Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

VAN DEN WOORDE GODS

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

VAN DEN WOORDE GODS

10 minuten leestijd

Psalm 19 : 2—4. De hemelen vertellen Gods eer en het uitspansel verkondigt Zijner handen werk. De dag aan den dag stort overvloediglijk sprake uit en de nacht aan den nacht toont wetenschap. Geene sprake en geene woorden zijn er waar hunne stem niet wordt gehoord.

(Nadruk verboden).
XII.

De zedelijke verwording van ons maatschappelijk leven openbaarde zich sinds vele jaren reeds ook op het gebied der kunst. Wie daartegen verzet biedt, moet maar al te dikwijls ervaren, dat hij in onze groote bladen als bekrompen voorgesteld wordt, als iemand, die voor de vrijheid der kunst geen oog heeft. Dit geldt de kunst op ieder gebied. De beeldende kunst, de schilderkunst niet alleen, maar ook de kunst, zooals zij op het gebied der schoone letteren zich aandient in de roman, in de poëzie, in de dramatische en andere letterkunde. De ontzedelijking der massa is door de kunst van onzen tijd dikwijls ten zeerste en opzettelijk bevorderd. En zoodra daartegen van regeeringswege de noodige maatregelen worden gevraagd om door de strafwet paal en perk te stellen aan de verbreiding van hetgeen de zinnen prikkelende volksleven een luid geschreeuw op tegen de bekrompenheid eener regeeling die door censuur paal en perk zou pogen te stellen aan deze zedenverdervende kunst Het is merkwaardig daarom het oordeel in herinnering te brengen van een kunstenaar op het gebied der letteren als Bilderdijk is geweest. In zijn tijd was het zedenbederf nog bij lange na niet wat het nu is, maar het was hem wel bekend, hoe dikwijls het voorkwam, ook in zijne dagen, dat een kunstenaar, evenals de zedenverdervende kunstenaars van dezen tijd, meer vroeg naar wat de massa streelde, dan naar de waarachtige eischen der kunst. In zijne verhandeling over Het Treurspel, 's-Gravenhage 1808, schreef Mr. Wm. Bilderdijk daarover dit vonnis : „Edoch, wee den Dichter, die schrijft om zijne Eeuw te believen ! Die dat zoekt, wordt eens, en hij verdient het, in wijzer tijd belachen". Hij toornt tegen den kunstenaar, die dichter wil wezen en door zijn vragen naar wat de massa behaagt, eene houding aanneemt, „den Dichter, den waren Priester van het eeuwig onveranderlijke en algemeene schoon, niet meer waardig". En zoo maakt hij onderscheid tusschen gevoelig zijn voor poëzie en gevoelig zijn voor een dichtstuk. „Het eerste", zegt hij, „is ieder, wie mensch is, van zijne bakermat af ; en de Hollander is het inzonderheid ; het laatste is hij-alleen, hij, wien Poëzy en Wijsbegeerte in hare oorspronkelijkheid, waarin zij bij God en den nog ongevallen mensch een en hetzelfde waren, weder samensmelt; en ach ! bij den hoe veelsten heeft dit plaats ? " En daarom stelt Bilderdijk den eisch, dat de kunstenaar op het gebied der letteren zal schrijven „voor zichzelven en voor die weinigen, die met ons gevoelen, zich met ons opheffen kunnen". Daarin wordt het dus duidelijk, hoe geheel anders een man als Bilderdijk tegenover de kunst staat dan de meesten, verreweg de meesten, die kunsten beoefenen en in kunsten belangstellen in onzen tijd. Wat Bilderdijk hier zegt van de dramatische kunst, geldt evenzeer voor elk ander gebied van de kunst.
Maar daaruit blijkt dan ook, hoezeer in onzen modernen tijd in de decadentie onzer cultuur ook de kunst betrokken werd. Haar slaafsche dienstbetooning aan de inmoreele passie van de massa, haar speculeeren dikwijls op den dierlijken hartstocht, op het beest in den mensch, het geschreeuw tegen den eisch van zedelijke tucht ook over de uiting van wat zich kunst noemt, is maar al te zeer het bewijs, dat deze kunst haar adeldom heeft prijsgegeven. Er is eene kunst, die denken doet aan de veile deerne, die om goud hare eere verkwanselt. En dat zelfs daarvoor gepleit wordt in een kring van hen, die zich beschaafden en ontwikkelden wanen, is het beste bewijs voor de totale ontzenuwing en zedelijke verwording des volks.
De vraag, die hierbij op den voorgrond reedt, is die van de vrijheid der kunst, waarmede zoozeer wordt geschermd hier te lande en elders. En dan leert ons Gods woord ook in de beschouwing, waarvan de psalmdichter in zijn lied getuigt, hoezeer dit geroep over de vrijheid wezenlijk gevolg is van eene algeheele miskenning van het wezen der kunst zelve. De dichter wonderende in het uitspansel het kunstgewrocht des Almachtigen. De Schepper openbaart in dat firmament, hoe Hij ook alleen is de God van alle schoonheid, hoe het waarchtige, eeuwige, volmaakt schoone ook in Gods Wezen ligt besloten en hoe Hij daaraan in de werken Zijner handen uitstralen doet. Die schoonheid blinkt in de gansche schepping, blinkt ook in de werken der genade onzes Gods. Zoo wordt reeds onder het Oude Verbond in het bruilofslied, onder het beeld van Salomo's huwelijk, eene profetische teekening gegeven van den levensband tusschen God en Zijn volk, tusschen Christus en Zijne Kerk. En is 't dan niet merkwaardig, dat deze dichter, zich klaar bewust van zijne kunstwerkzaamheid als dichter, aanvangt met den jubel: „Gij zijt veel schooner dan de menschenkinderen" ? Hij schouwde in de diepte der menschelijkheid. Waarachtig God en waarachtig rechtvaardig mensch, ls het vleeschgeworden Woord, eene innerlijke schoonheid bezit, die zich voornamelijk openbaart in dat wondere werk van Gods ontfermende liefde in de zaligmaking van Zijn volk. Die schoonheid, waardoor Hij dan ook allen overtreft krachtens Zijn Middelaarswezen, aanschouwt toch immers de dichter in „de genade, die is uitgestort in Uwe lippen". In die overvloeiende genade onderkent hij nu ook een bijzonder kunstwerk Gods, die dezen Koning in Zijne wondere schoonheid, vervuld van genade voor een arm en verloren volk, heeft besteld. Geen mensch en geen engel zou den weg des levens voor de Bruid hebben uitgevonden. Het is alleen de aanbiddelijke wijsheid en de ongehoudene goedertierenheid van dien God, die Hem daarom heeft gezegend in eeuwigheid. Die wondere schoonheid heeft de dichter ontdekt in Gods genadewerken nadat hij ze eerst had gezien in de schepselen, in de hemelen en het uitspansel boven hem. Het eeuwig schoone in God heeft dus niet alleen betrekking op Zijne werken in de schepping, maar ook in die der herschepping. Met name doelt zij op den mensch, die, naar Zijn evenbeeld geschapen, die schoonheid moest openbaren in zijn uitwendig verschijnen, in zijn geestelijk, zedelijk bestaan in het bijzonder. En daar die mensch gevallen is, en met zijn val zijne goddelijke schoonheid verlooren heeft, lag het voor de hand, dat de door Gods Geest verlichte profetische zanger bij zijne aanschouwing van den komenden Christus, Hem, in Wien de wedergeboorte der menschheid en alzoo de geboorte van Gods Kerk ons bereid werd, als veel schooner dan alle menschenkinderen begroette. In Dezen toch werd het eeuwig schoon van Gods beeld tot volle heerlijkheid opgevoerd, opdat God Zijne eere ook voor de schoonheid Zijner Kerk zal worden toegebracht. Met 't oog daarop en aansluiting daarbij kan dan ook door Jesaja aan wie in gerechtigheden wandelt, in het uitzicht worden gesteld : Uwe oogen zullen den Koning zien in Zijne schoonheid. (J 33 vers 17). En de schoonheid van dien Koning zag Zacharia (9 vers 17) overgaan op de „kudde" van Gods volk en hij roemt niet slechts over het groote goed, dat zij zullen deelachtig worden, maar voegt er aan toe : hoe groot zal Zijne schoonheid wezen ! Zoo ook werd in dien zelfden 45en Psalm, die den komenden Messias schoon roemde dan alle menschenkinderen, ook van de dochter Zions getuigd, dat zij, het volk en vaders huis vergetend, zou ervaren dat de Koning lust zou hebben aan haar schoonheid. En daarom werd zij opgeroepen zich neder te buigen voor Hem. Zelfs worstelt de dichter met de taal om de heerlijkheid af te malen van des Konings dochter, die „geheel verheerlijkt" is „inwendig". De schoonheid van den Middelaar, de heerlijkheid van Zijn genadewerk doet hare glansen afstralen op Gods Kerk, die alzoo ook wordt de draagster van een schoon, dat de eere vertelt van den Vader van alle barmhartigheid, in Wien een liefdevuur gloeide over een volk, waarin niets was, dat Hem behagen kon. Er is eene wondere schoonheid ook in dat werk der herschepping, waaruit Hem eeuwig lof en aanbidding toekomen zal.
Daarom is het dan ook, dat Asaph in den 50sten Psalm Gods scheppende daden paart aan hetgeen Hij als Herschepper wrochten zal. De dichter beluisterde, evenals David in Psalm 19, hoe de sprake van den God der goden uitgaat en daardoor de aarde wordt geroepen van den opgang der zon tot aan haren ondergang. En als dan zijn oog geboeid wordt door Zion, en daarin aanschouwt, wat de Heere in die stad is voor Zijn volk in het Huis, dat daar voor Hem werd gebouwd, dan jubelt hij : „Uit Zion, de volkomenheid der schoonheid, verschijnt God blinkende". Dan ziet hij Hem komen uit die wonderschoone stad om gerechtigheid en gericht te doen komen over de aarde en om Zijn volk te richten. Zijne gunstgenooten te verzamelen, die in ellende gedompeld was en de dochter Jeruzalems werd uitgefloten, de menschen die aan de stad voorbijgingen en schamper zeiden: Is dit die stad, waar men van zeide, dat zij volkomen van schoonheid was, eene vreugde der gansche aarde ?
Het blijkt dus, dat in God de eenige bron van alle waarachtige schoonheid is en dat zij uitblinkt in alle werken Zijner handen, in de hemelen, die Zijne eere vertellen, en in het uitspansel, dat Zijner handen werk is, maar niet minder ook uitblinkt in Zijne herscheppende daden, die ten slotte in de heilige stad, in het nieuw Jeruzalem, heur hoogtepunt bereiken. Dan zal zij van God nederdalen uit den hemel, toebereid als eene bruid, die voor haren man versierd is. En dat de mensch eene schoonheid kennen kan en zelfs kennen moet in de hemelen boven ons en in het uitspansel, dat wij aanschouwen, omdat er niemand is, die zich kaïi ontworstelen aan de verhevenheid, die zij voor ons oog onthullen, dat danken wij aan onze schepping naar Gods beeld. De Heere heeft gewild, dat de mensch Hem in Zijne werken als den eeuwigen Kunstenaar zou kennen, als dien Schepper, in Wiens Wezen ook de grond ligt van alle waarachtig schoon.
Maar dan is het ook ontwijfelbaar zeker, dat geen menschelijke kunst eene vrijheid kennen kan, die niet gehoorzamen zou aan de zedelijke ordinantiën Gods. Diezelfde God toch, die de Schepper van alle schoonheid is, daarvan is ook gezegd : de Heere is onze Rechter, de Heere is onze Wetgever, de Heere is onze Koning. Aan Hem dus is de mensch in al zijne levensuitingen, ook in zijn schoonheids- en kunstleven onderworpen. Waarachtige kunst kan alleen deze zijn, die uit Zijne goddelijke schoonheid put, om Hem daardoor te verheerlijken. Van de ware kunst geldt, dat zij is uit Hem, door Hem en tot Hem. En de kunstenaar, die zijne wondere gaven misbruikt in den dienst van de machten der duisternis, hij kan misschien voortbrengen een kunst, die boeit in kluisters eener zedelijke slavernij, eene kunst, die verderft, het zal altijd een kunst zijn, die afvoert van het eeuwig en waarachtig schoone en leidt tot de ontroerende gruwzaamheid, die Jesaja aanschouwde, toen hij moest inzien in den nacht der duisternis en hem het aangrijpende woord op de lippen legde : want hun worm zal niet sterven, hun vuur zal niet uitgebluscht worden en zij zullen allen vleesche eene afgrijzing wezen. De ware kunst leeft alleen in het licht dier stad, welker kunstenaar en bouwmeester God is.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 juli 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

VAN DEN WOORDE GODS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 juli 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

PDF Bekijken