Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Geestelijke opbouw

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Geestelijke opbouw

De Christelijke Ethiek

7 minuten leestijd

Het hisstorisch materialisme, met de Evolutie als dogmatiek, heeft een zoo gansch andere geschiedenis voor het ontstaan en het wezen en 't levensdoel van den mensch. Zegt de Christen : „uit God en door God en tot God zijn alle dingen", om bizonder van den mensch te belijden, dat hij door God Zelf naar Gods beeld en gelijkenis is geschapen, om over alles te heerschen en met alles God te dienen en groot te maken — de leer van de Evolutie zegt, dat alles wat op aarde is (ook de mensch) langs lijnen van geleidelijkheid, ontstaan is, 't meerdere uit 't mindere voortkomend, waarbij 't recht van den sterkste heerscht en het mindere verdwijnt. In den langst mogelijken tijd, met de kleinst mogelijke veranderingen, is uit de eeuwige stof de bestaande wereld voortgekomen ; eerst de planten, toen de dieren en eindelijk uit de dierenwereld de menschvormige aap, die is uitgegroeid tot hetgeen wij nu mensch noemen. Niemand heeft 't gezien, niemand heeft er het bewijs van, maar de wetenschap, de ongeloovige, anti-christelijke wetenschap leert het en daarom is het zoo ; althans voor den „denkenden" mensoh, die aan 's menschen wetenschap de hoogste autoriteit toekent. Men beweert, dat de Bijbel in deze dingen „on-zin" leert, maar de wetenschap spreekt de waarheid en verkondigt de hoogste wijsheid !
Bij dien primitieven mensch, uit de dierenwereld te voorschijn komend, om van de laagste ontwikkeling op te klimmen tot hoogere beschaving, heeft men natuurlijk niet te denken aan veel dat voornaam is en tot sieraad strekt. Integendeel. De zwartste kleuren zijn nog niet donker genoeg om 't beeld van den primitieven mensch te teekenen en zijn gelijkenis af te malen. Een Hottentot en een Boschjesman is een beschaafd mensch in vergelijking met dien eersten mensch, uit de dierenwereld voortgekomen.
Natuurlijk heeft de ongeloovige wetenschap er allerlei bewijzen voor. Vroeger was alles even primitief en onbeschaafd, wreed en rauw en ruw, wat later in den weg der evolutie langzamerhand anders en beter is geworden. De menschheid is langzaam uit de dierenwereld opgeklommen tot ontwikkeling, cultuur, beschaving, met beoefening van wetenschap en kunst  -- zegt men.
En wat bewijst nu de geschiedenis ? Dat in de beginperiode bij de oudste volkeren, in de oudste tijden, een hoogstaande cultuur was, waarvan de vele kunstvoorwerpen bewijs leveren. Onder de oudste volkeren waren wetten, zeden, gewoonten, die niet aan de dieren, maar aan menschen met ontwikkeling en beschaving herinneren.
Men heeft smalend gezegd., dat het in de dagen van Mozes zóó primitief nog was, dat onmogelijk uit de dagen van Mozes kan afstammen wat de Bijbel ons van dien Mozaïschen oertijd vertelt. Dat hebben de menschen eeuwen later geschreven en het valschelijk gesteld op Mozes' naam. De Wet is niet uit Mozes' dagen, Mozes kon niet een scheppingsverhaal geven, zooals we in Genesis 1 lezen, de tabernakel is er nooit geweest enz. enz.
En nu wordt b.v. de wetgeving van Hammurabi aan 't licht gebracht en het bewijs is geleverd, dat reeds lang vóór Mozes de ontwikkeling waarlijk niet op zoo laag peil stond, als de mannen der wetenschap, op grond van de leer der evolutie, stout hadden beweerd. Men heeft gevonden in het dal der koningen van Egypte het graf van Toet-Anc-Amen en dat graf bevatte de rijkste kunstschatten, welke getuigenis afleggen van hooge cultuur in de grijze oudheid. De kunstvoorwerpen uit de eerste eeuwen zijn van zóó kunstige makelij, dat de vraag gesteld is of heden ten dage de kunstenaars wel in staat zijn, met hun vaardige hand en met hun zoo veel meer uitgebreide technische kennis, ze even zoo te vervaardigen. In elk geval geven kenners het getuigenis, dat ze niet onderdoen voor het edelste dat nu gepresteerd wordt.
We behoeven over de oudheid, over de Babylonische, Assyrische, Egyptische beschaving niet zoo minachtend te denken en het blijkt dwaas te zijn, om over de eerste menschen en de oudste volkeren te denken, als over wezens, die uit de dierenwereld voortgekomen zijn en zonder eenige ontwikkeling en beschaving hebben geleefd.
Gods Woord, zegt ons, dat de eerste mensch heerlijk en voortreffelijk is geweest, dat hij niet uit het dier is voortgekomen, maar geschapen uit het stof der aarde, en dat God de Heere Zijn goddelijk beeld in hem heeft afgedrukt, op een wijze, dat de Groote Schepper aller dingen Zelf ten laatste getuigt : „Ziet! het is zéér goed".
Daarom was de eerste mensch niet onnoozel, maar wijs. Daarom is er van barbaarsche wildheid geen sprake, maar hij was rechtvaardig en heilig. Van Gods geslacht zijnde, is hij Gode verwant, drager van het beeld Gods en hij heeft het beeld Gods zóó in zich ontvangen, dat de Heere Zelf getuigt : „Ziet, het is zéér goed, het is zéér goed gelijkend I"
: In den mensch staat het pronkjuweel van Gods schepping op aarde. In den mensch heeft de schepping van God een hoofd en een heer gekregen. God had in den mensdh Zijn beeld op aarde. En de mensch, als heer der schepping, stond als priester des Allerhoogsten in den grooten tempel, om Gode te offeren offeranden der liefde en zichzelf en al 't geschapene te leggen op het altaar van den bekenden God, Wiens profeet, Wiens priester de mensch was, bestemd om als koning in Gods Naam hier op aarde te heerschen en straks in de eeuwigheid met Hem te zitten in Zijn troon.
Christus is 't uitgedrukte beeld van Gods Zelfstandigheid in goddelijke volmaaktheid, eens wezens met den Vader, God uit God, licht uit licht, van gelijke eeuwigheid en van gelijke heerlijkheid.
Dat is de mensch niet. De mensch is door God geschapen in den tijd en in wezen onderscheiden van God. Maar in den tijd geschapen, is hij door God geschapen voor de eeuwigheid en is hij geschapen naar Gods beeld en naar Zijne gelijkenis, dat is niet alleen negatief gesproken : zonder zonde, maar positief: vol gerechtigheid en heiligheid, met ware kennisse Gods. De mensch draagt en vertoont dat beeld Gods, als hij door God geschapen is en in het Paradijs gesteld is geworden. Het staat niet buiten den mensch, het wordt hem niet als een mantel omgehangen, 't wordt niet als een toevoegsel bij al het andere aan den mensch gegeven — neen, het beeld Gods is in den mensch ingeschapen en behoort tot zijn wezen ; de mensch is beelddrager Gods. Naar het eeuwige beeld, dat God de Heere in eeuwige Zelfkennis van Ziohzelven bezit, heeft Hij den mensch geschapen, naar dat archetypische beeld dat in God is, heeft de Heere den mensch geformeerd die nu het ectypische beeld Gods is. God is de eeuwige oorspronkelijke, de mensoh is door Hem naar Zijn beeld gemaakt, om in zijn natuur en wezen het beeld Gods te vertoonen. De Heere zeide : „laat Ons menschen maken als ons evenbeeld, ons gelijkende" — en ziet, het is zéér goed, zéér gelijkend geworden, wat de Heere geschapen heeft 1 Genesis 5 vers 1 zegt dan ook : ten dage als God den mensch schiep, maakte Hij hem naar de gelijkenis Gods.
Naar Gods beeld is de mensch geschapen en hij draagt het beeld ; en dat beeld nu toont gelijkenis, het is een beeld dat gelijkvormigheid doet zien met het oorspronkelijke dat in God den Schepper is.
Omdat het woord „beeld" eigenlijk beteekent een „schaduwbeeld", voelen we, dat we hiier niet te denken hebben, dat de mensch het evenbeeld van God is — dat is wel het geval met Jezus Christus, Die in de gestaltenis Gods zijnde, het geen roof geacht heeft Gode even gelijk te zijn — maar de mensch is Gode gelijkvormig ; hij is wel het beeld Gods, maar bij benadering of gelijkenis.
Zoo was nu heel de schepping in gereedheid gebracht naar de Idee Gods, naar Zijn Raad en welbehagen, naar Zijn gemaakt bestek en de mensch stond als profeet, priester en koning te midden van al het geschapene, om alles Gode te wijden en met alles Gode te dienen en zoo te beerven het eeuwig zalig leven.
Alles bewoog zich en leefde met verlangen en begeeren Gode te leven. In en bij alles klonk aller lied : „Uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen. Hem „zij de heerlijkheid in der eeuwigheid. Amen". (Rom. 11 vers 36).

(Wordt voortgezet).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 december 1930

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Geestelijke opbouw

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 december 1930

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

PDF Bekijken