Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

VAN DEN WOORDE GODS.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

VAN DEN WOORDE GODS.

11 minuten leestijd

Psalm 19 : 2—4. De hemelen vertellen Gods eer en het uitspansel verkondigt Zijner handen werk. De dag aan den dag stort overvloediglijk sprake uit en de nacht aan den nacht toont wetenschap. Geene sprake en geene woorden zijn er waar hunne stem niet wordt gehoord.

(Nadruk verboden),
X.
De schepping is een kunstwerk des Almachtigen. Zoo is het door de heilige schrijvers onder de leiding van Gods Heiligen Geest aangevoeld. Het woord, dat Mozes bezigt in den eersten bijbeltekst, om de scheppende werkzaamheid Gods te noemen, is een woord ontleend aan de kunstwerkzaamheid, die met het uitsnijden, het plastisch vormen, het bouwen in verband wordt gebracht. Zoo verschijnt dus God in Zijne schepping als de Kunstenaar bij uitnemendheid. En de psalmdichter, die ontroerd werd bij den aanblik der hemelen en in het nachtelijk firmament met zijn ontelbaar sterrenheir de sprake beluisterde, die Gods eere hem vertelde, kreeg nu bovendien nog een diepen indruk van het wondere kunstgewrocht, dat hij aanschouwde. „Het uitspansel", zoo zegt hij, „verkondigt Zijner handen werk." Dat uitspansel geeft dus te verstaan de grootheid van God, in Zijne werken geopenbaard, de heerlijkheid der schoonheid, die alle geslachten der aarde, van de hoogst begaafden tot de laagst gezonkenen, bindt en boeit en altijd binden en boeien zal. Die kunstwerkzaamheid Gods wordt ons door den dichter aangewezen, als hij spreekt van Gods hand, die het al heeft voortgebracht. Immers God is een geest en als er van Zijne hand wordt gesproken, dan is dat het beeld, waarvan de Heilige Geest in de Schrift zich bedient om ons in de voorbeelden, ontleend aan het menschelijk werken, het goddelijk scheppen af te malen. Maar in dat aan het menschelijk leven ontleende voorbeeld wordt ons dan ook duidelijk, dat zich in het goddelijke werken Gods rede openbaart. Zoo is het immers ook bij den mensch. De hand van den kunstenaar beweegt zich niet zoo maar en voert geene onwillekeurige bewegingen uit. Al wat hij doet, wordt geleid door de in zijn bewustzijn levende idee, die hem voor ten geest staat, als hij aan zijn kunstwerk arbeidt. En telkenmale als door onbedachtzaamheid dit op den achtergrond treedt bij zijn werk en er van onwillekeurige, onbepaalde werkzaamheid sprake is, begaat hij een fout, die hij later moet herstellen, omdat er inbreuk gemaakt werd op den eisch van het beeld, zooals het voor het bewustzijn van den kunstenaar staat. In het menschelijk werken is er dus steeds de al beheerschende invloed der rede, die de formeerde, welker verwerkelijking de kunstenaar nastreeft. En nu leert ons Gods Woord, dat ook in dat werken Gods zich de Goddelijke rede doet gelden en dat dus Gods scheppende werkzaamheid niet eene redelooze, blinde werkzaamheid is, dat daarin ook de idee, de goddelijke idee, de al beheerschende leiding geeft.
't Is dus geheel anders dan de moderne evolutionistische scholen het nu bijkans een eeuw lang in navolging van de oude Epicureën hebben geleerd, als ware het heelal en al wat daarin is slechts product van mechanisch blind werkende krachten, omdat ten slotte in den diepsten grond slechts het toeval de verklaring zou zijn van al wat leeft. Het is juist die beschouwing, die zulk een grooten rol heeft gespeeld in de geestelijke ontwikkeling der laatste eeuw en die de Westersche volken gestort heeft in den afgrond van materialisme en God-loosheid. Immers, indien de wereld en wat daarin is, slechts resultaat was van redelooze krachten en dus van het toeval, dan zou dit ook gelden van de menschelijke rede zelve. En indien ook zij dan zulk een redeloos ontstaan redewezen is. welke waarde heeft dan alle wetenschap en alle wijsheid en welke beteekenis heeft dan het menschelijk streven naar doorgronding der dingen, naar kennis, dan alleen maar, dat deze macht geeft, macht over de natuur, macht dus om zich te verrijken, om te genieten van de vruchten dier natuur-overwinning. In deze moderne wijsheid is er geen plaats meer voor eeuwige dingen, geen plaats meer voor God. En als dan de mensch van alle tijden, ook van onzen tijd, toch staat met de zielsontroerende behoefte aan God, dan wordt die behoefte teruggebracht tot het religieuse gevoel. En dan is het ook daarmede als met het redelijk leven in zijn geheel: de vraag naar de waarheid, die daarin den mensch wordt kenbaar gemaakt, vervalt. Het is alles immers product der blind werkende natuurkracht. En zoo komt men dan ook tot het omgekeerde van hetgeen Gods Woord ons predikt. Niét God schept de wereld en in die wereld den mensch als haar redelijk hoofd, maar omgekeerd de langs mechanischen ontwikkelingsweg geworden mensch, in den diepsten grond product van een toevallig samenwerken van krachten, schept zich zijn god. En dit is dan ook de religie der moderne menschheid. Zij heeft den mond vol van de religieuse gevoelens, wordt er zelfs dichterlijk door ontstoken, schept er een wonderlijk behagen in om zich te mogen wiegen op den golfslag van dat gevoelsleven. De moderne wereld heeft er in ruime mate geld voor over, bouwt zich tempels en formeert zich luxueuse eerediensten met een rijk georneerde priesterschap, met een spheer van schoonheid, van liturgische en musicale diensten, en dat alles om het zoogenaamd godsdienstig gevoel te bevredigen, maar van den levenden God weten zij niet, willen zij niet weten. Zij gaan te gast bij wat uit Oostersche heidensche landen hier wordt geïmporteerd. Zij zwelgen in religieuse gevoelens, volgen de vreemde goden na, gaan op in mystische leeringen, in nabootsing van den Roomschen eeredienst, in philosophische knutselingen, maar van Hem, die gezegd heeft en alleen zeggen kan : „Ik, Ik ben de Heere en er is geen Heiland behalve Mij, " weten zij niet en willen zij niet weten. Hun geloof is in de wijsheid der menschen en niet in de kracht Gods. En zoo staan zij in den diepsten grond met al hunne godsdienstige gevoelens zonder God in de wereld en zijn zij met deze wereld ook zelven een speelbal van het toeval of van het noodlot of van zichzelven geworden.
Zoo is er dus de geweldige tegenstelling in levens-en wereldbeschouwing tusschen de wijsheid dezer wereld en der oversten dezer wereld en de wijsheid Gods, die gezegd heeft, dat het licht uit de duisternis zou schijnen en die in het aangezicht van Jezus Christus verlichting gaf der kennis Zijner heerlijkheid. En die kennis was nu ook in den psalmist, toen hij het uitspansel kende als het werk van Gods hand. Toen kende hij het als Gods kunstgewrocht en beleed hij daarmede, dat de eeuwige Kunstenaar God is, die, Zijne goddelijke wijsheid verwerkelijkend in de voortbrenging van dat uitspansel, Zich daarin ook openbaarde als den God, die het mysterie van alle waarachtige schoonheid in Zich draagt niet alleen, maar deze in Zijne schepping ten toon spreidt en openbaart. Zoo is dus wat de menschen het „schoone" noemen in het licht van Gods Woord niet uitsluitend een gevolg van smaak, al is het waar, dat het maar al te zeer schijnt, als ware er geen ander schoon dan hetgeen elk mensch als zoodanig wil erkennen. Over de smaken valt niet te redetwisten, zeiden reeds de Ouden. Doch meer dan schijn is deze waardeering van het schoone niet. Het is ook daarmede als mét de gewoonten en zeden der menschen, dfe wel oneindig veel van elkander schijnen te verschillen bij de onderscheidene volken der wereld en in bonte veelheid uiteengaan en die toch bij dieper onderzoek op eene eenheid der menschelijke natuur, ook in zedelijken zin, teruggaan en alzoo heen zen naar de eene, door God zelven voor al wat mensch is gegeven, wet der zeden. Zoo is het nu ook met de schoonheid. Er heerscht naar het schijnt een bonte verscheidenheid van smaak, waarover niet valt te twisten, die men elkander niet kan opdringen, maar waarin toch ook in den diepsten grond eene heenwijzing is naar het ééne, eeuwige, goddelijke schoone. Daarom zijn er ook dingen, zóó wonder verheven, heerlijk en schoon, dat er over de schoonheid daarvan onder de menschen geen verschil is, waardoor zij allen worden overweldigd, waardoor allen worden aangegrepen en aan welker majestueuse verhevenheid geen menschenkind zich onttrekken kan. Was er ooit iemand, die niet ontroerd werd met een Job, toen de Heere hem uit een onweder antwoordde en hij sprak van de dingen, die hem te wonderbaar waren ! De psalmist zong : Van den glans, die voor Hem was, dreven Zijne wolken daarhenen, hagel en vurige kolen. Hij vermenigivuldigde de bliksemen en werd ontroerd. Ja, hij worstelde met de taal om aan den indruk der verhevenheid, die hij in de natuur aanschouwde, uiting te geven, want hij schouwde in den hemel als in de werkplaats Gods. „Hij boog den hemel", zoo zegt Hij, „en daalde neder en donkerheid was onder Zijne voeten. En Hij voer op een cherub en vloog ; ja Hij vloog snellijk op de vleugelen des winds. Duisternis zette Hij tot Zijne verberging ; rondom Hem was Zijne tent, duisterheid der wateren, wolken des hemels." In dat alles, dat aanschouwd wordt, als onze oogen zich opheffen tot het uitspansel, aanschouwde de dichter Gods majesteit en heerlijkheid in de schoonheid, die zij openbaren. En alzoo heeft nu ook het uitspansel aan David verkondigd, dat het „Zijner handen werk" is. Hij kende er God in als den kunstenaar, die het wondere „uitspansel" had geschapen.
Het uitspansel, het firmament, het gewelf des hemels, dat de aarde schijnt te overdekken als het groote doorzichtige koepeldak, waaraan de hemellichamen, zon, maan en sterren, vastgemaakt schijnen, waarlangs de wolken zweven, die den vruchtbaar makenden regen op de aarde doen druppelen, werd door den dichter als Gods werkstuk bezongen. Het wordt in dezen 19en Psalm vergeleken met eene tent en Job vergelijkt het met een „gegoten spiegel", Job 37 : 18, waar gezegd wordt, dat de hemelen, die vast zijn als een gegoten spiegel door God zijn uitgespannen. En de profeet Amos spreekt van den Heere als „die Zijne opperzalen in den hemel bouwt", evenals Psalm 104 : 3, waar van God gezegd wordt, dat Hij „Zijne opperzalen zoldert in de wateren", van de wolken Zijn wagen maakt en op de vleugelen des winds wandelt". In de voorstelling der oude volken verschijnt dat uitspansel niet slechts, evenals in het Oude Testament, als een lichtkleed, maar ook als eene tent, die gelijkenis vertoont met de tabernakel. Zelfs zijn er heidensche dichters, die er van spreken als van het bonte weefsel of werkstuk van den goddelijken bouwmeester. Het firmament verscheen hun als een kunstig sterrentapijt, dat op wonder schoone wijze vertolkte de heerlijkheid van Hem, die het had voortgebracht. En zoo blijkt dus, hoe de Schepper tevens de Kunstenaar bij uitnemendheid is en dat Hij dus ook, als de bron aller waarachtige schoonheid, in Zichzelven de eeuwige schoonheid bezit. En die schoonheid, waardoor de werken Zijner handen wordt gekenmerkt, openbaart zich nu in de natuur, in de hemelen boven ons allermeest, maar strekt zich ook uit over de werken der genade.
Zoo vertellen dus de hemelen Gods eere en verkondigt het uitspansel Hem als dien wonderen Kunsienaar, die uit den oneindigen schat Zijner schoonheid in de schepselen schoonheid inplant. Het uitspansel openbaart deze aan de kinderen der menschen. Daarom kon de apostel zeggen : er zijn hemelsche lichamen en er zijn aardsche lichamen, maar beider heerlijkheid verschilt. „Eene andere", zoo luidt het, „is de heerlijkheid der zon en eene andere is de heerlijkheid der maan en eene andere is de heerlijkheid der sterren." En ook de heerlijkheid der sterren is niet dezelfde. Zij prijken in oneindige veelheid aan het uitspansel en hebben elk toch eigen glansen, maar allen te zamen verkondigen zij den onuitputtelijken rijkdom van vormen en tinten, waarover de Schepper beschikt. Zooals in de natuur om ons zelfs niet twee bladeren aan éénzelfden boom elkander gelijk zijn, hoeveel zij ook gemeen mogen hebben, zoo heerscht ook in de diepten der hemelen de wondere verscheidenheid, die daar in de oneindige veelheid der hemellichamen God den Heere openbaart als den grooten Kunstenaar, die in Zijne schepselen aan den redelijken mensch deze schoonheid voorstelt als het groote exempel, waarnaar alle menschelijke kunst zich richt. Hij houdt aan eiken kunstenaar het ideaal voor, dat hem voortwenken kan om het na te vol gen en dat hem toch altijd weder als onnavolgbaar te boven gaat. De natuur blijft de leermeesteres der kunst, want in die natuur verschijnt ons de kunstenaarsarbeid Gods. De psalmdichter ontdekte Hem in de werken Zijner handen, als hij het uitspansel aanschouwde, wanneer in de nachten de sterren flonkerden, doch ook als de zon haar gouden stralen zond om het al te doen baden in de lichtzee, die van haar uitstroomt. Het uitspansel verkondigde hem Zijner handen werk, zoodat de schoonheid, die hij aanschouwde, zijne ziel ontroerde en stemde tot aanbidding van dien eeuwigen Schepper, die de grootheid Zijner liefde ook openbaart in de verhevenheid van de werken Zijner handen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 juni 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

VAN DEN WOORDE GODS.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 juni 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

PDF Bekijken