Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

GEESTELIJKE OPBOUW

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

GEESTELIJKE OPBOUW

Het spiritisme

5 minuten leestijd

HET SPIRITISME (9)
Hebben de geesten der afgestorvenen nog contact met de aarde en met de levenden hier aan deze zijde van het graf ?
Zeer oud is het geloof, dat na het sterven er nog een rapport blijft bestaan tusschen de ziel (de geest) en het lichaam. De Egyptenaren leerden, dat de zielen (de geesten) na den dood in de nabijheid van het graf bleven ; en hoe langer het lichaam kon worden bewaard voor ontbinding, zooveel te langer bleef ook de geest van den gestorvene bij het graf.
Bekend is, dat men veelal bij de oude heidensche volken aan den doode voedsel, kleeding, bezittingen, wapenen, schatten meegaf en er zijn Schriftverklaarders, die zeggen, dat de toovenares te Endor daarom den geest van Samuel nog oproepen kon, en dat deze nog altijd na het sterven om het lijk zweven bleef. (We komen op die geschiedenis van Endor nog nader terug).
Aan de hand van de Schrift willen wij van een zoodanig rapport tusschen de ziel en het lichaam van den gestorvene, niet weten. Hoewel we niet moeten vergeten, dat, naar uitwijzen van de Schrift, de ziel des menschen na den dood wachtende is op het lichaam, dat straks, in de groote opstanding — „de opstanding des vleesches", waarvan ook in de Apostolische geloofsbelijdenis sprake is — zal worden opgewekt en met de ziel zal worden vereenigd, tot een eeuwig zalig leven in eeuwige volkomenheid en heerlijkheid, öf tot een eeuwig bestaan in Godverlatenheid, duisternis en vloek. Gelijk heel de schepping wachtend is — gansch het schepsel zucht en is in een toestand om een nieuwe geboorte toe te bereiden — op de volle ontplooiing van het Rijk Gods, wanneer heel de schepping weer wentelen zal om de gouden spil, zóó moet ook de ziel haar diepe heimwee kennen, om weer met het lichaam vereenigd te zijn. De zielen der afgestorvenen zijn de zaligheid nog niet deelachtig in haar complete volheid. We moeten het ons daarom niet zóó voorstellen, dat de ziel na den dood geen lichaam meer behoeft of naar geen lichaam meer zou vragen. Evenmin als de ziel, is ook het lichaam onsterfelijk. En God, die Zijn schepping niet zal vernietigen, maar wel louteren, zal ook het lichaam des menschen niet vernietigen, maar zal het bewaren voor de eeuwigheid. Het natuurlijke staat hier niet vijandig tegenover het geestelijke, het lichaam staat niet lijnrecht tegenover de ziel, zoodat het lichaam zou vernietigd worden en de ziel voor de eeuwigheid bewaard. Neen, óók het lichaam zal de eeuwigheid beërven, 't zij met een eeuwige zaligheid, hetzij met een eeuwige rampzaligheid. De beide terreinen van natuur en genade zijn wel onderscheiden, maar mogen niet gescheiden worden. En met de Doopersche beschouwing, die met minachting neerziet op het natuurlijke, mogen we niet meegaan. De afgescheiden ziel zal dan ook verlangen naar het lichaam, dat straks, op 't geluid van de bazuin, in den jongsten dag, zal worden opgewekt, als op 't machtwoord van Hem, die den dood heeft overwonnen en triumfantelijk uit het graf is te voorschijn getreden, de graven zullen worden geopend.
Het „geestelijk lichaam", waarvan Paulus spreekt, moet daarom niet zóó vergeestelijkt worden — met minachting van de natuur — dat er niets van het lichaam, waarin we geleefd hebben, overblijft, want dan moeten we óók schrappen het artikel van de aloude Apostolische geloofsbelijdenis, waarin ons ongetwijfeld christelijk geloof beleden wordt: „ik geloof de opstanding des vleesches". Dan moeten we het aandurven om te zeggen : „ik geloof, dat het natuurlijk lichaam vernietigd wordt en verdwijnt — en dat er van het vleesch niets bewaard blijft — en dat er een ander, geestelijk lichaam geschapen wordt".
Het „natuurlijk lichaam" is — zie ook de Kantteekeningen van onze Staten-Vertaling — het lichaam, dat van de ziel bewogen wordt hier op aarde en aan de zondige natuur onderworpen is, terwijl straks, , in de opstanding het verheerlijkt lichaam door geen lagere driften of neigingen meer zal worden beheerscht, maar geheel door den Geest des Heeren zal doordrongen zijn, gekomen tot de volmaakte en eeuwige heerlijkheid, welke aan den paradijs-mensch, vóór den zondeval, reeds beloofd was. Dan zal aanschouwd worden in de eeuwigheid — door den dood heen en door de opstanding heen — dat de Heere bedoeld heeft onze lichamen te maken tot tempelen des Heiligen Geestes, en ziel en lichaam zullen, vereenigd in heerlijkheid. God eeuwig lieven en loven.
Vandaar dan ook, dat de Heilige Schrift leert dat de gezaligden aan het verheerlijkt lichaam van Christus zullen gelijk wezen ; en de Heidelbergsche Catechismus leert, dat de eenige troost in leven en sterven ook daarin is gegeven, dat we weten, dat we naar lichaam en ziel het eigendom van Christus zijn.
Genoeg dus, om te laten uitkomen dat de afgescheiden ziel nooit het rapport met het lichaam totaal kwijt is, maar dat de ziele van den afgestorvene de ure der hereeniging van lichaam en ziel verbeidt.
Hebben we dat niet dikwijls te veel ver­geten ?
Wordt voortgezet).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 januari 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

GEESTELIJKE OPBOUW

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 januari 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

PDF Bekijken