Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

10 minuten leestijd

DE CHRISTELIJKE VRIJHEID.
Door de verschijning van het tweede deel van de Institutie van Calvijn, zijn we weer eens aan 't lezen gegaan van dit zeldzaam mooie werk van den grooten Hervormer, dat niet alleen anti-Roomsch is, maar ook anti-Humanistisch. Het is geenszins, dat in den ideaal-mensch het steunpunt gezocht wordt. Calvijn weet alleen van den weg des geloofs en handelt over den wedergeboren mensch, die in Christus een nieuw schepsel is.
Zoo geeft hij ook een hoofdstuk over „De Christelijke Vrijheid" (hoofdstuk XIX). We willen er hier iets van afschrijven :
Onze gewetens mogen niet in onzekerheid verkeeren en in vreeze wandelen. We moeten als geloovigen in de vrijheid staan, dat geenszins losbandigheid beteekent. We mogen geen vreemd juk aantrekken. Staat dan in de vrijheid ! Om zoo in de waarheid van het Evangelie te wandelen en inwendigen vrede te kennen. Drie stukken moeten we voor oogen stellen :
1. De gewetens der geloovigen moeten zich in het stuk der rechtvaardigmaking voor God, boven de Wet verheffen en van de wet vrij gevoelen. Ze moeten alleen de barmhartigheid Gods omhelzen ; alleen op Christus zien. Toch is de wet geenszins overtollig voor de geloovigen, maar de regel der dankbaarheid en tot heiligmaking en godzaligheid nuttig.
Deze materie behandelt Paulus vooral in den brief aan de Galatiërs, waar hij niet alleen vrijheid van de wet der ceremoniën bedoelt, Gal. 3 vs. 13 ; 5 vs. 1 enz.
Niet door eenig werk der wet, veel minder door die heilige eerste beginselen der ceremoniën, is de gerechtigheid voor God te verkrijgen.
2. De gewetens der geloovigen moeten niet als uit nooddwang, maar uit vrijwillige vanzelfheid, Gods wil betrachten. Niet als knechten In slavendienst, maar als kinderen in liefdedienst. En alzoo ook niet twijfelen of hunne gebrekkige gehoorzaamheid behaagt den Heere, wijl Hij hen niet oordeelt naar den strengen maatstaf der wet, maar in Christus met een Vaderlijk oog hen aanschouwt en hunne werken aanneemt. Alleen in dit gevoelen zullen wij blijmoedig Gods wil betrachten, ofschoon wij weten, dat wij op verre na niet tot de volmaaktheid kunnen komen. Wij leveren geen knechtswerk, maar kinderwerk, en behooren vast te vertrouwen, dat de blijken onzer gehoorzaamheid onzen allergoedertierensten Vader aangenaam zullen zijn, hoe gering en onvolkomen ook. Mal. 3 vers 17 : „En zij zullen, zegt de HEERE der heirscharen, te dien dage dien Ik maken zal. Mij een eigendom zijn-. En Ik zal ze sparen, gelijk een man zijn zoon, die hem dient, spaart". Ook zullen wij dan alleen tot Gods eere werken, als wij van de verschrikkingen der wet bevrijd zijn. Voorts bespreekt Calvijn in dit verband nog Hebr. 11 vers 2, Rom. 6 vers 14 . „niet onder de wet, maar onder de genade".
3. In uitwendige dingen, die op zich zelven middelmatig zijn, zijn wij niet in consciëntie voor God verbonden, zoodat wij die nu eens doen, dan weer laten mogen. Hier heeft men wel te waken, want anders kan er geen rust voor onze consciëntie zijn en komt er geen eind aan allerlei bijgeloovigheden.
Ten slotte kan men op die manier over geen stroospier meer henen komen.
In Rom. 14 vers 14 plaatst Paulus alle uitwendige dingen onder onze vrijheid, zoo slechts onze gemoederen voor God van die vrijheid verzekerd zijn. Maar indien eenige bij geloovige meening ons bezwaart, wordt de rust benomen en zoo worden ze ons onrein. Zullen wij die dingen dus gebruiken met hartelijke dankzegging (vers 22, 23), dan moet ons geweten die vrijheid gevoelen. Anders zijn ze ons tot zonde.
De Christelijke vrijheid is in al haar deelen een geestelijke zaak, welker gansche kracht gelegen is in de bevrediging der bevreesde gewetens voor God. Onze bezwaarde harten moeten we telkens tot Hem opheffen, om in Christus Jezus rust en vrede te ontvangen.
Alzoo doen zij verkeerd, die deze vrijheid als een vrijbrief voor allerlei ongebondenheid en wellust gebruiken. Ook doen zij verkeerd, die meenen, dat zij altijd openlijk voor de menschen hun vrijheid moeten toonen en alzoo geen acht slaan op de zwakke broeders.
Wat het eerste, n.l. ongebondenheid en wellust betreft, Calvijn klaagt over de weelde en opschik van zijn tijd en stelt een middelmatig gebruik tegenover een overdadig gebruik der gaven Gods. Waarbij hij aanhaalt: Tit. 1 vers 15, Luk 9 vers 24, Num. 6 vers 1, Jes. 5 vers 8. Dit geldt niet alleen voor de rijken, maar ook voor geringeren, opdat zij niet onder den dekmantel van „Christelijke vrijheid" boven hun stand leven. Ieder in het land leve naar zijn stand en zij daarin vergenoegd. Fil. 4 vers 12.
Wat het onder twee bedoelde aangaat: Velen ergeren de zwakke broeders dikwijls door een ontijdig gebruik der vrijheid. Soms gebruiken, soms onthouden is de veilige weg, waarbij ons geweten ons van de vrijheid voor God bewust zij. Dan kunnen wij met een vrij geweten iets doen, en met een vrij geweten datzelfde nalaten om der broederen wil. De zwakken zijn ons door den Heere bizonder aanbevolen, dat wij hun geen ergernis geven.
Voor de stuursche gemoederen en de farizeesche verwaandheid — zegt Calvijn — behoeven we niet te wijken. Zulke menschen nemen ergernis, ook als geen ergernis wordt gegeven. Calvijn haalt hier bij aan Matth. 15 vers 14 : „Laat ze varen, zij zijn blinde leidslieden" enz. Voor de zwakken moeten we eerbied hebben en we moeten ze niet ergeren door een ontijdig gebruik der vrijheid, hoewel we tot de vrijheid recht hebben. Vrede met God hebbende, moeten we ook vreedzaam onder de menschen leven, Rom. 14 vers 1, 13 ; 15 vers 1 ; 1 Cor. 3 vers 9 ; 10 vers 25 ; Gal. 5 vers 13 enz.
Maar wie moeten wij voor zwakken, en wie moeten wij voor Farizeën houden ? Of anders gezegd : wanneer moeten wij onze vrijheid matigen, wanneer haar gebruiken, zonder ons over de ergernissen te bekommeren ?
Voorbeeld van Paulus : Hand. 16 vers 3, waar Timotheüs besneden wordt om der Joden wil. Waarbij moet worden vergeleken 1 Cor. 19 vers 19, 22 : „Want daar ik van allen vrij was, heb ik mij zelven allen dienstbaar gemaakt, opdat ik er meer zoude winnen — ik ben den zwakken geworden als een zwakke, opdat ik de zwakken winnen zou".
Maar met dien zelfden Paulus staat het anders als hij komt te staan tegenover eigenwijze, stuursche gemoederen en farizeesche verwaandheid; zooals blijkt uit Gal. 2 vers 3 : „Maar ook Titus, die met mij was, een Griek zijnde, werd niet genoodzaakt zich te laten besnijden. En dat om der ingekropene valsche broederen wil, die van terzijde ingekomen waren om te verspieden onze vrijheid, die wij in Christus Jezus hebben, opdat zij ons tot dienstbaarheid zouden brengen".
Medelijden moeten we hebben met de zwakke, teere zielen, die weifelen. Maar betweters en eigengerechtigen die alles zoo goed weten en over ons willen heerschen, moeten we in Christus Jezus in het aangezicht weerstaan.
We moeten dus vragen : wat is 't meest nuttig voor den naaste. Kunnen wij hem dienen en helpen, dan moeten wij 't doen. Maar als wij hem van de gerechtigheid in Christus en van de ware vrijheid zouden afbrengen, dan moeten we hem wederstaan, Gal. 2 vers 3. Daarbij moeten we waken geen haarbreed af te wijken van 't gebod Gods of de zuivere leer te krenken. Niet het vleesch mag over ons heerschen, maar de Geest.
Zijn de geloovige gewetens dus vrij en door geenerlei strikken van alleiiei onderhoudingen gebonden in die dingen, waarin de Heere gewild heeft dat zij vrij zouden zijn — dan zijn we ook vrijgemaakt van de macht der menschen. Christus heeft deze vrijheid voor een duren prijs verworven, Gal. 5 vers 1, 4 : „Staat dan in de vrijheid, niet welke ons Christus heeft vrijgemaakt en wordt niet wederom met het juk der dienstbaarheid bevangen — Christus is u ijdel geworden".
Maar — zoo vraagt men dan — wordt zoodoende niet alle eerbied en alle gehoorzaamheid onder de menschen weggenomen ?
Geenszins. Want waar de menschen niet over ons mogen heerschen is het ook geen ongehoorzaamheid of oneerbiedigheid, indien we spreken van den wil Gods en onze vrijheid in Christus. De Christelijke vrijheid geldt geenszins de burgerlijke overheid, om haar in haar bestuur en regeering ongehoorzaam te zijn. Integendeel. Een Christen „vreest God en eert den Koning". Maar het is om als Christen niet te komen — geestelijk genomen — onder het juk der dienstbaarheid des vleesches.
De Overheid mag den onderdaan geen geweld aandoen wat z'n geweten betreft, Rom. 13 vers 1 enz.
Het geweten is iets tusschen God en den mensch, dat ons geenszins ongehoorzaamheid leert aan de wettige Overheid, maar dat ons toch ook telkens voor de vierschaar Gods trekt, waar we leeren : Gode meer gehoorzaam te zijn dan den menschen.
Maar dan moet het ook zijn Gode gehoorzaam te willen zijn, in de vreeze Zijns Naams.

DE ZUIDELIJKE PROVINCIES N.-BRABANT EN LIMBURG. 2)
De Limburgers stellen zich op in gevechtshouding, met de leuze : Limburg voor de Limburgers. En men rekent het toenemen van het getal Protestanten een gevaar voor de bevolking van Limburg.
Eensdeels kunnen we dat begrijpen. Wie zijn die „Protestanten" voor een deel ? Want „Protestanten" is veelal een verzamelnaam voor niet-Roomschen of anti-Roomschen of ongeloovigen, niet zelden Socialisten, Communisten enz.; voor ongeloovigen en revolutionairen, die de Roomsche bevolking mee afvallig trachten te maken van de Roomsche Kerk niet alleen, maar óok afvallig van de wettige Overheid, van Oranje, van het Vaderland, van den patroon enz. enz. Want vooral het roode-gevaar dreigt in het Zuiden met de leuze : „geen God, geen meester" ; met de omzetting van de moraal, van het huiselijk leven, van het huwelijksleven enz.
Wij zouden liefst bij den naam Protestant blijven denken aan de oorspronkelijke historische, echte beteekenis. En dan zijn het menschen, die voor God buigen en Gods Woord erkennen als richtsnoer voor geloof en leven ; die hun consciëntie gevangen hebben gegeven aan Gods Wet en Waarheid en dan niet tegen hun consciëntie, onderwezen door Gods Geest, wenschen te handelen. Zooals Luther, zooals de Protestantsche Evangelische Vorsten. Dus menschen die God vrij willen dienen naar Zijn Wet en Getuigenis. Menschen die hun levenselement vinden in den dienst des Heeren op elk terrein des levens, in de Kerk, in het gezin, in de school, in de maatschappij, in den Staat. Godsdienstige menschen, die in gebondenheid aan Gods Woord, lust hebben om God te dienen en naar Zijn geboden te handelen, om Gode tot eer en den naaste tot zegen te handelen en te wandelen. Geen Paus-gebondenen, maar Christus-bevrijden, met lust en liefde om Gods geboden te houden en het aardsche leven Gode te wijden, verwachtende de komst van Gods Koninkrijk. Menschen, die het leven aan deze zijde van het graf Gode willen heiligen en verwachtende het leven 9.an gene zijde van het graf.
Dus geen „losbandigen", die den band aan God, aan Zijn Woord, aan Zijn dienst hebben doorgesneden, om nu naar de natuur, of naar den lust des vleesches, of naar de wijsheid van eigen verstand te leven. Neen, juist vrijgemaakten van den dienst der wereld en der zonde, Gode gekocht door het bloed van Christus, om in nieuwe gehoorzaamheid te wandelen. Zooals Luther, Zwingli, Calvijn en zoovele anderen.
Protestanten en Calvinisten zijn woorden en namen, die voor de Limburgers zoo'n eigenaardigen klank hebben en ze worden daarin gesterkt door hun leidslieden — — waarbij de „revolutionairen", de „roeden", die ook „protestant" heeten, de verkeerde indrukken versterken soms.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 oktober 1931

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 oktober 1931

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

PDF Bekijken