en voor u, en ik ben niet meer waardig uw zoon genaamd te worden ; maak  mij als eenen van uwe huurlingen". Ge hoort het : geen vergoelijken van zijn kwaad ; geen „verzachtende omstandigheden" aangevoerd ! Niet : „Ik heb mijn straf al geleden" — wie in waarachtig berouw schuld toelijdt, heeft zulk spreken afgeleerd ! Wie het nog poogt, is in zijn belijden niet oprecht voor God en menschen.
De verloren zoon kent zijn schuld — jegens zijn vader is het dit, dat hij wel de goederen des vaders begeerde, doch om die naar eigen lust te gebruiken ! Vader zelf  het vaderhart en de vaderliefde versmaadde en vertrapte hij als iets waardeloos. Belemmerde het .hem niet in het uitleven zijner lusten ? En daar had hij alles op afgesteld.
Het voorrecht van het kindschap daarbij niet achtend of waardeerend. O nu ! nu begeerde hij de plaats van een huurling ! Het zoon-zijn had hij zich onwaardig gemaakt !
Maar al moest hij er het minste werk voor doen : als hij slechts mocht leven uit de hand zijns vaders !
Neen, wij behoeven noch kunnen thans de aankomst en de ontvangst in het vaderhuis en aan het vaderhart in den breede beschrijven, 't Bleek, dat al had de zoon den vader vergeten, de vader zijn afgedwaald kind niet verstooten had uit zijn hart. Hoe lang had hij reeds uitgezien ? 's Heeren Jezus' toeschrijving behoeft geen nadere uitweiding : „En als hij nog verre van hem was, zag hem zijn vader, en werd met innerlijke ontferming bewogen ; en toeloopende, viel hij hem om zijnen hals en kuste hem". — Eindelijk komt het : „Vader, ik heb gezondigd tegen den hemel en voor u, en ben niet meer waardig uw zoon genaamd te worden " Verder kan hij niet komen, want reeds klinkt het bevel om de bedelaarslompen te vervangen door het beste kleed — het feestgewaad ! Want feest zal .het zijn I 't Gemeste kalf moet geslacht ! De ring aan zijn hand — de schoenen aan zijn voeten — alles moet wijzen op herstel in het kindschap ; spreken van de goedheid des vaders.
„Want deze mijn zoon was dood en is weder levend geworden, en , hij was verloren en is gevonden".
Neen ! Deze gelijkenis bedoelt niet enkel de trouw van een aardsch vader te schetsen. Ook hierin wil de Heere Jezus brengen tot zelfkennis en tot Godskennis.
In zekeren zin teekent de Heere Jezus in dien verloren zoon ons aller beeld. Zoo zijn wij menschen nu ! Hoe verder van God, hoe liever !
Vrijheid begeeren wij van nature ! Wél verstaan : vrijheid voor het vleesch. Eigen zin en weg volgen ! Meestal natuurlijk op een fatsoenlijke manier ! Maar toch : zelf willen weten wat goed en kwaad is. De mensch de maat aller dingen ! Wél Gods gaven aannemen, doch om daarmee buiten Hem te leven — in 't midden der wereld. In het land, dat ons in den huldigen zondigen toestand „een land der vreemdelingschap" moest, zijn.
Van nature willen we een wereld en een hemel zonder God.
In zooverre is de verloren zoon het beeld van ieder menschenkind.
Dat hij het, door Gods genade, ook in een ander opzicht moge zijn!
Dat ook wij tot ons zelf mogen komen.
Tot onszelf komen! Durven we dat wél ?
Hebben we er soms geen tijd voor ? Als het van ons afhing, kwamen wij daar nooit !
„Door Gods genade" schreven wij zooeven ! Ja, het is de Heere Zelf, Die door Zijn Woord en Geest ons daartoe dwingt, Hoe noodzakelijk, dat de Heilige Geest onwederstandelijk werkt ! Uitwendige beproevingen moeten daar soms toe medewerken, maar in ieder geval gaat het altijd zóó, dat er komt een omkomen bij den draf die de wereld tenslotte biedt — een hongeren en dorsten naar de gerechtigheid des Heeren Heeren.
„Wie ver van U de weelde zoekt, Vergaat eerlang " Inkeer, afkeer ; doch dan wordt het bevel des Heeren levend in de ziel : „Keer weder, gij afkeerige kinderen", en gaat de belofte wenken : „en Ik, de Heere, zal uwe afkeeringen genezen". Wederkeeren ! Hoe ? Als een arme, berooide bedelaar ? Als een onwaardige ? Ja, zóó en niet anders !
Wederkeeren ! Langs welken weg ? Gaat dat zoo maar rechtstreeks ? In den zin, waarop een „vrijzinnig Christendom", dat in wezen geen Christendom is, het voorstelt ?
Inderdaad ! Schijnbaar duidt de Heere Jezus in deze gelijkenis dit punt niet nader aan — maar wij mogen ook dit woord niet losmaken van Hem, Die het sprak en Die van Zichzelf getuigt (Joh. 14 vers 6a): „I k ben de Weg". Alleen langs Hem als den Weg is wederkeer van afkeerigen, schuldigen, ongerechtigen tot den Rechtvaardigen en Heiligen God mogelijk. Langs dien weg leidt de Heilige Geest, om te doen verstaan (o, wonder van genade), dat de Heere afkeerigen .kinderen noemt.
Hen geneest ; in Christus rechtvaardigt — hun, die alles verbrast en verzondigd hebben, in Christus alle dingen weder schenkt !
De kleederen des heils ; den mantel der gerechtigheid ; ja, uit genade tot Zijne kinderen aanneemt !
Wederkeeren ! Dus niet in de ellende tolijven liggen, al blijft het één voortgaande ontdekking aan schuld en ongerechtigheid.
Is het eerst : „o God, wees mij, den zondaar, genadig", op den weg van wederkeer komt de belijdenis : „Vader, ik heb gezondigd". En dan is het berouw het zuiverst en het diepst, als gezien en gevoeld wordt dat vaderlijke goedheid is beleedigd ! Dan wordt de genade Gods in Christus het wonderlijkst.
„Niet waardig Uw kind genaamd te worden" is de taal van den deemoed, doch straks is de genadegift Gods 't eeuwige leven in zijn vollen rijkdom : een aanzitten aan den feestdisch van de bruiloft des Lams !
Als daar iets van gezien wordt, beginnen zij nu reeds vroolijk te zijn in den Heere, terwijl straks „eeuwige blijdschap op hunne hoofden zal zijn" ! (Jes. 35 : 10). Lezer, op het uwe ook ?
„Een zeker mensch had twee zonen". Zoo scheen het weer te zijn, toen de verlorene weder gevonden was. Zoo scheen het slechts want : zien wij naar den oudsten.
Die was dien dag in het veld geweest. Arbeidzaam en plichtsgetrouw als altijd. Als hij het vaderlijk huis nadert, golft het feestgedruisch hem tegen. Hij begrijpt er totaal niets van ! 't Was in huis den laatsten tijd nog stiller dan vroeger sinds zijn broeder Maar neen, aan dien minderwaardige wilde hij zelfs niet denken ! Zal hij naar binnen gaan ? Neen ! Hij is er de man niet naar om overal zoo maar aan mee te doen. Hij, de degelijke —-de ernstige, met het stroeve gelaat.
Een knecht komt naar buiten — eerst navraag gedaan ! En deze, blijde zijn aanstaanden meester het goede nieuws te kunnen mededeelen, zegt : , , Uw broeder is gekomen, en uw vader heeft het gemeste kalf geslacht, omdat hij hem gezond wederontvangen heeft". Neen de knecht kan wel doorloopen en behoeft de deur voor hem niet open te houden ! Hij zegt niets — woede doet hem sprakeloos staan! „Uw broeder is gekomen" — maar hij wenscht niet, dat dat zóó maar zal gaan ! 't Zou gemakkelijk zijn. Als het thuis niet meer aanstaat, afreizen ! Alles er vroolijk weg doorbrengen, om als dat niet langer gaat, als gebrek gaat nijpen, maar weer gauw naar huis te gaan om daar ontvangen te worden alsof er niets gebeurd was — ja, erger nog, feestelijk te worden ingehaald !
Als zijn vader het zoo wenscht — zal hij tenminste toonen te weten hoe het behoort. Hij verkiest zijn broeder niet meer als zoodanig te erkennen.
't Kan ons een oogenblik toeschijnen, alsof deze oudste zoon toch wel eenigszins gelijk had ? We hebben misschien in ons leven óók wel eens gelegenheid gehad z.g.n. het recht te handhaven als anderen te toegeeflijk schenen. Is het meestal niet om onze eigen rechtvaardigheid en tegelijk ook onze hardheid en liefdeloosheid te ópenbaren ? Of ook gebrek aan vergevensgezindheid Maar zien wij nog even op den tweeden hoofdpersoon uit de gelijkenis. Als 't binnen bekend wordt dat de oudste zoon aan de deur staat, zonder verder te willen komen — „zoo ging dan zijn vader uit en trad hem". Ontroerend tafereel !
„Mijn zoon ! Is er dan geen reden tot vreugde ? —" Doch dan komt de tong des oudsten los en bijt hij het zijn vader toe : , „Zie, ik dien u nu zoovele jaren en heb nooit uw gebod overtreden en gij hebt mij nooit een boksken gegeven, opdat ik met mijne vrienden mocht vroolijk zijn".
Hoort ge hoe verongelijkt hij zich acht ? Vandaar deze zelfbeschrijving 1 Welk een voorbeeldige zoon ! Al zoovele jaren getrouw ! Nog nooit een gebod overtreden ! Vader, hoe gunstig steek ik wel af tegen dien anderen, die als een bedelaar schoorvoetend terug moest komen !
En daar wordt nu zoo'n ophef van gemaakt ! Voor hem 't gemeste kalf — voor mij nog geen boksken !
Ik nooit eens geprezen !
Hier blijkt overduidelijk — ja, hij verraadt zichzelf ! — wie de oudste zoon in werkelijkheid is, ondanks allen schijn ! Hij openbaart in werkelijkheid te zijn wat zijn jongere broeder niet behoefde te worden, n.l. een huurling. Ja ! En niets meer !
De geest van het kindschap is hem ten eenenmale vreemd.
De vreugde des vaders kan de zijne niet zijn ! Zonder toewijding of liefde om loon, ja, mokkend deed hij zijn plicht! Hij was thuis gebleven — ja, waarom ? Niet, omdat het vaderhuis hem vervulling schonk in datgene, waarnaar zijn hart uitging : want in wenschelijkheid had hij precies dezelfde begeette als zijn broeder gehad had: om met wat hem toekwam (bescheiden zeide hij „een boksken" ; zijn hart bedoelde natuurlijk oneindig veel meer) met zijn vrienden, buiten zijn vader om, vroolijk te zijn I
Ja, misschien benijdde hij heimelijk zijn broeder wel, die den euvelen moed gehad had, heen te gaan, om eens te genieten ! Want kunnen wij niet het .hardst zijn tegenover zondaren, die een kwaad hebben bedreven, dat wij wel niet durven begaan, maar waartoe wij innerlijk wel lust gevoelen ?
Ook de oudste zoon bleek nu geen rechtgeaard zoon te zijn.
Hij heeft, geestelijk gesproken, steeds veel verder van den vader af geleefd dan de jongste ooit van hem verwijderd geweest is.
Die gevoelde zich bij den zwijnentrog In 't vreemde land nog als kind, en daarom juist als dubbel schuldige, ja als een onwaardige ; doch deze, die altijd bij den vader geweest was, van wien gold „al het mijne is uwe", deze was en blèèf een vreemde ten opzichte van zijn vader!
De jongste zoon, in zijn streven om buiten zijn vader om te leven, was ons beeld van den zondaar, die met Gods gaven buiten Hem wenscht te leven. Ziet ge daarin uw beeld, zooals ge zijt van nature ?
Aarzelt ge ? Vindt ge dan uzelve terug in den oudsten zoon ?
Schijnbaar is dat iets beter — en toch : niet meer dan schijnbaar !
De mensch kan met dat alles vroom zijn ! O, zeker ! Nauwgezet en plichtsgetrouw — althans in vergelijking met menigeen kan het er best mee door ! Maar is het soms in dienstknechts-gesteldheid ? Om loon ?
Welnu, dan staat er voor u een woord in Openb. 22. Zie vers 12 maar : „En ziet", zegt de Heere Jezus daar, „ik kom haastiglijk ; en mijn loon is met mij, om een iegelijk te vergelden, gelijk zijn werk zal zijn." Loon wordt uitgekeerd naar recht — strikt rechtvaardig 1
Wat schoon schijnt, uitwendig, is voor Christus waardeloos als het hart er koud bij was. Liefdeloos ! Want de liefde is de vervulling der wet !
Hij ziet het hart aan; eischt „mijn zoon, mijn dochter, geef Mij uw hart."
's Heeren wil en wet moet niet maar worden „nagekomen", „uitwendig gehouden" zijn-, neen, zoo is 't met menschelijke wetten en verordeningen !
Doch; Gods wet en eisch moeten worden vervuld. Wie Hem dient moet er in opgaan. De oudste zoon, die nooit een gebod had overtreden, had evenmin er ooit een vervuld !
Is het niet om wakker te schokken ? Als zoo het oordeel gaat over onze „beste weriken" ? Als dat erkend wordt, wordt eerst de Parizeer in ons gebroken, — want de oudste zoon is een Farizeër-figuur — eerst dan leeren we af op anderen neer te zien en te belijden :
„Vader, ik heb in ieder opzicht gezondigd en geen Uwer geboden gehouden."
Wie is nu de meest verlorene van die twee zonen ? Is het niet de oudste ? Is eigengerechtigheid niet het allergevaarlijkst ?
De oudste zoon was in werkelijkheid geen zoon ! Zonder liefde ; ja onbeschaamd en onbillijk.
De liefde bedekt alle dingen terwijl de haat het liefst wroet in anderer ongerechtigheid. Ziet het hier : „Deze uwe zoon (hoe hard en koud) die uw goed met hoeren doorgebracht heeft " Daarvan werd echter niet gesproken ; alleen van verkwisting en overdaad !
Is het nog helaas niet vaak zoo, dat het ergste nog niet erg genoeg gevonden wordt ?
De daad van den vader in de gelijkenis is een beeld van wat God de Vader in Zijn vrije gunst doet : verlorenen in Christus rechtvaardigen om niet !
Daar komt de Pharizeer, de eigengerechtigheid tegen op !
Wat men zelf niet wenscht, gunt men ook anderen niet !
Waarom haat de eigengerechtige Christus' kruis toch zoo ? En de genade daar geopenbaard ? Omdat men het zonder een kruis wil, waaraan noodwendig alle eigen werk den doodssteek ontvangt !
Zooals de vader in de gelijkenis den oudsten zoon vermaant, zoo waarschuwt de Heere door dit voorbeeld ons tegen alle eigengerechtigheid !
Als wij onszelf leeren kennen, vinden wij de fouten van beide zoons in ons hart.
Leeren wij ze belijden en vreezen. Welgelukzalig wie daarvoor geduriglijk vreest!
Begeeren wij in ootmoed de aanneming tot kinderen om Christus' wil !
Dan zal er blijdschap zijn als verlorenen door 's Heeren Woord en Geest worden wedergebracht.
Wijke de afgunst uit de Gemeente Christi ! —
Dan zal leder der verlorenen, van wien geldt : verloren doch gevonden, dood geweest doch levend gemaakt, in hope zalig zijn als bedacht wordt hoe èèns ten volle in heerlijke werkelijkheid zal gelden :
„Gij zult altijd bij Mij zijn ; en al het Mijne is uwe".

W (Fr.).

KL.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 november 1930

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 november 1930

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

PDF Bekijken