Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

GEESTELIJKE OPBOUW

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

GEESTELIJKE OPBOUW

Christelijke Ethiek

8 minuten leestijd

Op alles staat het merkteeken Gods. Alles is door Hem voortgebracht en alles heeft van Hem een eigen aard, een eigen wezen, een eigen leven, met eigen levenswetten ontvangen. De visschen net zoo goed als de vogels. De planeten net zoo goed als de zeeën en de rivieren. En heel interessant is het het leven der dieren te bestudeeren of den loop der sterren na te gaan. Sterrenkunde, zoowel als dier-en plantkunde is een prachtstudie. En ieder die een aquarium of visschenverzameling heeft, een terrarium of ook een planetarium, zal menig uurtje graag besteden, om zich van alles op de hoogte te stellen en alles zoo goed mogelijk te leeren kennen, alles naar z'n aard.
Daar kan men dus ook van levensstudie, van levensleer spreken. Levensleer ten opzichte van de dieren (biologie), levensleer ten opzichte van de planten (want elke bloem en elke plant moet weer afzonderlijk gekend en behandeld en verzorgd worden, een cactus is geen roos), maar bij dit alles is toch geen sprake van Ethiek. Want in die levenssferen is geen sprake van „leer van het zedelijke", wat de Ethiek juist is.
Daarom kunnen we zeggen : de Ethiek is levensleer, maar dan de leer van het zedelijke leven en laat zich in met het leven des menschen. Niet met het planetenstelsel en de natuurwetten ; niet met de dierenwereld, waarbij sprake is van instinct en dressuur. Niet met het vallen van een steen naar den eisch van de wet der zwaartekracht laat de Ethiek zich in, omdat hier van wilskeuze en van zedelijkheid geen sprake is, wel van natuurnoodwendigheid bij het onbewuste leven. Voor de Ethiek geldt alleen als object of voorwerp van studie en behandeling : de mensch als redelijk-zedelijk schepsel, bij wien het wilsleven in het centrum staat. Daarom gaat de Ethiek b.v. ook niet over den bewusteloozen mensch, over den abnormalen mensch wiens geestesleven gebroken of gekrenkt is — maar over het leven des menschen onder de gewone, normale omstandigheden ; om daar te handelen over de levensbeginselen, de levenswetten, de levensfuncties des menschen, met de normen van het zedelijke, ter onderscheiding van goed en kwaad enz.
Daarom is de Ethiek een wetenschap van beginselen; en wel van levensbeginselen voor het leven van alle menschen, jongen en ouden, mannen en vrouwen, rijken en armen, geleerden en eenvoudigen enz. De Ethiek is een principieel-theoretische wetenschap, om aan te geven de levensbeginselen en de zedelijke normen onder alle omstandigheden van het leven des menschen en met het oog op al de levensfuncties en levensterreinen, waar de mensch mee te doen krijgt; maar dan wil de Ethiek niet louter principieel-theoretisch zijn, met theoretische uiteenzettingen en bespiegelingen, want haar taak is niet minder om practische wetenschap te zijn, met toepassing van de levensbeginselen voor de Practijk des levens, zooals die zich altijd en overal aan den mensch voordoet. De Ethiek wil leeren, dat we aan beginselen en theorieën tenslotte niet genoeg hebben, omdat het altijd weer de vraag is, hoe we in de practijk des levens ons moeten gedragen tot eere Gods en tot heil van den naaste en tot zegen van ons zelf.
De Ethiek is theoretisch en practisch tegelijk, principieel in alles, maar met het oog op de toepassing in het leven.
Daarom is de Ethiek beschrijvend van aard, om te onderzoeken en mee te deelen Wat de levensbeginselen en levensgewoonten in andere tijden en bij andere volkeren zijn en zijn geweest (de Ethiek is daarom een historische wetenschap), maar daarbij :  laat de Ethiek het dan niet, om enkel en alleen ons historisch te oriënteeren en ons allerlei te beschrijven. Want de Ethiek wil immers ons dienen om zelf de levensbeginselen te vinden en te kennen, met keuze van het goede en verwerping van het kwade, en daarom beoordeelt de Ethiek de levensbeginselen en levensgewoonten en zedelijke normen van de onderscheidene primitieve natuurvolken, zoo goed als van de cultuurvolken van den ouden en van den nieuwen tijd (normatieve wetenschap), met afkeuring van wat verkeerd is en aanprijzing van 't geen goed is. Daarbij moet de Ethiek wetenschappelijk te werk gaan.
Nu kunnen we ook best begrijpen, dat de Ethiek niet een wetenschap van den laatsten tijd is, hoewel zij nu wel veel meer beoefening vindt dan voorheen. Want altijd is er een leven der menschen geweest, waarbij bepaalde overtuiging en inzicht en gewoonte een rol speelde. Altijd is er een leven der menschheid geweest en altijd is dat door bepaalde gezindheid, door bepaalde beginselen en wetten beheerscht, juist omdat het leven der menschen altijd een bewust, zedelijk leven is geweest, hoe verschillend de aanblik van het leven onder de primitieve natuurvolken en de cultuurvolken van den ouden en van den nieuwen tijd dan ook mag wezen. Daarom kan het ons niet verwonderen, dat men van de vroegste tijden af zich heeft bezig gehouden met de levensleer en dat men daarbij theoretisch-practisch is te werk gegaan, beschrijvend en beoordeelend, al naar mate het standpunt was, waarop men als mensch, als volk, stond.
Overal en altijd heeft men nagedacht over vragen : wat goed en wat kwaad is ? Overal en altijd heeft men gevraagd : wat is des menschen hoogste geluk en hoe kan de mensch 't best dat hoogste geluk bereiken en deelachtig worden ; wat moet hij daarvoor doen en wat moet hij daarvoor laten ? Zoodat het levensdoel, de levensbestemming, de levenstaak, de levensweg, de levenspractijken en het levensgeluk voorwerpen van aanhoudend onderzoek en voortdurende beschouwing waren, van de vroegste tijden af, tot op dit oogenblik toe. Die met het Boeddhisme kennis maakt bemerkt dadelijk: daar hebben we een eigensoortige levensleer ! Want het Boeddhisme is eigenlijk geen godsdienst. Het Boeddhisme kent geen God noch goden, 't Boeddhisme is een denken over het leven, over de waarde des levens, over den gang van het leven, over het doel van het leven en het Boeddhisme heeft getracht uiteen te zetten : hoe de mensch leven moet, om het hoogste geluk te bereiken, om een gelukkig mensch te worden ; en dat is dan volgens het Boeddhisme om zóó genoeg van het leven te krijgen en zóó los van het leven te komen staan, dat er geen enkele levensbegeerte meer overblijft om dan op te gaan in het eeuwig niet-leven, het Nirwana. En volgens het Boeddhisme is de mensch te dom, om dat te leeren in één levensgang en in één levensperiode, waarom de mensch, volgens de leer van de reïncarnatie, meer dan éénmaal den levensgang hier beneden maken moet (zijn geest moet telkens weer in het vleesch terugkomen : re-incarnatie). Maar als de mensch, die, volgens de leer van het Karma altijd weer z'n verdiende loon krijgt, dan eindelijk zóó wijs is geworden (Boeddha beteekent wijsheid), dat hij zich niet meer door het leven laat bedriegen en door de levensbegeerten laat vangen, om boven het leven verheven te zijn, dan gaat de mensch over in het eeuwig niet-zijn (het Nirwana, een soort Boeddhistische hemel, waarin gelukkig voor den mensch geen „leven" meer bestaat; want „leven" is wel het allervreeselijkste dat er voor den Boeddhist bestaat; terwijl hij toch niet als zelfmoordenaar zich van het leven mag berooven, maar in den weg der wijsheid boven hét leven verheven moet worden).
Dat is levensleer. Een levensleer, die tegelijk verlossingsleer is ; en de wijsheid van de zelf-verlossing brengt, om in een weg te komen die leidt tot het hoogste levens-geluk.
Dat hierbij de zetel van het kwaad en van de ellende op een verkeerde plaats gezocht wordt en dat verkeerde middelen gezocht worden, om van het vleesch en van het leven bevrijd te worden, springt dadelijk voor ons in 't oog. Maar dat doet niets af van de zaak, dat het Boeddhisme in den grond niets anders is dan Ethiek, levensleer, om den mensch bij te brengen de beginselen, die voor den mensch voeren tot het hoogste geluk. De „Dogmatiek" van de Boeddhisten beheerscht natuurlijk ook weer hun „Ethiek". Zooals hun wereld-en levensbeschouwing is, zoo is ook hun Ethiek. Zooals zij God en mensch zien (of niet zien) zoo is hun Ethiek.
De Ethiek gaat altijd uit van een bepaald beginsel en de theologie van den mensch speelt natuurlijk een groote rol. De theologie — hoe hij God beschouwt — maar niet minder zijn anthropologie — hoe hij den mensch beschouwt.
De Ethiek is afhankelijk van onze levens-en wereldbeschouwing; van onze geloofs-of ongeloofsovertuiging. En zoo krijgen we weer, dat Dogmatiek en Ethiek op 't nauwst met elkaar verbonden zijn en dat onze Ethiek beheerscht wordt door onze Dogmatiek — 't zij we Boeddhist, Mohammedaan, Jood of Christen sijn.

(Wordt voortgezet).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 juli 1931

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

GEESTELIJKE OPBOUW

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 juli 1931

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

PDF Bekijken