Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

VAN DEN WOORDE GODS

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

VAN DEN WOORDE GODS

Uit het ongeschreven Woord.

11 minuten leestijd

Genesis 4 : 17. En Kaïn bekende zijne huisvrouw en zij werd bevrucht en baarde Henoch; en hij bouwde eene stad en noemde den naam dier stad naar den naam zijns zoons Henoch,

2e Serie,
XXXVIII.
De Heilige Schrift is het Woord Gods, omdat in haar is vervat al hetgeen der menschheid werd geopenbaard door en in Hem, van Wien geschreven staat: ,, In den beginne was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God", In dat Woord toch was het leven en het leven was het licht der menschen. Dit was het waarachtige licht, hetwelk verlicht een iegelijk mensch komende in de wereld. Dit Woord is vleesch geworden en heeft onder ons gewoond vol van genade en waarheid, In en door dat Woord gaat de sprake Gods uit, opdat het licht der kennisse Gods, dat in den val gedoofd werd, weder zou worden ontstoken in het verloren Adams geslacht en de Heere zich daardoor de gemeente verzamelen zou, ten eeuwigen leven uitverkoren. Dat Woord is dan ook niet slechts eene mededeeling van waarheden, die de mensch moest weten, doch niet meer weten kon, maar is tegelijkertijd een levenwekkend Woord, zoodat de apostel de wedergeboorte van Gods kinderen verklaart te zijn geschied , , niet uit vergankelijk, maar uit onvergankelijk zaad door het levende en eeuwig blijvende Woord van God", De openbarende daad Gods is dus tevens eene wederbarende daad. Door en in de openbaring schept Hij Zich eene gemeente, die Zijne openbaring in zich opnemen moet, omdat zij er geestelijk uit leeft. Die wederbarende en openbarende daad, die aanvangt in het paradijs, als de Heere de moederbelofte geeft, bereikt nu langs een openbaringsweg door de eeuwen des Ouden Verbonds haar hoogtepunt in de Vleeschwording des Woords, in Hem, die van zichzelven zeggen kan; ,, Ik ben het Licht der wereld; die mij volgt zal in de duisternis niet wandelen, maar zal het licht des levens hebben, "
Na dezen Vleeschgewordene, die ook zeggen kon: ,, die mij gezien heeft, die heeft den Vader gezien", is dus geen hooger licht, geen nieuwe openbaring meer te wachten. Slechts zij kunnen zulke ijdele uitzichten kweeken, die vreemdelingen zijn van de belofte, die Hem niet kennen, in Wien de Vader alleen gekend kan worden.
Zoo is dus dat Woord van God een levend Woord, dat komende in de wereld leven baarde, eene gemeente schiep door haar te roepen uit de duisternis tot dit wonderbare licht. En die komst tot de wereld, die in het paradijs dus aanligt, is dan ook met de historische ontwikkeling der menschheid saamgeweven, omdat zij doelt op verwezenlijking van het Koninkrijk Gods, op het Nieuw Jeruzalem, dat van God nederdalende werd gezien uit den hemel. Dat Woord heeft dus de strekking door een weg van Wederbaring de gevallen menschheid terug te brengen tot hare waarachtige eindbestemming.
Wie dit nu klaar voor den geest heeft, voor dien is het duidelijk, dat het Woord Gods niet anders kan bevatten dan hetgeen betrekking heeft op het groote de wereld-wederbarende-doel, waarvoor het werd gegeven. Doch dan is het ook eene algeheele miskenning van het wezen der Heilige Schrift, wanneer men er in zou willen vinden hetgeen er niet in te vinden kan zijn, omdat het in geenerlei betrekking tot dit openbaringswerk Gods staat. Het is eene groote dwaling niet alleen, maar ook een bron van velerlei moeilijkheden en verwikkelingen, wanneer er naar gestreefd wordt dat Woord tot andere doeleinden te bezigen dan waarvoor de Heere zelve het gegeven en bestemd heeft. Het is een door Gods Geest gegeven Woord der zaligmaking, een Woord dus ook tot ontdekking der zielen aan hunne zonde, zooals het ook een Woord is, waarin Hij wordt voorgesteld, van wien de apostelen verklaarden; „hetgeen van den beginne was, hetgeen wij gehoord hebben, hetgeen wij gezien hebben met onze oogen, hetgeen wij aanschouwd hebben en onze handen getast hebben van het Woord des levens." Het is dus een Woord ter redding en tot zaligmaking, dat ons ook geeft een diep en klaar en heerlijk inzicht in de genesis van het Koninkrijk Gods en dus in de wedergeboorte der wereld.
En omdat het nu alzoo is, daarom is de Heilige Schrift geen boek om natuurkunde uit te leeren, noch ook geschiedenis der cultuur of anthropologische wijsheid. Wij kunnen er niet in vinden, hoe het menschelijk geslacht zich na den val heeft ontwikkeld en welke wegen der historie het heeft afgelegd, voor zoover namelijk deze dingen met de komst van het Godsrijk door den gang der eeuwen geen verband houden. Slechts bevat de Schrift, wat betrekking heeft op de ontplooiing van den Raad der genade. En daarom zijn er dan ook in bewaard alle natuurlijke voorwaarden, die vervuld moeten wezen, opdat de bedeeling der genade haren loop zal kunnen hebben. Het Woord laat ons, zooals de hooge toppen in het bergland de richting wijzen, waarin de kammen zich bewegen, de lijnen zien, waarlangs de openbaring Gods zich beweegt door de geschiedenis van ons geslacht. En het wijst ten slotte naar onze eeuwige eindbestemming heen, opdat alle eeuwen na den val zullen worden overgoten door het licht der eeuwige liefde en der goedertierenheid van God, onzen Zaligmaker, die Zijn gansche Kerk zalig maakt door het bad der wedergeboorte en vernieuwing des Heiligen Geestes, Alles wat daartoe strekt, is in Gods Woord gegeven, wordt door de Schriften Gods gedragen en overgedragen van eeuw tot eeuw, van volk tot volk, opdat uit alle geslachten en talen en natiën het lied zal worden aangeheven tot lof van Hem, die op den troon zit.
Dit is het doel des Woords, maar het geeft geen licht over de vragen der natuurwetenschap, slechts wordt daarin het bestaan verondersteld van hetgeen het natuurlijk oog ziet. En zoo geeft het ook geen licht over de wijze, waarop zich het menschelijk geslacht heeft verspreid over de aarde. Het zegt ons wel, dat de Heere den mensch schiep man en vrouw, dat Hij hen zegende en zeide; ,, weest vruchtbaar en vermenigvuldigt en vervult de aarde", want daarin lag de voorwaarde, voor de komst van het Godsrijk noodzakelijk. Maar het zegt ons niet, hoe deze vermenigvuldiging van dag tot dag, van jaar tot jaar, zich heeft voltrokken.
En omdat het Woord ons dit niet meedeelt, omdat het met de verwerkelijking van Gods genade-raad niet saamhangt en daarmede in geenerlei verband staat, daarom is het ook ijdel er zulke dingen toch in te willen zoeken en vinden.
Over die vermenigvuldiging der menschen in de eerste jaren hunner schepping weten wij dus niets en kunnen we niets weten, omdat de gegevens daartoe ontbreken. Het eenige, dat de Heere ons geopenbaard heeft, is dat Hij deze vermenigvuldiging als immanente levenswet den mensch heeft ingelegd.
Uit éénen bloede kwam de menscheid op, als uit de ééne, eerste levenskiem, die Hij in het eerste menschenpaar schiep. En zij vermenigvuldigden zich met een groote snelheid, omdat de levensduur en dus ook de levenskracht der eerste geslachten veel grooter was dan die van latere tijden. Doch van het proces dier vermenigvuldiging weten wij niet. En zoo wordt ons van Kaïn meegedeeld, dat hem, daar hem het leven gespaard werd, hoewel hij des doods schuldig was, mede in dat vermenigvuldigingsproces een functie toegeschreven wordt, alsook, dat de voorwaarden daarvoor reeds aanwezig waren. Hij wordt ons voorgesteld als in gemeenschap levend met eene huisvrouw, als gezinshoofd dus, als die een gezin zich bouwt en in een geslacht zich ook vermenigvuldigend.
De vraag, die zich daarbij opdringt, is uit den aard der zaak deze, hoe het mogelijk is, dat het bloedschendig huwelijk het uitgangspunt is geweest voor eene huwelijkordinantie, die juist in later tijd het inceste huwelijk met zoo grooten nadruk heeft verboden. De verklaring daarvan is, dat het krachtens schepping geboren familie-leven zijne bestemming niet heeft in zichzelf, maar in het veel grooter, alles omvattende sociale leven. Het familieleven ontstaat uit de natuurlijke verhouding tusschen ouders en kinderen. De ouders en de kinderen hooren krachtens de natuur des levens saam. En het sociale leven ontstaat door de krachtens schepping den menschen ingelegde beseffen, dat het menschelijk leven door saamhoorigheid aan innigheid niet alleen, maar aan kracht en zekerheid wint. Het gezin, de familie dus in den engsten zin, moet dus bij deze verhouding van zelve haren aanvang nemen met de echt tusschen broeders en zusters. Dit leert niet slechts Gods Woord, maar ook de onderzoeking, zooals die door een bekend ethnoloog als b, v, L, H, Morgan e.a werden ingesteld naar de verwantschapssystemen der volken, die leidden tot de opvatting, dat deze heenwijzen naar een communale familie, waarin broeders en zusters met elkander huwden. Doch daarbij moet echter wel in het oog worden gevat, dat zulks slechts op een beginstadium betrekking heeft, terwijl de bestemming, die naar Gods bestel de menschelijke levensontplooiing heeft, niet is gelegen in een communale familie, maar in het groote gemeenschapsleven. En zoodra dan ook de vermenigvuldiging der menschen doorzet, en een gemeenschapsleven mogelijk wordt, wederstreeft het menschelijk instinct deze communale levensorganisatie, die zich in de familie opsluit en ontstaan er reeds in den beginne andere levensverhoudingen, die de sociale ontwikkeling in breederen zin bevorderen. Zoodra deze vermenigvuldiging een genoegzame vlucht genomen had, bleek dan ook de weerzin tegen al wat naar bloedschande zweemt. Zoover de gegevens reiken, is er dan ook bij alle volken, hoe primitief hunne beschaving dan ook moge zijn, een hevige afschuw op te merken tegen een huwlijksregeling, die op bloedschande zou wijzen of daartoe kan voeren. Steeds hebben zij getracht zich door strenge maatregelen daartegen te vrijwaren, door eene zoo nauwkeurig mogelijke vaststelling der verwantschap en strenge huwlijksverboden tusschen menschen, die elkander te na in het bloed bestonden. Het inceste huwelijk wordt bij geen volk, hoe laag het ook moge staan op de trappen der beschaving, goedgekeurd. De afschuw daartegen treedt overal aan den dag in de sociale maatregelen, die er tegen getroffen zijn. Intuïtief en instinctief beseft de mensch de schadelijke gevolgen, die daaruit voortkomen. Krachtens scheppingsordinantie leeft in het menschelijk geslacht de drang tot vermeerdering en sterking, tot levensexpansie, die trouwens niet slechts aan den mensch alleen, maar aan alle levende wezens ingeplant is. En de wering van het bloedschendig huwlijk wordt door de menschheid van nature onderkend als een wapen, waardoor de levensopbloei bij de vermenigvuldiging wordt bevorderd.
Wat men in de ethnologische wetenschap de exoganische verhoudingen noemt, zijn te beschouwen als huwlijksregelingen, welker doel is de opbloei des geslachts te bevorderen. Al wat op bloedschande wijst, is dan ook steeds als van de goddelijke machten verboden door de volken gewaardeerd, ook bij die volken, die leefden verre buiten het gebied der bijzondere Godsopenbaring, die Israël te beurt is gevallen. En wanneer in de geschiedenis hier en daar voorbeelden worden aangetroffen, dan zijn er bijzondere omstandigheden, die daartoe aanleiding gaven.
Een der treffendste daarvan wordt geboden door de geschiedenis der oude Egyptenaren. Toen onder de Thebaansche dynastie het koningschap in Egypte weder erfelijk was verklaard, werd in het Koninklijk Huis het bloedschendig huwlijk ingevoerd als eene politieke maatregel, daar de ervaring had geleerd, hoe de ijverzucht der adellijke families een gevaar was voor de opperhoogheid der kroon. Om de koninklijke linie daarvoor te vrijwaren, werd voor den koning alleen eene bloedschendige echt voorgeschreven om alzoo het koninklijk geslacht voor elke verbinding met een ander geslacht te behoeden en de veiligheid der monarchie te verzekeren. De politieke belangen stelden hier, zooals ook zelfs in onze dagen niet zelden geschiedt, de eischen der zedelijkheid ter zijde. Maar aan de zedewet zelve wordt daardoor toch niet veranderd,
Gods getuigenis laat ons dus zien, dat een man als Kaïn zich een huisgezin vormt, dat hoewel het in bloedverwantschap wordt voltrokken, slechts mede instrument is om de menschheid tot de haar van God ingelegde vermenigvuldiging te brengen, doch als zoodanig dus geen norm is voor latere tijden.
Een rijker sociale ontwikkeling brengt noodzakelijk met zich geheel andere, door God zelven gegeven ordinantiën, die alle bloedschande brandmerken als vloekend tegen de diepste levensgevoelens des menschen. Daarom heeft de Heere in Leviticus 18 met zoo grooten nadruk alle bloedschande verboden en er bij gezegd; , , Mijne rechten zult gij doen en mijne inzettingen zult gij houden om in die te wandelen: Ik ben de Heere, uw God".
 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 juli 1933

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

VAN DEN WOORDE GODS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 juli 1933

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

PDF Bekijken