Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

VAN DEN WOORDE GODS

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

VAN DEN WOORDE GODS

13 minuten leestijd

Genesis 2 vers 16 en 17. En de Heere God gebood den mensch zeggende : Van allen boom dezes hofs zult gij vrijelijk eten. Maar van den boom der kennis des goeds en des kwaads, daarvan zult gij niet eten ; want ten dage als gij daarvan eet, zult gij den dood sterven.

2e Serie. Uit het ongeschreven Woord. X.
Het eerste, dat de zondaar leeren moet om tot het leven te komen, is de kennis van zichzelven. Dat is dan ook het eerste, waarin de wedergeboorte zich begint te openbaren. Zoodra de levendmakende daad des Heiligen Geestes plaats gegrepen heeft, wordt er eene consciëntie-werking geboren, waardoor het besef levendig wordt, dat het met hem niet is, zooals het wezen moet. Er wordt een vragen geboren : is het wel goed met mij ? Kan ik sterven en voor God verschijnen, zooals ik ben ? Hij ondervindt roeringen der consciëntie, die hem voorheen onbekend waren. De wedergeboorte toch is het eerste gewrocht van den Heiligen Geest in het hart van den zondaar, die uit de duisternis wordt geroepen tot het licht. Hij daalt dus levendmakend in en openbaart Zijne heerlijke, heilige, wondere tegenwoordigheid door eene verlichtende werking, zoodat er over dat zondaarshart, waarin mij zijn woning maakte, een morgenglans des Heiligen Geestes opgaat, die den nacht der duisternis doet opklaren. Dat beteekent niet, dat terstond het volle licht opgaat, want dat zal eerst geschieden in het Jeruzalem van Gods heerlijkheid. Hier kennen wij ten deele, daar zal Gods volk kennen, gelijk het ook gekend is. Hier blijft het dus, hoe diep Gods kind ook wordt doorgeleid, slechts een morgenschemering van licht. Zooals onze Catechismus het zegt: een beginsel. En dat beginsel heeft evenals de dageraad een eerste krieken van den morgen. En dat eerste morgenlicht dwingt den mensch zichzelven te leeren kennen in zijne verlorenheid. O, de Heere handelt zoo lankmoedig, zoo teeder met Zyne kinderen. Hij werpt ze niet op eenmaal in de diepte der zondekennis, maar Hij leidt hen er langzaam in. Zegt niet de profeet: „gelijk een beest, dat afgaat naar de valleien" ? O ja, het gaat langzaam. Zachtkens neemt Hij als de windselen weg, die het zielsoog van den zondaar omzwachteld houden en die hem verhinderen zichzelven te zien, zooals hij waarlijk is voor zijn God. De Heere is een God van waarheid en Hij laat Zijne kinderen de volle werkelijkheid hunner zonde zien. Maar toch op eene teere wijze, nooit ruw, niet met geweld, want Hij weet wat van Zijn maaksel te wachten zij. Hij laat hen stap voor stap afdalen naar de diepte. Hij ontdekt hen, neemt al wat het oog dekt zachtkens, windsel na windsel, weg om hen eindelijk te brengen voor den afgrond der verlorenheid en der algeheele reddeloosheid. Maar het gaat niet opeens, als met een geweldigen en niets ontzienden ruk. Daarom gaat die weg der ontdekking door zielsworstelingen heen. Hij heeft het ons door Jeremia zoo treffend schoon laten verkondigen: „Zij zullen komen met geween en met smeekingen zal Ik hen voeren". Hij handelt ook in den weg der ontdekking zachtkens met hen. Als een vader, die zich ontfermt over de kinderen, ontfermt Zich de Heere over Zijn volk. „Hij zal ze leiden aan waterbeken, in een rechten weg, waarin zij zich niet zullen stooten, want Ik ben Israël tot eenen Vader". Maar hoe teeder ook, de werkelijkheid moeten Gods kinderen van zichzelven zien. En de Heilige Geest houdt daarom nimmer op hen daarvoor te ontdekken. En zoodra zij ook maar iets zien van de ontroerende waarheid hunner zonde voor God, openbaart zich dit in eene trilling der consciëntie, die den zondaar doet vragen : is het wèl met mij ? En als hij dan onder den prikkel zijner zonde moet belijden : het is niet wél met mij, een mensch, zooals ik ben, kan het leven niet zien, dan wordt er ook een roep geboren om licht.
Dat is zoo wonder treffend, het licht begon op te gaan en hij ziet slechts zijn nacht. En daarom, hij wil uit dien nacht van verlorenheid het licht der redding zien dagen. En zoo wordt hij geleid met gebeden en smeekingen van ontdekking tot ontdekking, soms over lange wegen, langzaam en geleidelijk, soms ook langs korte en steile paden, waarin geweldige diepten worden gezien. En zoo leeren al Gods kinderen, elk op zijne wijze en naar de mate, die de Heere voor hen nuttig en noodig keurde, ervaren van de banden des doods, die de zondaarsziel omvangen, proeven van de angsten der hel, die hen treffen. Allen vinden zij de dagen van benauwdheid en droefenis, maar ook allen leeren zij des Heeren Naam aanroepen om bevrijding hunner ziel, om een licht, dat de duisternis overwint en het oog opent voor de peillooze diepten der eeuwige liefde, die uit Gods Vaderhart opwelt als een vuur, dat door de wateren onzer zonde niet kan worden gebluscht.
De Heere volgt dus met Zijne verloren kinderen wegen van ontdekking, en dat is nu het merkwaardige, zoo heeft Hij ook gedaan met den mensch in den staat der rechtheid. Hij had toen geene behoefte aan wederbaring, want hij was goed en naar Gods evenbeeld geschapen. En het doel dier schepping naar Gods beeld was, dat hij zijn Schepper recht zou kennen, van harte liefhebben, om alzoo de eeuwige zaligheid deelachtig te worden. Doch om dat doel te bereiken wordt hij nu ook ontdekt voor de gaven, die in hem zijn, voor de genade hem bewezen door een schepping naar dat heerlijke beeld, opdat hij dus ook zichzelven kennen zal, de werkelijkheid zal zien van hetgeen in dat beeld besloten lag. De Heere God betoont Zich ook voor Zijn kind in rechtheid een Vader, die het zal opvoeden, opdat het zijn levensdoel zal bereiken. En daarom is het, dat Hij hem ontdekt voor de verborgenheid van zijn zedelijk wezen. De mensch moet weten wat het in heeft Gods beelddrager te zijn. Hij zal, in onderscheiding van de dieren, zichzelven leeren kennen als een redelijk-zedelijk wezen. Het redelijk-zedelijk vermogen droeg hij in zich, doch dat vermogen moest nu overgaan in de daad. En die overgang kan slechts tot stand komen door en in de practijk des levens. En om hem tot die beoefening te brengen, moet de mensch dus gesteld worden voor de zedelijke keuze. En in de voltrekking der keuze zal hij nu moeten leeren de juiste keuze te onderscheiden niet alleen, maar ook voor zich te nemen. En in dezen weg der ontdekking door beoefening zal de mensch nu ook leeren, dat er tweeërlei mogelijkheid voor hem openstaat : de keuze van het goede, of de keuze van het kwade. Beide zal hij ze kennen leeren, opdat hij welbewust het eene zal afwijzen en voorbijgaan, het andere zal aangrijpen en volgen. Daarom geldt Gods verbod den boom der kennis des goeds en des kwaads, want deze twee zullen zich voor zijn bewustzijn als mogelijk aandienen Het eene zal hij vermogen, ook het andere zal hij vermogen, maar hij zal ze niet beide tegelijk vermogen. Of het èèn of het ander. Het is met den mensch in rechtheid als met Gods volk voor de keuze : de weg des doods of de weg des levens, maar beide worden Israël voorgesteld. En zoo was het bij Elia : „is de Heere God, volgt Hem na, is Baal god, volgt Baal na. Maar tusschenweg is er niet. En zoo is het nog, nietwaar ? Er is eene goede keuze en er is eene kwade keuze, maar twee heeren kan niemand dienen. En zoo ook staat de mensch in rechtheid voor dien verbodsboom. En met dat verbod wordt hij gesteld voor de vraag : zal ik gehoorzamen, of zal ik toch eten van die vrucht; zal ik hooren naar Gods Woord, dat Hij gesproken heeft en spreekt in mijne ziel, of zal ik der bekoring mij onderwerpen, die uitgaat van de overtreding des gebods.
Het is dus met den mensch op den paradijsdag eigenlijk precies zoo als met onszelven. Worden wij ook niet telkens en telkens gesteld voor Gods verbod ? Dat geschiedt volstrekt niet alleen in groote, be­langrijke zaken, die over ons levensbelang beslissen. Het geschiedt ook in de kleine, die wij dikwijls terstond weer vergeten zijn. David heeft reeds gebeden om reiniging van zijne verborgene afdwalingen. En deze zijn al die verkeerde zedelijke keuzen, die wij doen en vergeten zijn, zoodra wij ze hebben gedaan. Maar onze val in misdaad en zonde is de oorzaak, dat wij er aan voorbijgaan en er niet meer bij denken, wat het feit beteekent, dat wij geleid worden telkens en telkens op den tweesprong tusschen het goede en het kwade.
De eerste mensch wordt op dat kruispunt des levens gebracht. De Heere Zelve leidt hem er toe, spreekt tot den mensch Zijn Woord, opdat hij het zal weten, dat hij in zijne keuze met God van doen heeft, die hem geschapen heeft naar Zijn beeld en die dus het recht heeft van Zijn mensch te verwachten, dat hij Zijn souvereinen, goddelijken eisch zal hooren. Die mensch moet weten, dat Gods eisch volstrekt is en dat maar één keuze gedaan, maar ééne mogelijkheid werkelijkheid worden kan. Zoo wordt hij dus door God Zelven geleid door de beoefening tot de zelfkennis. De Heere ontdekt hem voor hetgeen aan zedelijk vermogen nog sluimert in zijne ziel. Hij ontsluit voor 's menschen bewustzijn door middelen en wegen, die geheel in overeenstemming zijn met de menschelijke levensvoorwaarden in het paradijs, de zedelijke levensgaven, die hem in en met Gods beeld zijn geschonken. Hij moet zichzelven leeren kennen als een wezen, dat zelfs tegenover Gods verbod tot kiezen is geroepen, opdat hij ook zal weten welk eene ontroerende verantwoordelijkheid hem daarmede opgelegd wordt. Het groote, schoone, heerlijke goed, dat hem in zijn zedelijk vermogen werd bereid, heeft als keerzijde noodwendig den plicht om aan dien zelfen God, die hem daar voor den tweesprong bracht, rekenschap te geven van zijn rentmeesterschap.
Zoo wordt dus door dat verbod met de ontdekking voor zijn zedelijk wezen den mensch tevens geopenbaard, dat de keerzijde van zijn vermogen om te kiezen uit de mogelijkheden, die zich voor hem ontsluiten, de onafwijsbare verantwoordelijkheid is. De mensch, die kiest, aanvaardt met die keuze alle gevolgen, die daarin verscholen liggen. En ook dat geweldige zedelijke feit wordt hem nu, terwijl hij nog staat op den tweesprong des levens, door God Zelven met nadruk en klaar en duidelijk verkondigd. „Want", zoo luidt Gods Woord, gesproken tot den mensch, „ten dage als gij daarvan eet, zult gij den dood sterven".
Er wordt in den tegenwoordigen tijd onder de rechtsgeleerden nog al verschillend geoordeeld over de vraag, of de misdaad vergelding vordert, die in de opgelegde straf openbaar zal worden, dan wel of er van vergelding niet, slechts alleen van correctie, van zedelijke verbetering, sprake mag zijn. Het karakter, dat in beide beschouwingswijzen de straf krijgt, is dan geheel verschillend. Het behoeft echter niet te verwonderen, dat in een tijd als dien wij beleven, waarin de ontkerstening zoo diep is doorgekankerd, de groote massa der rechtsgeleerden van eene vergelding nauwelijks meer iets wil weten. In de plaats daarvan treedt dan de eisch van bescherming van het maatschappelijk leven en der zedelijke verbetering der individuen door onderwijs en opvoeding, of ook, door medische verzorging, wijl de misdaad vrucht wordt geacht van zielkundige ziekten. In de plaats der vergelding treedt dan de genezing. Inderdaad, ook op het gebied van het strafrecht gleden wij reeds ver en diep weg en met dit al nam de tuchteloosheid, het gebrek aan eerbied en ontzag voor goddelijke en menschelijke wetten toe en daalde het zedelijk peil in de massa, die van een stil en gerust leven onder de bescherming der overheid, die het zwaard draagt, weinig meer weten wil. Deze verwording van het strafbegrip staat echter niet op zichzelf, maar is het noodzakelijk gevolg van de verwording en verwatering van het zondebegrip. De kennis der zonde is zoek bij overheid en volk, omdat zij niet meer door Gods Woord zich laten reguleeren. Dat Woord leert ons ook de ware menschelijke natuur kennen en ontdekt ook de werkelijkheid van het zedelijk wezen des menschen, die zich door geene moderne philosophische rechts-theorieën laat wegcijferen.
Gods Woord leert het ons hier, hoe de mensch in het paradijs reeds een inzicht van God ontvangt in de wijze, waarop hij als zedelijk wezen bestaat. De Heere God verklaart hem, wat het gevolg zal wezen van eene verkeerde zedelijke keuze, van eene overtreding van het verbod. Aan het menschelijk bewustzijn wordt het voorgehouden, dat gehoorzaamheid, volstrekte gehoorzaamheid aan Gods woorden, eisch is om het leven te behouden, dat hij nu kent, en tevens dat de ongehoorzaamheid noodzakelijk het verlies van dat leven en dus den dood zal met zich brengen.
Is daarin dan vergelding ? De Heere geeft ons hier Zelve het antwoord op deze vraag. Hij ontdekt den mensch voor het wezen der vergelding, door hem licht te geven over het wezen van het zedelijk leven zelf, door hem te doen verstaan, dat in het zedelijke zelf de vergelding gegrond en dus gegeven is, zoodra de mensch zich aan Gods verbod vergrijpen zal. De mensch is als beelddrager Gods zoo geformeerd, dat hij in levensharmonie met zijnen achtig kan verwezenlijken. Tusschen God en Zijn zedelijk schepsel mag geen wanklank heerschen en indien deze opkomt, doordat het schepsel zijn levenscontact met zijn God verbreekt, dan is er voor den mensch met de inbreuk op zijn waarachtige levenswet ook de breuk met zijn God. Hij is aangelegd op een opgaan in Gods gemeenschap. In die gemeenschap ongestoord verkeeren, is de ware wet zijns levens. En nauwelijks treedt er een levensmoment in, waarop hij uit die levensverhouding uitvalt, of daarmede treedt ook de scheiding in, scheurt de mensch los van zijn geestelijken levensgrond, breekt hij alzoo eigen levenswet, waaronder hij, als onder eene van God over en in den mensch ingelegde ordinantie des levens verkeert. De vergelding is dus niet iets bijkomstigs van aard, niet iets als een boete gesteld op de overtreding, maar gegrond in het zedelijke zelf. Zooals vergrijp aan de natuurwet, waaraan ons lichaam gehoorzaamt, krankheid en dood beteekent, zoo is vergrijp aan Gods ordinantie voor ons zedelijk leven eveneens de zedelijke dood. En de Heere God openbaart het den mensch door Zijn Woord, hoe edel de gave des zedelijken levens is en hoe juist in dien zedelijken adeldom ook de mogelijkheid is gegeven van eene ongehoorzaamheid, die den dood moet baren in misdaad en zonde.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 december 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

VAN DEN WOORDE GODS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 december 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

PDF Bekijken