Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Over geloofsverzekerdheid.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Over geloofsverzekerdheid.

8 minuten leestijd

Een brief van Ralph Erskine.
"AIs het ons niet om fantasie, maar om werkelijkheid, ook in de dingen van Gods Koninkrijk, te doen is, dan kunnen we niet beter doen dan een tijd lang bij mannen als de Erskines ter schole te gaan en in hun geschriften ons te verdiepen".
Zoo schreef prof Bavinck in 1904.
Bij de ouderen zijn de gezamenlijke werken der Gebroeders Ebenezer (1680—1754) en Ralph Erskine (1685—1752) nog bekend, ofschoon ze niet druk meer gelezen worden. Want de Erskine's, die in de kerk van Schotland eenmaal een belangrijke plaats innamen, waren mannen met buitengewone gaven voor de prediking en 't herderlijk werk. Zij hebben als geestelijke leidslieden uitgeblonken. Een proeve daarvan biedt onderstaande brief van den jongsten der beide broeders. Het komt ons voor, dat men ook nu daaruit rijke leering en vertroosting zullen kunnen putten.
Mejuffrouw,
Uw brief kwam mij eerst ter hand eenen aanmerkelijken tijd na deszelfs dagteekening, en daarbij, op eenen tijd, wanneer ik door verscheidene beletselen genoodzaakt werd de beantwoording uit te stellen ; thans daartoe gelegenheid" bekomen hebbende, zal ik trachten aan uwe begeerte te voldoen.
Ik ben verblijd, dat de Heere eenige mijner geringe geschriften heeft willen zegenen, te uwer verkwikking. Ondertusschen zie ik uit uwen brief, dat gij bekommerd zijt of niet misschien onaangezien al de voorrechten, die gij genoten hebt, uwe kennis een bloote verstandsbeschouwing zij ; benevens verscheidene andere redenen van achterdocht omtrent uwen staat, waaromtrent gij begeert, dat ik u openhartig zal antwoorden. Waarde juffrouw ! schoon 't mij moeilijk valt over dit onderwerp |e schrijven aan iemand, van wie ik niets meer weet, dan juist zooveel als uw brief vermeldt, echter vind ik in uw schrijven eenige dingen, welke, indien zij uit een oprecht hart voortkomen, reden geven om te denken dat er waarlijk een beginsel van genade in uwe ziel gelegd is, en dat de Heere U wil vernederen om ter gepaster tijd weder U te verblijden.
Ten eerste. Gij klaagt, dat gij het verzegelend getuigenis van des Heeren liefde mist, hetgeen gij oordeelt te moeten hebben, indien gij Hem toebehoort.
Het kan zijn, dat de Heere ten uwen bes­te, de zegelen Zijner liefde en het troostelijk gevoelen derzelve terughoudt, totdat gij dezelve eens verkrijgt langs een meer geschikten weg, namelijk : door te gelooven aan Zijne liefde. De Apostel schrijft aan de geloovige Efezeren, Cap. 1 vs. 13 : „nadat gij geloofd hebt, zijt gij verzegeld geworden, de eenigste grond van het geloof, is het woord der genade en der waarheid — waarvan Paulus even te voren gesproken had — en geenszins ons gevoel. De gevoelige verzegeling van den Geest der belofte kunt gij niet verwachten, voordat gij het woord der belofte gelooft. Indien wij eerst ondervonden de gevoelige uitlatingen van Gods liefde aan ons gemoed, dan immers zouden wij ; gereedelijk ons geloof bouwen op voorbijgaande gestalten en gevoelige aandoeningen, en niet op het onwankelbare woord der belofte. Schoon de werking van den Geest, door welke Hij het woord aan ons opent, aan het geloof vooraf gaat, nochtans gaat Zijne verzegelende werking niet vóór het geloof , maar — na hetzelve.
Velen bedriegen zich, die op gevoelige aandoeningen rusten, en hun geloof omtrent Gods liefde niet voornamelijk gronden op hetgeen , God gezegd heeft, maar op hetgeen zij gevoeld of, ondervonden hebben. Het zal derhalve uw voorrecht zijn, indien de Heere U onthoudt datgeen, hetwelk gij noemt : het verzegelend getuigenis Zijner liefde, tot zoolang gij gewillig gemaakt wordt om Hem de eer van Zijne waarheid te geven, door — te gelooven Zijne liefde, in Zijn Woord aan U geopenbaard, en dan moogt gij verwachten, dat de troost van dezelve aan uw gemoed zal verzegeld worden. De vrouw, met den bloedvloed bezocht, had geen gevoelige gewaarwording van de kracht, - die van Jezus uitging, vóór dat zij in geloove den zoom Zijns kleeds had aangeraakt. Lukas 8 vers 43—48. Indien Gij wacht en verlangt naar gevoelige gewaarwordingen, om op dezelve uw geloof te vestigen, dan worden dezelve U gunstig geweigerd, opdat gij op een zekerder grondslag zoudt bouwen, namelijk op Christus, sprekende in Zijn Woord, , als den grond van uw geloof, en dat wel vóórdat gij nog eenig gevoel van Hem in uw hart hebt, om U tot het geloof aan te moedigen.
Ten tweede. Gij schrijft, dat gij dikwijls anderen hoort spreken van zoete gemeenschap met den Heere, en van hun verlangen om ontbonden te worden en met Christus te zijn, terwijl Gij niet zonder schrik aan het sterven denken kunt ; tevens klaagt gij over doodigheid, koelheid, geesteloosheid, en merkt deze dingen aan, als geenszins kenmerken zijnde van Gods kinderen. — Waarde juffrouw I indien gij de plaag van uw hart hebt leeren kennen, en waarlijk arm, behoeftig, ledig en ootmoedig blijft onder een gevoel van uw gebrek aan alle genade en goedheid jn uzelven, opdat Christus en Zijne volheid u te dierbaarder en begeerlijker zoude zijn, zijt gij gelukkiger dan zij, wien groote genietingen en vorderingen mogen gebeuren, indien zij zich op dezelve verheffen, zie Jesaja 66 : 2, Matth. 5 : 3—6, ik hoop dat het dus met u gelegen zij ; en zooveel te meer, omdat gij een weinig verder schrijft dat gij somtijds u kunt verblijden in de leer van Gods-eeuwige liefde tot Zijne uitverkorenen, schoon gij voor Uzelven uw aandeel aan dezelve niet kunt zien, en verzekerd zijt, dat, zoo gij ooit behouden wordt, de kroon op Jezus' hoofd zal moeten gezet zijn. Dit zweemt naar de taal van iemand, welke God voor heeft te vernederen, opdat Hij hem verhooge te Zijner tijd. Psalm 9 vers 19 en 113, v. 5—7.
Ten derde. Gij schrijft, dat gij in vele verzoekingen geweest zijt, maar u niet kunt herinneren, dat ooit eenige belofte van redding met kracht aan uw gemoed gebracht werd ; lieve vriendin ! indien gij van tijd tot tijd, achtervolgens de Goddelijke beloften, in het woord vervat, redding, ja krachtige en gelukkige redding verkregen hebt, hetzij dan op eenmaal of trapsgewijze (ofschoon de belofte niet met zulk een kracht, of in diervoege, als gij meent dat anderen ondervonden hebben, aan uw gevoel gebracht werd), dan moet gij dankbaar zijn. Des Heeren weg in het toepassen der beloften aan het gemoed, is verscheiden ; hoewel ik weinig onderscheid weet tusschen het krachtige toedienen eener belofte aan het gemoed, en — een zoete opwekking van het gemoed, om de belofte, zooals die in het Evangelie voorgesteld wordt, geloovig te omhelzen. Het laatste is misschien ruim zoo zeker en zoo veilig als het eerste. Indien slechts de belofte, door Gods heilige Voorzienigheid, aan uwen geest vertegenwoordigd is geworden, hetzij door middel van het hooren of lezen van Gods Woord, zóó, dat het u aanleiding en stof gaf tot bidden en geloovig pleiten voor den troon Zijner genade, wees dan voldaan en dank God er voor.
Vele menschen zijn geneigd, meer gewicht te leggen op de gevoelige kracht en den zoeten invloed, waarmede de belofte aan hunnen geest vertegenwoordigd wordt, dan op de belofte zelve ; en wanneer dan die kracht en invloed wordt teruggehouden, dan is hun geloof te zoeken, en dan kunnen zij niet op het bloote Woord van God, afgaan. Deze gesteldheid in eenige Godvruchtige zielen is voornamelijk toe te schrijven aan de treurige overblijfselen eener wettische gemoedsgestalte, welke hen den grond van hun geloof en hoop, meer in zichzelven en in hetgeen door hen verricht of in hen gewerkt wordt doet zoeken, dan door af te zien van zichzelven, en geloovig te beschouwen, wat de Heere in zichzelven is, en wat Hij voor hen gedaan en tot hen gesproken heeft. Het geloof is dan sterk, wanneer het kan leven op eene bloote belofte zonder hulp van het gevoel.
O mejuffrouw ! mocht gij en wij allen veel trachten te steunen op een belovenden God en staat maken op Zijne onwankelbare trouw, dan zouden wij op Zijnen tijd , Hem bevinden een volbrengend God, die 't hart niet zal van troost verstoken laten. Zoek rust, niet in de stroomen van heil en troost, welke van Hem afvlieten en die verscheidene wisselingen kunnen ondergaan, maar — in Hem, de Hoofdbron, die altijd dezelfde blijft. Doch ik vrees dat ik mij reeds te ver heb uitgelaten ; verlangt gij eenige nadere opheldering, doe mij zulks door een letter weten. Ik heb in het minst niet getracht u te vleien, ik had er ook in het minst geen verzoeking toe, naardien uw persoon mij niet verder bekend is, dan uit uwen brief. Vindt gij het goed, mij uwen uitwendigen staat of omstandigheid te doen weten, of die hoog of laag zij, het zal mij aangenaam zijn ; ik zal wenschen bekwaam te mogen zijn aan uwe geestelijke belangen , eenigen dienst te doen ; en indien hetgeen ik geschreven heb, u op eenigerlei wijze nuttig wezen mocht, of gepast naar den toestand van uw gemoed, waaromtrent gij schreeft : het zal mij aangenaam zijn van u te mogen vernemen dat gij dezen brief ontvangen hebt.
De Heere zegene al Zijne genademiddelen en make uwe ziel voorspoedig.
Mejuffrouw, Uw ootmoedige dienaar in Christus,
Dunfermline, 19 Januari 1742.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 januari 1931

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Over geloofsverzekerdheid.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 januari 1931

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

PDF Bekijken