Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

KERKELIJKE RONDSCHOUW

14 minuten leestijd

HET PERFECTIONISME.
Dat vreemde woord Perfectionisme kunnen we wel vertalen met het Nederlandschè woord : de volmaaktheidsleer. En omdat den laatsten tijd — zij het op een allerongelukkigste manier — dat Perfectionisme of dat spreken over de volmaaktheidsleer ook in onze Hervormde Kerk door ds. Hupkes van Zwaagwestelnde weer naar voren is gebracht, willen
we er hier iets van zeggen.
Er zijn menschen, die zeggen : de geloovigen zijn nieuwe schepselen; alles is In Christus nieuw gemaakt voor hen; het oude is voorbijgegaan en alles is nu anders voor hen geworden ; nu kunnen de geloovigen ook heilig leven, zij moeten als nieuw geboren kinderen Gods in het licht wandelen ; zij kennen geen zonde meer en doen geen zonde meer. En als nu gepredikt wordt dat de geloovigen nog zulke stumperds zijn en zulke groote zondaren, die nog zooveel doen dat verkeerd en slecht is, dan is dat een beleediglng voor de geloovigen. Men moest andere dingen van de geloovigen vertellen !
De geloovigen moeten dus in dit leven volmaakt leven, heilig en onberispelijk, zoodat zij werkelijk geen zonden meer doen, niets meer doen dat met Gods Wet in strijd is.
Zoo leeren de Perfectionisten of volmaaktheidsdrijvers.
De Schrift leert anders. Zij houdt ons niet één Bijbelheilige voor, die het zóóver gebracht heeft dat van hem gold : dat hij zonder zonden leefde en als een heilige stierf. Paulus, die er zoo zéér naar jaagde, had haar niet bereikt. „Niet, dat ik het alreede gekregen heb, of alreede volmaakt ben; maar ik jaag er naar, of ik het ook grijpen mocht, waartoe ik van Christus Jezus ook gegrepen ben". (Flllpp. 3 vers 12). Zie ook Rom. 7 vers 15—26.
En de apostel Jacobus schrijft aan het adres — niet van de heidenen, maar van de geloovigen: „Wij struikelen allen in vele" (Jac. 3 vers 2).
Of als we luisteren willen naar den apostel Johannes, dan lezen we : „Indien wij zeggen, dat wij geen zonde hebben, zoo verleiden wij onszelven en de waarheid is In ons niet" (1 Joh. 1 vers 8).
Dat is dus iets anders dan de Perfectionisten of volmaaktheidsdrijvers leeren.
Onze Catechismus sluit zich, als altijd, bij de Schrift aan en spreekt, zuiver Schrituurlijk, dan ook over „de allerheiligsten, die maar een klein beginsel dezer nieuwe gehoorzaamheid hebben" (Cat. Zond. 44). Daar Is ook in de geloovigen een wet des vleesches, die strijdt met de wet des geestes. En als zij het goede willen doen, dan ligt het kwade hun bij.
Het Perfectionisme is dan ook een dwaalleer. Het is tenslotte een vroomdoenerij vol zelfbedrog; het is vrome humbug, zonder reëele Inhoud. En als er van die volmaaktheldsdrijvers zyn, die zeggen, dat zij boven de zonde, boven hun zondigen aard uitgegroeid zijn en zonder zonden leven kunnen, dagen en weken en jaren achtereen, dan misleiden zij zichzelf. (1 Joh. 1 vers 8).
Hoe is het nu te verklaren, dat dergelijke bizondere, eenzijdige, overdrevene leeringen worden voorgedragen ?
Laten we hier eens denken aan de bekende spreuk : „de secten zijn de onbetaalde rekeningen der Kerk".
Als de Adventisten, als afzonderlijke sectarische groep, eenzijdig en overdreven spreken van de wederkomst van Christus en het eind der dagen — is dat dan misschien omdat in de gemeente zoo weinig leeft de gedachte aan die wederkomst des Heeren ?
Dat gaat zich wreken. Wat de gemeente verwaarloost, nemen anderen dan over, en dikwijls eenzijdig, overdreven, ziekelijk.
Als het Intellectualisme of de verstandsrichting in de gemeente overheerschend is en alles wordt beredeneerd en vormelijk wordt geloofd, niet vele en groote woorden wordt bewezen en over woorden en formules doodvormelijk wordt geredetwist — waarbij men niet zelden aanvoelt dat het gezond geestelijk leven wordt gemist — dan komt er niet zelden reactie in piëtistische en mystlcistische richting, waarbij men op het leven meer nadruk legt dan op de leer en bij bevindingen en aandoeningen en gestalten leeft; maar waarbij men dan niet zelden doorvloeit naar den anderen kant en daar weer alles tot in het oneindige ontleedt en in stukjes snijdt, met strijd om beuzelingen.
Er is altijd reactie, wanneer 't eenerzijds den verkeerden kant uitgaat, waarbij men dan zelf niet weinig soms gaat overdrijven, om in ziekelijke richting te vervallen.
Zoo nu ook wanneer er weer van die Volmaaktheids-drijvers komen en het Perfectionisme wordt geleerd en verdedigd.
Is het dan soms, omdat men in zekere kringen zoo gemakkelijk over de zonde spreekt; omdat men zoo handig alles wat niet goed is op den ouden Adam schuift; omdat men zoo zonder ontroering des harten zegt: „een mensch is nu eenmaal zoo slecht" ; omdat men zoo gemakkelijk op de lippen neemt: „onbekwaam tot eenig geestelijk goed en geneigd tot alle kwaad" ; omdat men het voorbeeld van de Bijbelheiligen zoo handig weet te gebruiken, om eigen zonde en schuld te vergoelijken en te bemantelen ?
En dat zijn toch verschrikkelijke dingen, die men helaas ! dikwijls moet aanhooren en zien.
Want laat het waar zijn, dat „de allerheiligsten slechts een klein beginsel der nieuwe gehoorzaamheid bezitten" en zondaar blijven tot hun laatsten snik — maar in diezelfde 44ste Zondagsafd. wordt dan gezegd : dat het met die allergebrekkigste geloovigen zóó staat, dat zij „met een ernstig voornemen niet alleen naar sommige, maar naar alle geboden Gods beginnen te leven". En er staat, dat zij aller zonden vijand moeten zijn en lust tot alle gerechtigheid hebben.
Dat is Schriftuurlijk. En degenen, die door genade kennis mogen hebben aan „de afsterving van den ouden mensch", met „een hartelijk leedwezen, dat wij God door onze zonden vertoornd hebben en die hoe langer hoe meer haten en vlieden", die mogen ook kennis hebben aan „de opstanding van den nieuwen mensch", met „een hartelijke vreugde in God door Christus, en lust en liefde om naar den wille Gods in alle goede werken te leven" (Cat. Zond. 33) Zij mogen met Paulus, hoewel „ellendig mensch" zich wetend, belijden „doch ik jaag naar de volmaaktheid, of ik het ook grijpen mocht, waartoe ik van Christus Jezus ook gegrepen ben" (Pilipp. 3 : 12). Hun staat voor oogen het woord des Heeren : „Weest dan gijlieden volmaakt, gelijk uw Vader, die in de hemelen is, volmaakt is" (Matth. 5 vers 48).
De geloovige mag geen vrede hebben met zijn onvolmaaktheid, met zijn struikelen en vallen, met zijn zonden en ongerechtigheden. Maar in Christus moeten zij er naar staan in Hem te groeien en te bloeien. (Joh. 15 vers 4, 5).
Paulus schrijft dan ook aan de geloovigen die te Rome zijn : „Ik bid u dan, broeders" (waaronder ook de zusters behooren) „door de ontfermingen Gods, dat gij uwe lichamen stelt tot een levende, heilige en Gode welbehagelijke offerande, welke is uw redelijke godsdienst" (Rom. 12 vers 1).
Paulus, die zelf weet wat het is, ook na ontvangene genade, zondaar te zijn, die zuchtend telkens moet uitstooten „ik ellendig mensch", maakt het den geloovigen dus niet gemakkelijk. En met al de apostelen saam dringt hij aan op een godzaligen wandel in het midden van een zondige en booze wereld. „Gij zijt duur gekocht, zoo verheerlijkt dan God in uw lichaam en in uwen geest, welke Godes zijn" (1 Cor. 6 vers 20). (Filipp. 4 vers 8).
Wij hebben dus, na ontvangene genade wel ernst te maken met een heliigen en godzaligen wandel. Dat is de eisch des Heeren en dat moet ook de prediking uitdragen. „Daarom, dat Christus, nadat Hij ons met Zijn bloed gekocht en vrijgemaakt heeft, ons ook door Zijnen Heiligen Geest tot Zijn evenbeeld vernieuwt, opdat wij ons met ons gansche leven Gode dankbaar voor Zijne weldaden bewijzen, en Hij door ons geprezen worde". (Heid. Cat. Zondag 32)
Een heilige, godzalige wandel — met „de practijk der godzaligheid" — is zoo noodig tot Gods eer, tot des naasten heil en , tot zegen en vertroosting voor onszelf.
Ten eerste „opdat wij ons met ons gansche leven Gode dankbaar voor Zijne weldaden bewijzen en Hij door ons geprezen worde". Ten tweede : „Opdat door onzen godzaligen wandel onze naasten ook voor Christus gewonnen worden". Ten derde : „Opdat ieder bij zichzelven van zijn geloof uit de vruchten verzekerd zij".
Wanneer deze dingen gaan ontbreken in het midden van degenen, die God vreezen, dan komen er allerlei kwade practijken, die men met vroom schijnende woorden vergoelijkt en dikwijls nog verdedigt. Dan komt er niets terecht van den eisch des Heeren „dat wij ten allen tijde, van ganscher harte, aller zonde vijand zijn en lust tot alle gerechtigheid hebben". Dan komt er niets terecht van hetgeen üf echte vromen kennen mogen „om met een ernstig voornemen, niet alleen naar sommige, maar naar alle geboden Gods beginnen te leven". Dan knippen we ook weg uit onzen Catechismus : „Eerstelijk, opdat wij ons leven lang onzen zondigen aard hoe langer hoe meer leeren kennen, en des te begeeriger zijn om de vergeving der zon­ den en de gerechtigheid in Christus te zoeken. Daarna, opdat wij zonder ophouden ons benaarstigen en God bidden om de genade des Heiligen Geestes, opdat wij hoe langer hoe meer naar het evenbeeld Gods vernieuwd worden, totdat wij tot deze voorgestelde volkomenheid na dit leven geraken". (Heid. Catech. Zondag 44).
In dien weg zullen de geloovigen de heiligheid des levens moeten najagen, ziende op den oversten Leidsman en Voleinder des geloofs Jezus Christus, Die voor al de Zijnen getuigt: „Ik heilig mijzelven voor hen, opdat ook zij geheiligd zijn in waarheid" (Joh. 17 vers 10). Dat is de heiligmaking die in Christus Jezus is, zonder welke niemand den Heere zien kan.
Waar door het geloof levensverband met Christus is gekomen, daar is niet alleen de rechtvaardigmaking, die de schuld wegneemt, de vrucht van dat „in Christus zijn" — maar óók de heiligmaking, die de smet der zonde uitwischt en lust en liefde openbaart om naar Gods wil te leven in alle goede werken. Dat heeft niets te maken met vleeschelijke heiligmaking — waartegen o.a. dr. Kohlbrugge in een tijd van moraal-of zedeprediking zoo fel te keer ging. Maar dat is de aard van het nieuwe leven, bij welk Godsleven het onmogelijk is dat zoo wie Christus door een waarachtig geloof ingeplant is, niet zou voortbrengen vruchten der dankbaarheid. (Cat. Zond. 24).
Of willen we nóg eens luisteren naar Catech. Zondag 23 : „Aangezien wij uit onze ellende, zonder eenige verdienste onzerzijds, alleen uit genade, door Christus verlost zijn, waarom moeten wij dan nog goede werken doen ? "
Waarop het antwoord volgt : „Daarom, dat Christus, nadat Hij ons met Zijn bloed gekocht en vrijgemaakt heeft, ons ook door Zijnen Heiligen Geest tot Zijn evenbeeld vernieuwt, opdat wij ons met ons gansche leven Gode dankbaar voor Zijne weldaden bewijzen en Hij door ons geprezen worde".
Het stuk van de heiligmaking moet onder ons, op Schriftuurlijke wijze, méér in het midden van de belangstelling komen staan.
Dat zal het beste wapen zijn — een geestelijk wapen — tegen de dwaling van het Perfectionisme of de leer der volmaaktheids-drijvers.

WERELDGELIJK-VORMIGHEID.
Het Perfectionisme of de volmaaktheidsleer is een reactie en wel tegenover het weinig volmaakt zijn van de Gemeente van Christus, tot wie de Heiland toch zegt : „Weest volmaakt, gelijk uw Vader in den hemel volmaakt is" ; „Weest heilig, want Ik ben heilig".
De Gemeente des Heeren moet zijn een zoutend zout en een lichtend licht. Hier ligt een hooge roeping en hier dreigt een groot gevaar.
Nooit is het de roeping voor het Christendom geweest om zich te isoleeren, om zich af te zonderen, om afzonderlijk in afgescheidenheid te gaan leven. De gang naar het klooster ligt niet in de richting, waarin Christus, Die de Zijnen in de wereld achterlaat, wijst. Hij spreekt van het zuurdeeg, dat al de maten meels moet door trekken, veel meer dan van in afzondering in eenzaamheid versterven.
Krachtens Gods scheppingsordinantie is alles den mensch gegeven, opdat de mensch alles aan zich zou onderwerpen en alles dienstbaar zou maken aan God.
Dat is door den zondeval niet veranderd, hoewel de omstandigheden oneindig moeilijker zijn geworden.
De geloovigen moeten alles gebruiken, alles benutten, alles aan zich dienstbaar maken, maar om dan alles te heiligen ; om alles Gode te wijden; om alles te doortrekken met het christelijk beginsel, opdat het Gode tot eere zij en den menschen tot zegening.
Maar wat is nu het gevaar dat van alle kanten dreigt ?
Dat het Christendom zich overal bij aanpast en overal aan meedoet en in plaats dat de wereld door het Christendom wordt overwonnen, wordt het Christendom door de wereld overwonnen.
Het gevaar dreigt, dat er bij het Christendom alles op door kan.
Het gevaar dreigt, dat we krijgen een vroolijk, wereldsch Christendom, waarbij aan het Christendom de tanden zijn uitgebroken, de vleugels zijn lamgeslagen.
Het kwade wordt niet door het goede overwonnen, maar het goede door 't kwade.
Neen —. de roeping voor het Christendom is niet om zich te isoleeren, om zich terug te trekken, om zich af te scheiden van alles en zich af te zonderen. We moeten als Christenen alles gebruiken, alles benutten, alles dienstbaar maken om in dat alles Gode eere toe te brengen, zijnde de Schepper aller dingen.
Eten, drinken, kleeding, arbeid en genot, huwelijk en familieleven, kunst en wetenschap, muziek en zang — het is alles van den Heere aan de menschenkinderen gegeven tot zegening voor het leven en de christenen hebben het te benutten, te gebruiken en te heiligen tot Gods eer.
Maar het gevaar dreigt, dat het Christendom meer en meer het loodje leggen moet, dat 't Christendom ontadeld wordt; dat er bij het Christendom alles op door kan en dat niet de wereld door het Chris­tendom, maar het Christendom door de wereld overwonnen wordt.
Een wereldsch Christendom, wereldgelijkvormig geworden zijnde — en dan wordt het zout smakeloos en deugt nergens meer toe.
Het is één en al vroolijkheid, waarin het Christendom veelszins opgaat.
Het Christendom durft bijna nooit meer „neen" te zeggen ; nooit te weigeren ; nooit te protesteeren.
Daarom de reactie in den roep : Weest heilig — weest volmaakt.
Er zijn tijden geweest dat het Christendom een zoutend zout was, een kracht Gods tot zaligheid, hebbende beloften voor het tegenwoordig en het toekomend leven.
Toen dorst het Christendom, zoo noodig, alleen staan, met een heilig beginsel, gehoorzaam zijnde aan den Heere en met liefde en ijver vervuld.
Toen werd er over het Christendom gesproken als een kracht Gods tot zaligheid. Maar nu is het veelszins een vroolijk Christendom, waarbij alles er op door kan, waarbij alles schier geoorloofd is.
En dat moet zich wreken
Maar dan moeten we niet den weg op van het Perfectionisme, ook niet den weg van de mijding der wereld, zooals de Dooperschen leerden.
Maar we moeten als Christenen in alle weg en werk, gedragen door een heilig beginsel, het kwade door het goede overwinnen.
Het moet in den weg van Zondag 47 en 49 van onzen Heidelb. Catechismus.
Daar wordt in Zondag 47 gesproken over „Uw Naam worde geheiligd". En dan staat er : „Geef ons dat wij U recht kennen en U in al Uwe werken heiligen, roemen en prijzen — alsook, dat wij al ons leven, gedachten, woorden en werken, alzóó .schikken en richten, dat Uw Naam om onzentwil niet gelasterd, maar geëerd en geprezen worde".
En in Zondag 49, waar het gaat over de derde bede : „Uw wil geschiede, gelijk In den hemel, alzoo ook op de aarde", lezen we : „Geef, dat wij en alle menschen onzen eigen wil verzaken en Uw wil, die alleen goed is, zonder eenig tegenspreken, gehoorzaam zijn, opdat alzoo een iegelijk zijn ambt of beroep, zoo gewillig en getrouw moge bedienen en uitvoeren, als de engelen in den hemel doen".
Om deze heilige roeping moet de worsteling van het Christendom gaan ! En daarbij weet de Christen, dat het allesbehalve gemakkelijk is.
Maar daarbij is dan den Christen de weg des gebeds ontsloten, waarin gevraagd wordt eiken dag weer : „Wil ons toen staande houden en sterken door de kracht Uws Heiligen Geestes, opdat wij in dezen geestelijken strijd niet onderliggen, maar altijd sterken wederstand doen, totdat wij eindelijk ten eenenmale de overhand behouden". (Zondag 52).
Het actieve Christendom moeten we hebben. Het Christendom, dat overal een taak en een roeping ziet en heeft. En dat al de sterkte en kracht kent in Hem, Wiens het Koninkrijk is tot in eeuwigheid !
„Zulks alles bidden wij van U daarom, dat Gij, als onze Koning en aller dingen machtig, den wil en het vermogen hebt, om alles goeds te geven ; en dat alles, opdat daardoor niet wij, maar Uw heilige Naam eeuwig geprezen worde" (Zond. 52).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 maart 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 maart 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

PDF Bekijken