Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

GEESTELIJKE OPBUW

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

GEESTELIJKE OPBUW

De christelijke ethiek

5 minuten leestijd

De Evolutie-leer zegt, dat het wezen van den mensch niet gelegen is in hetgeen hij was, krachtens Gods scheppingsdaad, maar in hetgeen Hij in eindelooze ontwikkeling door eigen krachtsinspanning worden kon. Het Paradijs wordt op die manier uit het begin der geschiedenis weggenometi en in een verre toekomst, aan het eind der evolutionistische cultuur gelegd. De mensch heeft zich uit een toestand van ruwe dierlijkheid tot dien van edele menschelijkheid, van humaniteit, opgehe­ven en in dien weg ligt de voortgang tot de volmaking van den Konings-mensch, den „Ueber-mensch".
De Heilige Schrift stelt zich lijnrecht tegenover de leer der Evolutie en de Christelijike Kerken hebben ook de naturalistische, pelagiaansche opvatting van het beeld Gods en van 's menschen oorspronkelijke toestand eenparig verworpen Elk bewijs ontbreekt dan ook trouwens, dat de volkeren uit een dierlijken toestand zich hebben ontwikkeld. De cultuur in China, Indië, Babylonië, Egypte enz., wijst veeleer op het tegendeel. En veeleer is 't aannemelijk, dat de z.g.n. natuurvolken — de onbeschaafde heidenvolken — allengs vervallen zijn tot een staat van barbaarschheid, dan dat deze volkeren 't dichtst bij den eersten mensch staan. Zij dragen allen het karakter van gedegenereerden, die, evenals takken afgescheurd van den boom, zonder nieuwe levenskracht van buiten, wegkwijnen, versterven en vergaan.
Zijn er nu al, die de geschiedenis des menschen met een dierlijken, barbaarschen toestand laten beginnen, de meesten schrikken er toch voor terug om het consequent door te trekken. Leven, bewustzijn, taal, godsdienst, zedelijkheid (uitkomend in het onderscheiden van goed en kwaad, waar en onwaar, enz.), zijn niet uit evolutie te verklaren, maar onderstellen een eigen oorsprong, eene schepping door hooger hand.
Zelfs in de theologie der Modernisten komt dit uit. Wel ontkennen zij de schepping naar Gods beeld en den staat der rechtheid, en het Paradijs-verhaal wordt gedégradeerd tot legende, mythe, symbolische inkleeding van idee, enz., maar als het op het kritiekste aankomt, dan duikt eensklaps het denkbeeld van scheppjng op. Het bewustzijn is iets specifieks menschelijks. Zeker is ook de godsdienst iets, dat alleen den mensch eigen is en een eigen oorspronkelijk principe in den mensch heeft Of, indien ook hier de Evolutie wordt aanvaard, dan leert men toch dat het ethische een zelfstandig iets is in den mensch. Dan zegt men toch, dat het zedelijk leven of de zedelijike aanleg een eigen aard en eigen oorsprong heeft.
Zoo blijft men dan hangen tusschen evolutie en schepping en men treft telkens een beschouwing, die door allerlei pelagiaansche elementen — ook in de Christelijke Kerken — beheerscht wordt en bedorven. Zoowel tegen de Schepping heeft men bezwaar als tegen de evolutie, zonder meer, en dan neemt men maar een bemiddelings-standpunt in. De eerste mensch was geen dier, maar ook geen volmaakt, heilig mensch. Hij was een onschuldig kind. Hij was noch positief goed, noch positief boos, maar stond tusschen beide in, was zedelijk indifferent, kon naar alle kanten uit, zoowel het eene als het andere kon hij doen en worden, zonder dat hij eigenlijk iets was. De aanleg, het kunnen, is door schepping(? ) ontstaan, maar al wat nu op dien grondslag van „kunnen"' wordt opgetrokken, is 's menschen eigen wil en werk. En „oefening baart kunst", „goed voorgaan, doet goed volgen".
Gods Woord leert ons, van de eerste bladzijde tot de laatste bladzijde genomen, heel iets anders en spreekt van veel positiever, veel heerlijker — ook van vreeselijke dingen, in gerechtigheid.
De mensch was geen kind, maar 't waren volwassen, welbewuste en vrij handelende wezens, die naar Gods beeld geschapen waren, met ware kennis, gerechtigheid en heiligheid. Alles wijst op dat volle, heerlijike, positieve, reëele dat in dat beeld Gods gegeven is aan Adam en Eva, onze eerste voorouders in het Paradijs.
De Heere getuigt Zelf : „laat Ons menschen maken, naar Ons beeld en Onze gelijkenis" ; en daarna zegt de Almachtige : „En ziet, het was zéér goed".
Zoo staat de mensch met ware kennis, gerechtigheid en heiligheid tusschen al het geschapene, kent en doorschouwt Gods werken, geeft de dieren namen, draagt den zegen der vermenigvuldiging, met de wet der vruchtbaarheid, in zich, ontvangt door Gods aanspraak de bijzondere openbaring van het proefgebod, met belofte van het eeuwig, zalig leven voor zichzelf en al z'n nakomelingen ; ontvangt ook de toedreiging van de straf met den eeuwigen dood. En dat alles wijst er op, gelijk ook de wijze der verzoeking, waarin Satan tot Eva komt, met de houding welke man en vrouw aannemen na den val, — dat de mensch positief goed is geschapen, met kennis, gerechtigheid en heiligheid. Hij was niet in een armelijken, hulpbehoevenden toestand, tusschen goed en kwaad, tusschen weten en niet weten, waaruit de mensch zich dan moest opwerken in een betere richting. Neen, hij was in een richting, hij was in een toestand, hij was goed, hij: was heilig.
Men mag den mensch niet van allen intellectueelen en ethischen inhoud berooven. Men mag niet loochenen, dat de mensch met heiligheid - was begiftigd.
Wie aan de schepping vasthoudt, kan tegen de leer van de oorspronkelijke gerechtigheid en den staat der rechtheid des menschen principieel geen bezwaar hebben ; noch tegen het hebben van Gods beeld en het bezitten van kennis, gerechtigheid en heiligheid. In de schepping is door scheppingsdaad deze positieve inhoud gegeven. En het is onredelijk den geschapen mensch zich voor te stellen als beelddrager Gods, die niets van dien God ontvangen heeft, zonder bepaalde hoedanigheden van verstand en wil ; zijnde een persoonlijkheid zonder karakter, zonder neiging ter eener of ter anderer zijde.
Dat is eenvoudig een onmogelijkheid.

(Wordt voortgezet).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 maart 1931

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

GEESTELIJKE OPBUW

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 maart 1931

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

PDF Bekijken