Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

MEDITATIE

11 minuten leestijd

Dit geslacht vaart niet uit dan door bidden en vasten. Matth. 17 : 21

GENEZING VAN EEN KRANKE.
Gods volk heeft een strijd op aarde, in dit voorbereidende leven, tegen de woelende machten der duisternis, tegen den duivel, de zonde en de wereld. Onze tegenpartij, de duivel, gaat om als een brieschende leeuw, zoekende wien hij zou mogen verslinden, 2 Petr. 5:8. Doch de Sterkere, de Christus, heeft den sterken vorst dezer wereld overwonnen, opdat wij door de geloofsgemeenschap met den Overwinnaar aan het kruis, door Zijn bloed zouden overwinnen, nu in beginsel en straks in volkomenheid. Och, dat er in onze harten geloof mocht zijn, opdat wij door genade in ons hart en in de wereld overwinnende strijders mogen zijn ter verheerlijking des drieëenigen Gods. Tijdens de omwandeling van den Heere Jezus blijkt telkens het ongeloof des menschen en Zijne Goddelijke, majestueuze overwinningskracht over de duisternis. Dat zien wij ook bij de wondere genezing van een maanzieke, Matth. 17 : 14—21 ; vgl. Mark. 9 : 14—29 en Luk. 9 : 37-43.
Op den berg der verheerlijking werd de Heere Jezus ten aanschouwe van Petrus, Jakobus en Johannes verheerlijkt, 't Was den discipel Petrus in de sfeer der heerlijkheid Gods zóó goed, dat hij daar wel wilde blijven wonen in-een tente om nog langer van de tegenwoordigheid des Heeren te mogen genieten in zijn ziel. Zielsgenietingen zijn echter van korten duur, doch sterken door de werking des Geestes voor de verdere reis door de woestijn van dit leven.
Den volgenden dag, Luk. 9 : 37, kwam de Heere met Zijne drie meestgeliefde jongeren van den berg af naar de andere discipelen en de schare, die samengestroomd was. De discipelen hadden een woordenstrijd met de Schriftgeleerden, omdat zij eenen maanzieken jongeling niet konden genezen. De Schriftgeleerden benuttigden dit geval om de leerlingen aan te vallen en ze voor de schare ten toon te stellen als volgelingen van een valschen Messias. Toen de nood echter op het hoogst gekomen was, kwam de Meester Zijne discipelen ter hulpe : de eere Gods eischte dit.
Nauwelijks is de Heere Jezus bij de schare gearriveerd, of tot Hem komt een mensch uit het volk, valt voor Hem op de knieën en roept met eene bewogen stem uit: Heere ! ontferm U over mijnen zoon ; want hij is maanziek, en is in zwaar lijden; want menigmaal valt hij in het vuur, en menigmaal in het water. En ik heb hem tot Uwe discipelen gebracht, en zij hebben hem niet kunnen genezen.
De discipelen hadden de wondermacht ontvangen, duivelen uit te werpen en kranken te genezen; zij moesten echter tot hunne geestelijke onderwijzing en kleinmaking een sterken indruk opdoen van hunne machteloosheid, opdat zij alleen Gode de eere gaven van de machtige openbaringen Gods en goed zouden verstaan, dat zij zonder den Christus niets vermochten te doen in den strijd tegen de duisternis.
Zoo gaat het telkens met Gods kinderen, die zegeningen uit de hand huns Heeren mogen erlangen. Tot hunne verootmoediging bemerken zij gedurig hun machteloosheid, opdat zij met te meer aandrang in het gebed de hulpe bij hun God zoeken en opdat zij Hem ook leer en eer en in Zijne gunstbewijzen, in Hem eindigen met de zegeningen. Onze God heeft heel wat arbeids om de Zijnen te oefenen in innerlijke kleinheid, ootmoed en afhankelijkheid. Druk, kruis, moeiten, ziekte, teleurstellingen, het doorleven van de onmacht en een steeds diepere blik in onzen verdorven staat, zijn de middelen waardoor wij, zoo wij genade mogen kennen, geoefend worden. Och, dat v/ij door Gods Woord en Geest en door de verootmoedigende ervaringen des levens wat mochten leeren van het sterven en van het leven,
De vader des jongelings buigt de knieën in het belang van zijnen zoon. Dat wij een recht priesterhart mochten bezitten, opdat wij bidders en voorbidders mochten zijn. Ouders, opvoeders, buigt steeds uwe knieën voor uwe kinderen en uwe leerlingen. Dat wij als ambtsdragers ook gestadig onze gemeenten brengen voor des Heeren voeten met schuldbelijdenis en gebed. De duisternis neemt in de wereld en ook in ons volk steeds meer toe. Wij zien, dat er een stroom van zonde en toorn komt over de wereld en ons volk. Alleen de schuldbelijdenis vanwege de zonden van ons en onze vaderen, slechts het gebed en de arbeid van Gods volk kan nog tijdelijk den aanwassenden stroom wat tegenhouden : de stroom komt gewisselijk met de kracht van eene kruiende rivier om als het ware alles mee te sleuren. Dat wij als Daniël, Ezra en Nehemia schuldbelijders mochten zijn, Ezech. 22 : 30: k zocht nu eenen man uit hen, die den muur mocht toemuren, en voor Mijn aangezicht in de bresse staan voor het land, opdat Ik het niet mocht verderven ; maar Ik vond niemand.
De eenige zoon van den smeekeling was er zeer ellendig aan toe : hij was stom, doof vanaf zijne geboorte en leed aan de vallende ziekte ; een onreine geest wierp hem menigmaal in het vuur en in 't water. Ziedaar het beeld van den in Adam gevallen mensch. In den staat der rechtheid hoorde de mensch des Heeren stem, sprak hij tot Zijne eer ; doch nu is de mensch van den duivel bezield, een kind des duivels en stom ; hij spreekt ter eere der duisternis en tot glorie van zich zelven ; hij is doof voor het Woord Gods ; hij ligt door den duivel in het onheilige vuur der zonde ; in de zee der ongerechtigheid en der wereld. Vanaf onze geboorte, want wij zijn in zonden ontvangen en geboren.
En, terwijl de mensch nu in zoo'n schrikkelijken, elléndigen toestand verkeert, is hij onmachtig en onwillig iets anders te zoeken ; ook de discipel des Heeren, die door vrije genade verlost is uit dien toestand in beginsel, is onmachtig zijn medereiziger naar de nimmer eindigende eeuwigheid van den duivel te verlossen. Wat een zegen, dat Jezus nog leeft om Zijne uitverkorenen te bekwamer tijd te helpen.
Jezus, antwoordende, zeide : O, ongeloovig en verkeerd geslacht, hoe lang zal Ik u nog verdragen ? Brengt hem Mij hier. En . Jezus bestrafte hem, en de duivel ging van hem uit, en het kind werd genezen van die ure af.
Op het machtwoord van den Christus moest de duivel zijn prooi loslaten. Zoo is de Heere nog machtig op het gebed van kinderen Gods soms, als het Zijn wil is, wonderlijk van ziekten of van bezetenheid te verlossen. Kranken, beproefden, verdrukten, roept des Heeren Naam aan : Jezus Christus is dezelfde, gisteren, heden en tot in eeuwigheid, Hebr. 13 : 8.
Grooter is echter de geestelijke genezing en verlossing van de duisternis. De gunstgenooten des Heeren worden door de kracht van het bloed van Christus, door vrije genade, van kinderen des duivels en des toorns tot kinderen Gods gemaakt, die mogen opstaan op het machtwoord van Christus uit den dood van' zonden en misdaden tot een nieuw opstandingsleven, dat God verheerlijkt. Geliefden, dat gij bij den aanvang of voortgang de kracht van 't Woord Christi mocht ervaren.
Toen kwamen de discipelen tot Jezus alleen, en zeiden : Waarom hebben wij hem niet kunnen uitwerpen ? En Jezus zeide : Om uws ongeloofs wil; want voorwaar zeg Ik u : Zoo gij een geloof hadt als een mosterdzaad, gij zoudt tot dezen berg zeggen : Ga heen van hier derwaarts ! en hij zal heengaan ; en niets zal u onmogelijk zijn.
Het ongeloof der discipelen was de oorzaak, dat hunne pogingen den duivel uit te werpen faalden. Dit bracht hen tot verootmoediging en leerde hen alles van de almacht Gods te verwachten. Wonderen hebben plaats, zoo de Heere ze noodig oordeelt tot Zijne eere, ter bevestiging van het Woord, tot uitbreiding van het Godsrijk en tot heil der zielen. De apostel Paulus was een man Gods met vele genadegaven versierd, doch hij liet Trofimus te Milete krank achter, 2 Tim. 4 : 20.
Het wondergeloof zonder meer is te weinig met het oog op de reize naar de eeuwigheid. Judas bezat het wondergeloof, doch hij ging verloren. Noodig is het zaligmakende geloof, dat door genade steunt alleen op de gerechtigheid van Christus. De levende kinderen Gods mogen dat geloof als eene gave des hemels ontvangen ; de berg van hunne zonden en schuld wordt door het geloof geworpen in de zee der eeuwige vergetelheid ; bergen van bezwaren, tegenheden, moeiten, kastijdingen, beproevingen, die als zoovele struikelblokken liggen op den levensweg, worden door den Heere weggenomen en geheiligd aan onze zielen, zoo wij in het geloof mogen worden geoefend. De berg van twijfel en bekommering wordt op des Heeren tijd bij treurende, bekommerde zielen weggenomen, zoo het vergund wordt den Christus met het oog des geloofs te aanschouwen als Borg, Hoogepriester, Voorspraak en verheerlijkten Koning en Bruidegom der zielen, die ons den Eersten Persoon als Vader leert kennen.
Gehazi's kracht schiet te kort; Elisa wekt door genade een kind uit den dood op. Predikers en kinderen Gods, die hunne profetische taak verstaan, kunnen den staf van het Woord gebruiken : alleen d è Profeet Christus is machtig geestelijk dooden op te wekken uit den dood van zonden en misdaden tot een God verheerlijkend leven.
Kinderen Gods hebben eenen strijd in 't harte tegen hun ongeloof. De zondenval leert ons, dat het ongeloof een der wortelzonden is : de duivel werd geloofd, de Heere niet. In het hart van een geloovige is éen strijd tusschen het vleeschelijke ik, het centrum van het zondeleven, dat niet gelooft, en het geestelijke ik, het centrum van het genadeleven, dat gelooft. Door de bearbeiding van den Geest des Heeren mag een kind Gods het ongeloof steeds meer als eene zonde gevoelen.
Wat is de weg van het ongeloof, van de duisternis verlost te worden ? Dit geslacht vaart niet uit dan door bidden en vasten. De machten der duisternis, de duivel, de zonde, de wereld, worden alleen uit ons hart uitgebannen door het bidden en vasten. Door het gebed wordt een levend kind Gods met den Heere vereenigd, door het geestelijke vasten worden de banden der zonde, welke ons met de wereld vereenigen, doorgesneden, Jes. 58 : 5—10. Hoe meer wij ons afscheiden in ons hart, door de werking des Geestes, van de wereld, den duivel en de zonde, hoe krachtiger de Geest Gods in onze zielen begint te arbeiden. Johannes de Dooper, de Christus, de apostel Paulus onttrokken zich aan de ijdelheid der wereld, doch gaven zich voor de eeuwige wereld van het Godsrijk. ledere levende ziel leert iets op de genadeschool van het bidden, het uitgieten der ziel voor 's Heeren aangezicht, en van het sterven aan de wereld. Gal. 5 : 24 : Die van Christus zijn, hebben het vleesch gekruist met de bewegingen en begeerlijkheden.
Vrienden, zijt gij al van een kind des duivels een kind Gods geworden ? Van nature liggen wij in den dood, waarom wij den eeuwigen dood waardig zijn; doch in vrije ontferming heeft de Heere in Zijnen eeuwigen vrederaad in den Zone Gods ons een weg ontsloten. Dat gij dan, onbekeerden, ootmoediglijk mocht vragen in het gebed, of de Heere u uit de macht der duisternis wilde verlossen en wilde overbrengen in 't rijk van 't genadelicht. Die bidt, ontvangt. Spoedig is de dood daar; dat er dan een haasten bij u mocht zijn.
Steunt gij op een valschen grond, dat dan door wederbarende genade het geesteslicht van levende genade mocht opgaan voor het kunstlicht van eigengerechtigheid, vorm of deugd. Zijt gij bekommerd, dat het volle heil door 's Heeren Geest door genade, op het gebed in uw hart moge nederdalen. En ten slotte : volk Gods, dat gy mocht begeeren in het gebed, steeds meer verlost te worden van de duisternis, geoefend te worden in het geestelijke sterven, opdat gij Gode ter eere moogt leven. Dat gij dan bij den aanvang of voortgang verlost mocht worden van den duivel, de zonde en de wereld, opdat gij Gode mocht leven, nu in beginsel en in het koninkrijk der heerlijkheid in volkomenheid en tot in eeuwigheid, Amen.

Rijssen.


1) Vgl. Gal. 2 : 20, in : Ds. A. van Willigen, Een drietal preeken ; bij den Maassluisschen Boekhandel en Drukkerij, Markt 9, Maassluis ; 60 cents.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 oktober 1931

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 oktober 1931

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

PDF Bekijken