Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

VAN DEN WOORDE GODS

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

VAN DEN WOORDE GODS

10 minuten leestijd

Psalm 19 : 2—4. De hemelen vertellen Gods eer en het uitspansel verkondigt Zijner handen werk. De dag aan den dag stort overvloediglijk sprake uit en de nacht aan den nacht toont wetenschap. Geene sprake en geene woorden zijn er waar hunne stem niet

(Nadruk verboden).
XI.

Psalm 19 : 2—4. De hemelen vertellen Gods eer en het uitspansel verkondigt Zijner handen werk. De dag aan den dag stort overvloediglijk sprake uit en de nacht aan den nacht toont wetenschap. Geene sprake en geene woorden zijn er waar hunne stem niet Gods scheppende daad openbaart Hem als den Kunstenaar, die Zijne eeuwige scheppingsgedachte werkelijkheid doet worden buiten Hem. Daarom is er in die schepping het eeuwig schoone te ontdekken, dat ons God openbaart als die ook de God van alle schoonheid is. Afgedacht van den smaak der menschen, hoe verscheiden deze ook moge zijn, is er dus eene volstrekte schoonheid in Gods wereld, in de wereld gelijk Hij haar kent en denkt. En daarom is er in den diepsten grond in den mensch eene kennis van het ware, onveranderlijke schoone. In het uitspansel, zooals het zich stelt voor onze oogen, werd het door den psalmdichter ontdekt, toen hij het kende als het werk van Gods hand. God openbaarde Zich alzoo aan hem. En daarmede worden wij geplaatst voor een werkstuk Gods, dat elk mensch, zonder onderscheid, ontroert. Over de schoonheid van het firmament is er geen verschil onder de menschen. Zij allen ervaren den indruk van het verhevene, dat zich daarin uitspreekt, en worden er door gestemd tot aanbidding des Almachtigen. In Gods wereld is eene schoonheid, waarvan hetgeen ons deze wereld aan schoonheid te genieten geeft, slechts eene matte afschaduwing is. De schoonheid van het schepsel dringt tot een hooger opzien, wenkt ons tot de aanbidding van den Al­machtige Zelven.
En ook daarin is het algemeen menschelijke. Hoewel het dus schijnt, dat er eene oneindige verscheidenheid heerscht uit het oogpunt van smaak, is er toch eene eenheid. Evenals het godsdienstig leven der menschheid steeds uitwijst boven den mensch, naar den levenden God, ook dan als zij Hem niet kennen, zoo wijst ook het schoonheidsgevoel uit boven de zienlijke wereld, waarin wij leven, naar den eeuwigen Schepper. Daarom leert dan ook Gods Woord eene natuurwaardeering ons kennen, waarin zij als werkplaats Gods verschijnt en dus als de vrucht van een onmiddellijk werken Gods. Alzoo wordt de natuur het kunstideaal der menschen. Dit wil uit den aard der zaak niet zeggen, dat al wat wij in de natuur zien en waarnemen, ons evenzeer door zijne schoonheid ontroert als het uitspansel des hemels. Zelfs in dat uitspansel is dikwijls meer te zien, dat ons beangstigt en vreeze aanjaagt, dan dat het ons gemoed bekoort door zijne treffende schoonheid. Het uitspansel verschijnt maar al te vaak met zijne dreigende gevaren, met een onheilspellend zwerk, dat meer ons overweldigt door de grootheid der krachten,  die wij er in vermoeden, dan dat het ons verteedert door zijn schoon. Dan spreekt net ons van Gods oneindig vermogen en valt voor ons gemoed daarop meer de nadruk, dan dat wij bepaald worden bij het Schoone, dat zelfs daarin toch te ontdekken. Maar ook in de bijzonderheden is er in hetgeen de natuur te aanschouwen geeft, niet altijd het schoone te ontdekken, omdat onze levensbelangen, die zoo nauw vaak Samenhangen met de natuurlijke dingen ^n Waarin de gevoelens van lust en onlust zulk een grooten rol spelen, maar al te dikwijls het gevoel voor het schoone onderdrukken. Het is met de natuur in haar geheel als met hetgeen wij soms waarnemen op eene schilderij. Er zijn schilderstukken, die, uit een afstand beschouwd, een geweldig diepen indruk maken, maar nabij gezien, dikke klonters verf vertoonen, die verre van schoone gewaarwordingen opwekken. Toch werken zij mede tot den schoonen indruk van het geheel. Zoo wordt ook het schoone der natuur niet ontdekt door de bijzonderheden van elkander te scheiden en ze elk op zichzelf te stellen, maar door ze alle te zien in hare eenheid met elkander. In het licht der eenheid van het heelal wordt de schoonheid openbaar als in haar wezensgrond. En alzoo wordt de volkomenheid der schepping openbaar in het doorbrekende licht der scheppende idee.
Gods Woord leert ons in de schoonheid der natuur uit te gaan boven de natuur zelve en in haar te aanschouwen de scheppende werkzaamheid Gods. Dat doet hier nu ook de Psalmdichter, als hij bij den aanblik van het uitspansel, er het werk van Gods hand in ontdekt. En zoo leert ons nu ook Gods Woord, gelijk het in de natuur geschreven staat, eene bijzondere waardeering der kunst kennen.
In de eerste plaats wordt daaruit duidelijk, dat de Christelijke kunstenaar, dat is dus de Christen, die ook de schoone kunst beoefent, in zijne kunst niet slaafs aan de natuur is gebonden. Hij volgt haar niet blindelings, als had hij niet anders te geven dan een trouw-gelijkende copie. Zoo iets levert de photograaf. De Christelijke kunst streeft er naar om ons te laten zien hetgeen de kunstenaar, die God kent en Zijn Naam gelezen heeft in de natuur, ontwaard heeft van de heerlijkheid des Scheppers in de werken Zijner handen. Voor den Christen wordt alzoo de kunst instrument om Gods openbaring te laten aanschouwen, gelijk zij in de schepselen doorbreekt. Hij wil daardoor ons mede opheffen in een hooger licht, zoodat zij op deze wijze een middel wordt tot kennis Gods in Zijne scheppende werkzaamheid. De natuur is alzoo een voertuig der Godsopenbaring door de schoonheid, die zy ten toon spreidt. Het heerlijke Gods wordt alzoo mede door de schoonheid der natuur geopenbaard. Zijne onzienlijke dingen, zegt de apostel Paulus, worden van de schepping der wereld aan uit de schepselen verstaan en doorzien, beide Zijne eeuwige kracht en goddelijkheid. En onder die onzienlijke dingen behoort nu ook die wondere, mysterieuse schoonheid, die in de gansche natuur, maar bovenal in het uitspansel bij nachten, zoowel als bij dagen, openbaar wordt aan de menschenziel.
Uit de natuur kon dus de menschheid ook na den val nog kennen van Gods Wezen, niet slechts dat Hij bestaat, maar ook dat Hij de bron is van alle waarachtige schoonheid. In de Heilige Schrift wordt dan ook die schoonheid in Gods werken in verband gebracht met Zijne wijsheid tevens. Denk slechts aan Jesaja 40, als de ziener in vers 12—15 ons spreekt van de wondere denkwerkzaamheid Gods en ten slotte niet slechts de nietigheid en de kleinheid des menschen diep gevoelt, maar ook Gods onvergelijkelijke grootheid uitspreekt. En dan wijst hij op de kunstwerkzaamheid van den armen heiden, die een afgod behoeft, op den werkmeester, die een beeld giet, op den goudsmid, die er zijne kunst aan beproeft, hoe een arme zelfs een wijzen werkmeester zoekt om een beeld te bereiden. Maar dan leidt hij ons van deze menschelijke dwaling tot den eenigen Werkmeester, die de hemelen uitspande als een dunnen doek en ze uitbreidde als eene tent om te bewonen. Daar laat Jesaja ons dus opzien tot het uitspansel, opdat wij in die schoonheid den eeuwigen, onvergelijkelijken Kunstenaar zullen zien werken. Heft uwe hoofden omhoog, zoo zegt hij, en ziet, wie dit alles schiep. En alzoo roept hij ons op tot de aanbidding niet van het firmament in zijne schoonheid, maar van dien eeuwigen God, van dien Schepper van de einden der aarde, die niet moede wordt, noch mat, en van Wiens verstand er geene doorgronding is voor den mensch. En op dezelfde wijze teekenen Hem Salomo's Spreuken, wanneer de scheppende God beschreven wordt, als ware Hij de groote Wiskunstenaar, die den cirkel beschrijft als Hij den hemel bereidde. In die teekening is ook te lezen, welk eene zielverkwikkende schoonheid in de hemelen wordt ontdekt. De wijsheid toch was Gods voedsterling, zij was dagelijks Zijne vermakingen, spelende te aller tijd voor Zijn aangezicht. En zoo is zij, zegt hij, ook spelende in de wereld Zijns aardrijks en hare vermakingen zijn met der menschen kinderen. In de orde en de regelmaat, in de vastheid en de harmonie, die in de hemelen spreekt, is een element hunner schoonheid, is de lichtende glans van Gods eeuwig schoon, is dus eene openbaring dier schoonheid, die in Gods Wezen zelf is gegrond.
En, zooals ik reeds zeide, iets van die eenheid der goddelijke schoonheid wordt nu door alle menschen ervaren. Dit toch is het treffende, dat alle menschelijke kunst, hoezeer ook verscheiden, gemeten met de maat der trappen van volkomenheid, toch in den diepsten grond is opgebouwd naar dezelfde geestelijke wetten, die in de menschelijke ziel zelve zijn gegrond. Als gij dwaalt door onze Musea van Volkenkunde en de schamele kunstvoorwerpen der primitieve volken beziet, dan maken deze op den eersten aanblik een simpelen indruk. En toch dragen zij de kenmerken van een schoonheidsbewustzijn, dat aan geene andere wetten gehoorzaamt dan die zich ook openbaren in de schoonste kunstwerken van den Classieken en van den modernen tijd. En datzelfde geldt zelfs van de muziek. Hoe simpel en eentonig in onze ooren klinkt de doffe trommelslag en het rhythmisch gerei der laag ontwikkelde stammen, vergeleken met de ingewikkelde muziek, die in 't orgelspel, b.v. dat ons psalmgezang begeleidt, door onze kerkgebouwen ruischt. En toch is in den diepsten grond ook die muzikale genieting geworteld in een zielsbestaan, dat aan geen andere wet gehoorzaamt. In de ziel des menschen heerscht er ook met betrekking tot de gewaarwording van het schoone éénzelfde grondwet, waaraan alle menschelijk geestelijk leven gehoorzaamt. Er is een groot verschil in de volkomenheid der werktuigen, waarover de primitieve kunstenaar beschikt, vergeleken met de instrumenten, waarvan zich de moderne kunstenaar bedienen kan. Er is een wonder groot verschil in perfectie van hetgeen zij voortbrengen, zoodat de uitbeelding van den één ons schamel en kinderlijk voorkomt, en die van den ander ons toespreekt als zeldzaam schoon en volkomen product, dat ons met verbazing doet aanschouwen hetgeen de mensch vermag. Maar toch komen zij hierin overeen, dat in beide dezelfde menschenziel spreekt, die iets heeft opgevangen van het eeuwige schoone, dat er leeft in Hem, Wiens Naam de psalmdichter gelezen heeft in het kunstwerk des hemels, dat hij als het uitspansel boven zich ontwaarde. In de nachten sprak het hem toe, wanneer de heerlijkheid van den sterrenhemel zich ontvouwde. En bij dag bewonderde hij het, als zijn blik zich verloor in het diepe blauw, waaronder de zon haar gouden lichtglans deed stroomen.
Ontroerd werd dus de dichter onder de hemelen Gods. Zij vertelden hem Zijne eere en verkondigden hem in het uitspansel, dat al dit wondere schoone op zichzelf niets wezen kon, dan alleen als gewrocht van den Almachtige. Zijne oogen moesten daarin lezen dien eeuwigen Naam. Dan boog zich zijne knie, dan verhief zich zijn oog en zijne ziel werd ontroerd en voegde zich tot de aanbidding van dien God, die leeft in alle eeuwigheid. Uit de hemelen ruischte hem het loflied in de ooren, waarmede hij instemde als met het lied der ouderlingen, die hunne kronen wierpen voor den troon en zongen : Gij, Heere ! zijt waardig te ontvangen de heerlijkheid en de eer en de kracht ; want Gij hebt alle dingen geschapen en door Uwen wil zijn zij en zijn zij geschapen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 juni 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

VAN DEN WOORDE GODS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 juni 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

PDF Bekijken