Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

VREDE OP AARDE.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

VREDE OP AARDE.

13 minuten leestijd

Lucas 2 vers 14b. „En vrede op aarde".

De geschiedenis der menschheid is het tooneel van een geweldigen strijd, van eene bange worsteling, waarin volken tegen volken, stammen tegen stammen, geslachten tegen geslachten, menschen tegen menschen kampen op leven en dood. Het beeld, dat de natuur ons te aanschouwen geeft, weerspiegelt zich in het leven der menschheid. Ook in de natuur zien wij, hoe de schepselen elkander bestrijden, elkander verslinden, trachten te leven ten koste van elkander. Uit dat oogpunt gezien, is er voor ons natuurlijk nog geen. onderscheid tusschen hetgeen de wereld der planten en dieren te aanschouwen geeft en in de menschenwereld geschiedt. En het is dan ook geen wonder, dat de wijsbegeerte dezer eeuw, die leeft uit het beginsel der evolutie met haren strijd om te bestaan en hare leuze van de overwinning van den sterkste, ook op de menschheid zelve heeft gewezen als op een exempel, dat toont, hoe het de strijd is, die de wereld draagt in haren opgang naar altijd schooner en heerlijker ontplooiing des levens.
En toch is er in dezen eeuwigen oorlog van allen tegen allen iets, dat de moderne menschheid niet bevredigen kan. Er is in dezen levensstrijd wat haar beklemt en met een heimwee vervult naar een levensbeeld, waarin niet de strijd, maar de vrede en de harmonie en de innerlijke samenstemming den toon aangeeft. Ja, die behoefte der menschheid naar een ander, schooner, beter leven, is zoo diep geworteld, zoo onuitroeibaar, dat zelfs de moderne mensch zijn eigen levens-en wereldbeschouwing er voor vergeten moet, omdat de natuur ook bij hem ten slotte gaat boven de leer, al is deze dan ook geijkt met het etiket eener zoogenaamde wetenschap. Of is het u niet opgevallen, dat onder het koor der massa's, die om eenen eeuwigen vrede schreeuwen, het luidst ook gehoord wordt de stem der sociaal-democratie ?
De leer, die zij predikt, is die der evolutie, die, toegepast op het maatschappelijk leven, haar bracht tot de theorie van den klassen-strijd. Welbewust wakkert zij dien aan. Doelbewust roept zij de massa daartoe op. De klassen-strijd is haar als een evangelie, dat aan de volken bereiden zal hetgeen zij tot nu toe te vergeefs van Christus hebben verwacht. Zoo ontsluit zij voor het bewustzijn van duizenden eene toekomstverwachting, waarin met dezen strijd de haat zijne triumphen vieren moet, omdat daarin niet anders dan de gewelddadige onderdrukking van al het verscheidene, dat toch door het leven voortgebracht wordt, kan worden tegemoet gezien. De heerschappij van het proletariaat kan alleen gegrondvest worden op de gewelddadige, desnoods bloedige onderdrukking van de rechten en behoeften van den enkelen mensch. En zulk een maatschappelijk leven kan alleen bestaansmogelijkheid hebben, doordat de sterkste meedoogenloos de zwakkeren onderdrukt en door dit geweld een onuitroeibaren haat wordt aangekweekt. En toch, dit is de leer der evolutie, zoodra zij practisch wordt verwezenlijkt. Niet anders kan zulk ene maatschappij bestaan, dan alleen wanneer zij rust op de pilaren van geweld en bloed. Rusland's lijden leert het ons, welke zedelijke en maatschappelijke vruchten de evolutie-leer aan de menschheid heeft geboden. Natuurlijk wil de moderne sociaaldemocraat, die in het reformisme heil zoekt, zooals dit ten onzent, in Engeland en Duitschland het geval is, van dat Russische uiterste nog niet weten. Zij ondergaan nog te zeer den invloed der Christelijke zeden, die weldra twintig eeuwen gekoesterd zijn door de Westersche menschheid. Zij worden tot heden gedragen door een gevoelsleven, waarin nog iets nagloort van de ontferming, in het kruis gepredikt. En daarom blijven zij nog onder de klemmende boeien eener inconsequentie. Maar de leer zelve, de zuivere, de orthodoxe leer van het Marxisme, blijft niet staan voor overwegingen van gevoel. En als de sociaaldemocratie' ooit komt tot verwezenlijking harer idealen, dan zal de ervaring leeren, dat de dammen en dijken van het gevoel niet bij machte zijn dien eens ontketenden stroom te dwingen in eene bedding. Dan zal de waarheid worden gezien van het Godtergend woord : „laat ons hunne banden verscheuren en hunne touwen van ons werpen". De leer der evolutie baart de revolutie met het verschrikkelijkste aller dingen, met den mensch in zijnen waan.
Maar is het nu niet merkwaardig, dat diezelfde beweging, die den strijd als het geestelijk zedelijk levensbeginsel in de geschiedenis der menschheid proclameerde, het luidste roept om vrede op aarde ! Dat getuigt ongetwijfeld van gebrek aan inzicht in de consequenties van haar eigen uitgangspunt. Het is een levenshouding, volkomen in strijd met de beginselen, die deze socialistische strooming dragen. En daarom zal ook de dag, waarop zij meende, dat hare idealen werkelijkheid werden, eene bittere teleurstelling baren. Zoodra zij het ideaal denkt te grijpen, zal het als een spookgestalte aan den greep der volkeren ontvlieden.
Doch aan de andere zijde mag niet voorbijgezien worden, dat zich in deze inconsequentie, die de sociaal-democratische beweging typeert, een gevoelsbehoefte openbaart, die saamhangt met des menschen schepping naar Gods beeld en die in het licht van Gods openbaring in den loop der eeuwen tot steeds rijker ontplooiing is gebracht. Hierin blijkt ook het wondere van Gods Woord, dat het vele tientallen eeuwen, voordat er van deze moderne, de wereld en haar leven omvattende evolutie-leer sprake was, een licht over de wereld-geschiedenis en haren strijd deed opgaan, dat den nacht der donkerheid, waarin de menschheid lijdt, heeft gescheurd. Gods Woord heeft als een wederbarend Woord idealen onthuld, in welker licht zij wandelen kon en mocht, idealen, die een heimwee wakker riepen naar een ander leven, dan de natuur en de geschiedenis der menschheid te aanschouwen geven. Denk slechts aan het licht, dat Jesaja en Hosea en Ezechiël leden opgaan te midden der donkerheid hunner tijden en dat profetisch heenwees naar een ander menschheidsleven, dan zij hebben gekend en hebben kunnen kennen en in den Kerstnacht aangebracht werd Hoe wonderschoon heeft Jesaja, terwijl zijn gemoed ontroerd was over de bange worsteling, die het leven der natuur te aanschouwen geeft, geprofeteerd van het eeuwig vrederijk, dat Hij zou brengen. Wiens gordel gerechtigheid en waarheid is. Hoe kan er vrede zijn tusschen den wolf en het lam, luipaard en geitenbok, leeuw en rund, koe en beerin ? Zal een leeuw stroo eten gelijk de os, de adder niet zijn giftand zetten in het zoogkind, dat speelt boven zijn hol, en de basilisk, wiens blik men genoegzaam achtte om te dooden, niet toeschieten naar de hand van het gespeende kind ? Ja, de profeet had wel een diepen blik in de werkelijkheid van het leven der natuur met zijn strijd en leed. En hij wist ook, dat het in de wereld der menschen niet anders toeging, dat ook daar de mensch maar al te vaak tegenover zijnen naaste als de wolf was en als de leeuw en de luipaard en de giftige adder. Hij zag diep in de zedelijke verwording der wereld met haar gruwelen van vijandschap en van onrecht. En hij was er van overtuigd, dat de menschheid zich niet zedelijk kon veranderen, alsof zij zulks op een zekeren dag eens zou kunnen willen. De Moorman zal zijn huid, de luipaard zijne vlekken niet veranderen, zoo min als de zondaar, die geleerd heeft kwaad te doen, leeren zal het goede te doen. De profeet peilde de duisternis der wereld in hare onmetelijke dichtheid en hare onafwentelbare omneveling. Hij was ontdekt voor de absoluutheid van haren zondestaat. Hij wist, dat uit haar geene verwachting kon zijn en uit haren strijd nimmer vrede dagen kon. Maar over dien nacht van haar oordeelsleed schouwde hij in het licht van Gods Heiligen Geest profetisch, hoe het rijsje voortkomen zou uit Isaï's afgehouwen tronk. Hij zag de ster opgaan uit Jacob's geslacht, hoe de Beloofde zou komen, op Wien des Heeren Geest, Zijn wijsheid en verstand, de Geest des raads en der sterkte, der kennis en der vreeze des Heeren wezen zou. Hij aanschouwde Hem, als die met gerechtigheid zou richten. Zijne oordeelen zou voltrekken aan de goddeloozen, doch daarentegen voor Zijn kinderen een Vorst des vredes wezen zou. Op den berg Zijner heiligheid zou de krijg ophouden. Daar zou men geen leed doen, noch verderven. Als de aarde vol zou zijn van de kennis des Heeren, gelijk de wateren den bodem der zee bedekken.
En zoo sprak ook Hosea in verband met den strijd, die de natuur te aanschouwen geeft, onder het wild gedierte, onder het gevogelte des hemels en het kruipend gedierte der aarde, van den dag, waarop de Heere den boog en het zwaard en den krijg van de aarde verbreken zal en Zijn volk in zekerheid zal nederliggen, Hosea 2 vs. 17. Ja, zoo sprak ook Ezechiël van David, des Heeren knecht, als van een vorst in het midden Zijns volks. En met hem zou Hij het verbond des vredes maken.
Door de profetie van het Oude Verbond gaat dus van het paradijs af reeds het ideaal van eenen eeuwigen vrede en het heimwee naar de verwezenlijking daarvan bleek onuitroeibaar. Zelfs in het hart der krijgszuchtige volken deed het nog zijne bekoring gevoelen. Het licht van Israël heeft de Heere tot een licht ook gegeven voor de heidenen. Het ideaal des vredes leeft diep in de ziel van alle volken als een behoefte, naar welker vervulling zij smachten. Zoo ging het in Gods Woord en dus in Gods gemeente op als een lichtende sterre, waarnaar de volkeren hunne oogen ophieven te midden van den nacht hunner zonde, waarin zij streden en worstelden en krijg voerden.
En nu is deze Schrift vervuld en de Engelen hebben hun hemelsch lied gezongen in Bethlehem's nachtelijk duister en hunne koren ruischten over de aarde met hare woeling en strijd, met haar zonde en dood, met haar leed en nood, en hun zang deed weerklinken het „Vrede op aarde". In dien Kerstnacht werd het nauwelijks opgemerkt, want de wereld zocht vrede in haar eigen weg. Slechts Gods kinderen beluisterden dien jubel en gingen op naar de kribbe om er Immanuël te vinden. En zooals het toen was, zoo is het nog. De wereld van dezen modernen tijd dorst naar vrede, zoekt den vrede en vindt dien niet, want de vrede, dien zij nastreeft, is niet de vrede, dien zij waarlijk behoeft. De Heere Jezus zelve heeft dat onderscheid in het licht gesteld, toen Hij tot Zijne discipelen zeide: „Vrede laat ik u, mijnen vrede geef ik u ; niet gelijkerwijs de wereld hem geeft, geef ik hem u". De vrede, dien de wereld geeft, gaat om buiten Hem. Haar vrede draagt het karakter van een anderen strijd. Zij begeert slechts een vrede, die de voorwaarde zijn kan voor de rustige, ongestoorde genieting, waarin de mensch zich kan uitleven en de genoegens der wereld smaken, al sluimert in der menschen ziel het vuur der vijandschap. Zij schreeuwt om een vrede, „roemt", zooals de Psalmdichter zegt, „in woorden zachter dan olie, die in hun wezen bloote zwaarden zijn". Merk slechts op, hoe in onze dagen de volken worstelen om den vrede en hem niet verkrijgen kunnen, hoe zij zelfs in hun strijd voor den vrede woorden spreken, die de vijandschap des harten openbaren. Zij vergaderen jaar in jaar uit, en elken nieuwen jaarkring treedt Europa in met bekommering en vreeze, omdat onder het vredesgeroep en de vredes-palmen het wapengekletter wordt gesmoord en de wapenen worden bedekt. En uit de massa, die geestelijk leeft uit de beginselen van den eeuwigen evolutie-strijd, gaat door bonden en vereenigingen steeds luider, steeds brutaler zelfs, de dreiging op, die den vrede zal moeten afdwingen, hoewel hun hart krijg is. Zij willen de gruwelen van den oorlog, die als spookgestalten opdoemen uit den rossigen gloed, waarin zij de toekomst hullen, bekampen, terwijl zij zelven het zaad der vijandschap strooien met kwistige hand. Al dit streven naar vrede, waarvan onze dagen vol zijn, het gaat geheel om buiten den waarachtigen Christus Gods. Het gaat om buiten Immanuël, van Wien de engelen hun „Vrede op aarde" hebben gezongen, buiten het kindeke Jezus, voor hetwelk niet slechts in Bethlehem's herberg geen plaats was, maar voor hetwelk ook de moderne wereld geen ruimte biedt. Zij wil geen vrede met God, daarom vindt zij geen vrede voor de volken. Zij begeert niet een vrede, zooals de Heere Jezus dien alleen geven kan. Zij zoekt den vrede in en door zichzelven en verstaat het niet, dat wij, vijanden zijnde, met God verzoend zijn door den dood Zijns Zoons en zoo verzoend zijnde, behouden worden door Zijn leven. In dat leven is de vrede.
En van dien vrede, die in Christus is, zong het engelenkoor. Naar dien vrede gaat het hart van Gods Kerk uit, en van dien vrede beluistert zij in het lied der engelen, zooals zij in het eeuwig licht zich badend, de schare aanschouwen kan uit alle natie en geslachten en volken en talen, die staat voor den troon en voor het Lam, met het witte kleed der verzoening en der gerechtigheid bekleed en met de palmtakken des vredes in de handen. Gods kinderen kennen vrede, zelfs dan, als de wereld hen vervolgt en smaadt en haat om Zijns Naams wil. Zij smaken vrede te midden van de vijandschap, die over de wereld gaat met geweldigen stroom, want zij ontvingen dien, zooals de Heere Jezus Christus alleen den vrede geven kan. Daarom is er dan ook, hoever de wereld ook van den vrede verwijderd is, nog een volk, dat Kerstfeest vieren kan, omdat het opgaat naar Bethlehem's kribbe, omdat het daar Immanuël vindt, het heilig kind Jezus, den Zoon des menschen, in Wien Gods welbehagen is, in Wien ook hun vrede is.
Laat ons dan opgaan op het Kerstfeest te midden van den donkeren nacht dezes tij ds, laat ons het kindeke Jezus gaan zien. Maar ga dan op met de bede in de ziel, dat het licht van Gods Heiligen Geest over u opga en gij het kindeke moogt aanschouwen als den Zoon, ons gegeven, in gedaante gevonden als een mensch, als die Zichzelven heeft vernederd, gehoorzaam geworden zijnde tot den dood, ja, den dood des kruises. Dan zullen wij van het kind belijden, dat Jezus Christus de Heere zij tot heerlijkheid Gods des Vaders. En dan zullen wij het engelenlied verstaan en den waarachtigen vrede kennen.
En zoo alleen zullen de volken den vrede, waarnaar zij smachten, vinden, als zij, in de duisternis gezeten, Zijn groot licht aanschouwen. Daarom gaat Zijne roepstem tot hen uit : „Komt tot Mij, gij, die vermoeid en belast zijt en Ik zal u ruste geven". In die rust is de vrede der wereld, waarin de volken kunnen nederliggen in zekerheid, omdat boog en zwaard en krijg daarin van de aarde zijn verbroken.
Maar buiten Christus zal de oorlog blijven, zal het zwaard niet rusten, het kanon niet zwijgen, want Zijn Koninkrijk is van deze wereld niet.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 december 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

VREDE OP AARDE.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 december 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

PDF Bekijken