Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

VAN DEN WOORDE GODS.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

VAN DEN WOORDE GODS.

11 minuten leestijd

Psalm 19 : 2—4. De hemelen vertellen Gods eer en het uitspansel verkondigt Zijner handen werk. De dag aan den dag stort overvloediglijk sprake uit en de nacht aan den nacht toont wetenschap. Geene sprake en geene woorden zijn er, waar hunne stem niet wordt gehoord.

(Nadruk verboden).VI.
God spreekt allereerst in de menschenziel zelve. Ook zij is Zijn schepsel, draagt in eigen wezen de trekken van haren Maker. Daarom wordt door al wat mensch is, iets van Gods glorie ontdekt, want hetgeen in den mensch zelven roert en zijn bewustzijn vervult, ontwaart hij ook buiten zichzelven in de wereld rondom. De schepping verkondigt hem dus de oneindigheid en de eeuwigheid van den oneindigen, eeuwigen God. En de wondere orde, de vaste regelmaat, die geopenbaard wordt in den hemel, die zich welft boven onze hoofden, stemt tot eene aanbidding van de wijsheid Gods, die alle sterren roept bij name, zoodat er niet ééne wordt gemist. Zoo vertellen dus de hemelen de glorie van Gods Naam, omdat zij zulk een diepen indruk geven van de alle menschelijke voorstelling te boven gaande grootheid des Heer en. Hij verschijnt voor het menschelijk bewustzijn als de drager eener Wezenheid, die alle beperktheid onzer zinlijke menschelijke natuur oneindig te boven gaat. Alle zinlijke begrensdheid in verband met ruimte en tijd zinkt weg in de openbaring Gods, zooals zij spreekt in de hemelen, want heel ons menschelijk tijdsbesef hangt saam met de wentelingen in de hemelen, waaronder ook de aarde zelve mee begrepen is. En de eeuwige Schepper gaat deze alle te boven, zoodat Hij zelfs door een Jesaja reeds ons wordt geteekend als „die daar zit boven den kloot der aarde en derzelver inwoners zijn als sprinkhanen. Hij is het, die de hemelen uitspant als een dunnen doek en breidt ze uit als een tent om te bewonen, Jes. 40 vers 22. Oneindig is de afstand tusschen God en de schepselen. En de mensch, die de sprake Zijner openbaring beluistert in de aanschouwing der hemelen, moet Hem dus wel kennen als een God, die alle schepselmatige beperking, die ons menschen omklemt en voor ons oog al wat is in boeien slaat, verre overtreft. Naar tijd en ruimte verschijnt Hij als de eeuwige en oneindige God. Van eeuwigheid tot eeuwigheid is Hij God. En dat spreekt Hij uit in de hemelen, die Zijne eere vertellen.
Maar diezelfde hemelen zijn ook het tooneel, waarop wondere, onvoorstelbare krachten hare geweldige werkingen openbaren. De myriaden hemellichamen worden gedragen door de oneindige ruimte. Zij wentelen zich langs hunne banen en zij hangen alle te zaam aan de onzienlijke krachten, waardoor zij hunne plaats behouden in het onmetelijk samenstel der hemelen boven ons. Jesaja ontving daarvan zulk een diepen indruk, als hij ons opwekt onze oogen op te heffen naar den hemel en de vraag ons voor te leggen, wie deze dingen heeft geschapen en in getal hun heir voortbrengt, die ze alle roept bij name. En dan voegt hij er aan toe : „vanwege de grootheid Zijner krachten en omdat Hij sterk van vermogen is, wordt er niet één gemist", Jes. 40 vers 26. Zoo spreekt dus in den hemel boven ons de onvoorstelbare kracht van den Schepper, die zelve daar heeft geschreven 't woord, dat Zijne Almachtigheid, Zijne Almogendheid noemt. En zoo is Hij dan ook gekend niet alleen door Gods' volk, maar is ook in alle religies der volken dezer wereld iiet spoor daarvan te ontdekken. Zij allen toch hebben aan de godheden, die zij zich fingeerden, vermogens toegekend, die het menschelijke verre te boven gaan. Zij hebben, omdat zij hunne geesten en goden als geweldig in vermogen zich voorstelden, van hen de wonderdaden verwacht, die verlossing zouden brengen in de nooden, waardoor zij zich gedrukt wisten. Met het besef van het goddelijke was voor aller bewustzijn steeds verbonden het besef van eene mogendheid en macht, die oneindig het menschelijke te boven gaan. En het is daarom verklaarbaar, dat voor Gods heiligen in de Schrift de almacht, die in de hemelen boven hen geopenbaard werd, ook verbonden werd met hetgeen de Heere doen kan voor Zijn kinderen. En in alle keerpunten in de geschiedenis der gemeenschap tusschen God en Zijn volk zien wij dan ook, dat er op die almogendheid Gods, zooals zij geschreven staat in de natuur, een beroep wordt gedaan in het rijk der genade. Zoodra dan ook de genadewerking Gods geconcentreerd wordt in de verkiezing van Abraham en zijn geslacht en het verbond Gods met Zijn volk een nieuwen vorm zal aannemen, dan komt de Heere Zelve om hem op Zijne almogendheid te wijzen en hem daarin een onderpand te bereiden en alzoo een steunpunt te geven aan Abrahams geloof.
Als Abraham 99 jaren oud is geworden, verschijnt hem de Heere en zegt tot hem, die nog slechts Abram heet: „Ik ben God, de Almachtige". Voor dien God is er geene beperking door de natuur, die Hem iets onmogelijk kan doen zijn. En zoo ook, als Jacobs naam veranderd zal worden in Israël, zegt God tot Zijnen knecht: „Ik ben God, de Almachtige", om daarmede als een onderpand hem te geven voor de vervulling der groote belofte, die er mede wordt ingeleid, Gen. 35 vers 11. En op diezelfde groote heilsbelofte gaat de Heere weder terug bij de roeping van Mozes, door tot hem te zeggen : „En Ik ben van Abraham, Izak en Jacob verschenen als God de Almachtige", Exod. 6 vers 2. En ook in het N. Testament wijst de apostel op die almogendheid de gemeente, als hij haar oproept tot een godzaligen wandel, opdat zij hare verkiezing zal verzegelen, door de belofte, dat Hij de Vader Zijner kinderen zijn zal, te bevestigen met de woorden : „Ik ben de Heere, de Almachtige", 2 Cor. 6 vers 18. Deze almacht Gods staat geschreven in het firmament, daar het voor den mensch eene ondoorgrondelijke verborgenheid van krachten openbaart, die al wat wij ons kunnen voorstellen oneindig te boven gaan. En zooals Gods wijsheid en wetenschap, „een weg des veelvoudigen verstands" opent, dat door niets in deze wereld wordt beperkt, zoo is ook Zijne macht door het creatuurlijke, dat Hij immers zelve in het aanzijn riep, niet begrensd. En daarom prediken de hemelen Hem in Zijne onwederstandelijkheid, zoodat niets Zijn wil kan wederstaan. Daarom zong de psalmdichter : „Hij spreekt en her. is er ; Hij gebiedt en het staat er". En Job getuigde, dat Hij de diepten openbaart uit de duisternis en de doodsschaduw voortbrengt in het licht. En evenals Amos heeft de groote lijder, die worstelde met de diepste levensvragen, Gods krachtige hand ontdekt, die de aarde uit hare plaats bewoog, dat hare pilaren schudden, die de zon gebiedt en zij gaat niet op en de sterren verzegelt, die alleen de hemelen uitbreidt en treedt op de hoogte der zee, die den Wagen maakt, den Orion en het Zevengesternte en de binnenkameren van het Zuiden. En omdat God dit alles doet, daarom wordt Hij gekend als „die groote dingen doet, die de mensch niet kan doorzoeken en wonderen, die men niet tellen kan", Job 9.
De kennis der almacht Gods, die in de hemelen boven ons geopenbaard wordt, is de bron, waaruit 't geloof in Zijne wonderdaden onmiddellijk voortvloeit. Voor het religieuse leven is dus deze openbaring van Gods mogendheid, zooals zij in de hemelen verschijnt, van het grootste gewicht. Wat Hij wil bewerken, ontzegt Hem Zijn vermogen niet. En daarom worden Gods kinderen In de Schrift opgeroepen de goedertierenheid des Heeren te loven en Zijne wonderwerken voor de kinderen der menschen. Want diezelfde macht, die in de hemelen wordt ten toon gespreid, dient Hem ook in de zorg voor de menschen, die door banden des doods worden omvangen en door angsten der hel worden getroffen of die dreigen onder te gaan in den moeilijken levensstrijd. Van het Woord, dat God spreekt in de hemelen, gaat dan ook een diepen weerklank uit in het menschelijk gemoed. Nergens voelt de mensch zich nietiger, kleiner, afhankelijker, dan tegenover de grootheid van Gods krachten, zooals zij in de hemelen heerschen, het sterrenheir dragen en ze allen doet wandelen in de banen, die Hij hun toegewezen heeft.
En daaruit is het dan ook verklaarbaar, dat er bij alle volken in meerdere of mindere mate eenig besef leeft, dat herinnert aan wat wij gewoon zijn met het woord „vrijmacht" te noemen. Zijne eeuwige kracht en goddelijkheid, die in de hemelen worden gelezen, dragen het karakter van de vrijmacht, van diezelfde „ongehoudenheid", die ook in het werk der genade door Gods kinderen wordt verheerlijkt. Want de Heere is in Zijn werken niet als wij, menschen, gebonden door andere wetten, door een anderen wil, dan die HU zichzelven stelt. Wij menschen liggen vastgeklonken in ons gansche leven en in iedere levensuiting, bij alles wat wij willen en nastreven, in het noodzakelijk verban4 van oorzaak en gevolg. Wij liggen onherroepelijk onder het juk van de wetmatigheid, die onze menschelijke eindigheid bepaalt. En wij hebben dat met alle andere schepselen gemeen. Maar de Heere, die zelve de Schepper is en alle dingen heeft gewrocht naar den Raad van Zijnen wil en dus ook den samenhang der oorzakelijkheid, die al het creatuurlijke saamsnoert in een onlosmakelijk verband, de Heerezelve, wiens eeuwige Raad de voorwaarde biedt van al wat is en leeft. Hij verschijnt in de hemelen, die Hij in het aan zijn riep en draagt, als de Almachtige, die zelve van geen wetten, aan de eindige creaturen opgelegd, is onderworpen. Daarom zong de dichter : „Onze God is toch in den hemel, Hij doet al wat Hem behaagt". En daarom heeft Job, ondanks de diepste levenssmarten, den Heere geloofd, die hem alles gegeven, maar ook alles genomen had en kan de Schrift van hem getuigen, dat hij Gode niets ongerijmd» toeschreef.
Zoo prediken de hemelen Gods souvereiniteit en komt daarin het wezen der religie tot de rijkste en volkomenste uitdrukking. In de erkenning Zijner souvereine majesteit toch spreekt de mensch het duidelijkst zijne diepe afhankelijkheid uit van 't goddelijk Wezen. Zoo leeren hem dé hemelen den Schepper te eeren, gelijk ook de apostel daaraan uiting heeft gegeven door den jubelzang van zijn geloof in de diepte des rijkdoms, beide der wijsheid en der kennis Gods, dat zijn hoogtepunt bereikte in den lof psalm: „Want uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen. Hem zij de heerlijkheid in der eeuwigheid, amen".
Die heerlijkheid Gods vertellen de hemelen aan den mensch, die zijne oogen opheft om het nachtelijk firmament te aanschouwen. Zij prediken Zijne oneindige wijsheid, de wondere grootheid Zijner krachten, waartegenover de kinderen der menschen te allen tijde zoo diep hunne nietigheid hebben gevoeld.
Alleen de moderne mensch schijnt daarop eene uitzondering te maken. Hij wandelt te zeldzaam meer onder den nachtelijken hemel. Zijne duisternis wordt opgeklaard door het kunstlicht, dat onzen steden en onzen dorpen de nachten verandert in den dag. De moderne menschheid voelt zich door de macht harer kennis, door hare heerschappij over de krachten der natuur, door haren geweldigen productie-rijkdom onafhankelijk als een god. Zij is zichzelve tot een god geworden, nadat zij naarstiglijk was opgegaan in de tempelen van Mammon en in de paleizen van het zingenot. En daarom is die moderne menschheid dieper weggezonken dan de heidenen, is haar vijandschap zooveel bitterder, haar waan zooveel ijdeler, hare zonde zooveel grooter, maar zal ook hare teleurstelling zooveel bitterder zijn. Hij toch zal Zijne eere aan geen ander geven en de moderne menschheid, die haar heeft opgeëischt voor zichzelve, is reeds nu bezig te ervaren, dat hare kracht en hare wijsheid tegenover de leidingen des Almachtigen geene zijn. Diepe wegen, paden van leed en smart is zij ingetreden, die haar misschien zullen nopen nog eenmaal weder naar buiten te treden in den nacht van haar donkerheid om te beluisteren, dat de hemelen vertellen Gods eere. Als zij daarvoor weder een oor ontvangt, dan zal zij, naar het exempel der Vaderen, hare handen weder tot Hem, den Almachtige, opheffen en zich tot Hem bekeeren, voor Wien het niet te wonderlijk is om te redden, als nergens eene ster der hope haar schijnsel meer doet gloren.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van Thursday 26 May 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

VAN DEN WOORDE GODS.

Bekijk de hele uitgave van Thursday 26 May 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

PDF Bekijken