Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

MEDITATIE

HET EENVOUDIGE EN HET BOOZE OOG. —

13 minuten leestijd

„De kaars des lichaams is het oog; indien dan uw oog eenvoudig is, zoo zal uw geheele lichaam verlicht wezen. Maar indien uw oog boos is, zoo zal geheel uw lichaam duister zijn. Indien dan het licht, dat in u is, duisternis is, hoe groot zal de duisternis zelve zijn". Mattheus 6 vers 22, 23.

Daar is niets zoo vreeselijk voor een mensch, als in duisternis te leven en straks in duisternis te moeten sterven. Het eeuwig verderf wordt dan ook wel genoemd : „eeuwige duisternis". Want wat is de zaak ? De mensch is afgevallen van den Heere God en nu dient hij te weten, waar hij terecht gekomen is, en waar hij aan toe is. Hij moet leeren kennen, dat hij voor God niet bestaan kan en dat hij aan zijn scheppingsroeping niet beantwoord heeft.
De mensch kan niet blijven wat hij is. en waar hij is. Hij moet voort, den dag der eeuwigheid en het toekomstig gericht tegemoet.
Leeft hij nu in duisternis, dan weet hij al deze dingen niet. Christus zegt: „die in de duisternis wandelt, die weet niet, waar hij heengaat". Die bedriegt zichzelf aangaande zijn staat en vleit zich met een doode hoop. Die weet niet, dat het met hem een verloren zaak is, en dat er geen redding is dan in den Heere Jezus Christus.
Daarom komt het voor ons in de eerste plaats aan op een paar goede oogen in geestelijken zin; desnoods op één goed oog, want de Heere heeft gezegd : het is u beter, maar één oog hebbende, tot het leven in te gaan, dan twee oogen hebbende, in het helsche vuur geworpen te worden.
De Heere neemt in bovengenoemden tekst het lichamelijk oog als beeld, om ons hierbij te wijzen op geestelijke zaken.
Wij bepalen u dan bij :
Ie. Het eenvoudige oog ; 2e. het booze oog ; en vragen ten 3e. hoe verkrijgen wij dat eenvoudige oog ?
1. Het eenvoudige oog. De aandacht des Heeren valt hier op het oog, dat kunstwerk van Gods schepping.
Welk een kostelijk geschenk, die oogen des menschen. De Prediker noemt ze : de vensteren naar de straat. Ze nemen alles op ; de geringste beweging, de rijkste verscheidenheid van kleuren. Het oog eindigt in een gezichtszenuw, die elken indruk en elke lijn van het op het netvlies geteekende beeld overbrengt naar ons innerlijk leven. De Heere noemt het oog de kaars (lamp) des lichaams. Wat wil dat zeggen ? Gij weet wat een lamp doet: zij verlicht de ruimte. Zij kunnen dan de voorwerpen onderscheiden en weten, waar wij ons bevinden of bewegen.
Dat doet nu ook het oog, zij het dan met dit onderscheid, dat het oog zelf geen licht geeft, maar opvangt. Het is het middel, om de dingen rondom ons op te nemen. Het oog is de gids, de wegwijzer voor het lichaam. Door middel van het oog weten wij, waar wij heen moeten.
„Indien dan uw oog eenvoudig is", dat beteekent : zuiver, normaal, zonder gebrek; ook wel : enkelvoudig, d.w.z. dat het één ding tegelijk goed opneemt. Wanneer het oog in dien zin eenvoudig is, ondervindt het geheele lichaam de vrucht daarvan. Dan weet het, waar het heen moet. Dan is de gang zeker en vast. Dan valt men niet over oneffenheden en keien. Dan gaat het werk ook geregeld.
Dus ook in het dagelijksch leven komt 't aan op het eenvoudige oog, dat let op zijn arbeid, dat het doel in het oog houdt. Een goed, ongedeeld gezicht op het werk is reeds en goed deel van het werk. Het maakt het lichaam vaardig. Maar als wij in één zaak u noodig hebben een eenvoudig oog, dan is het zeker wel in de dingen an Gods Koninkrijk. En nu doelen wij op et geestelijk oog van den geestelijken mensch; het oog der ziel.
Dat oog der ziel vooral mag waarlijk wel eenvoudig zijn, d.w.z. zuiver, onbedorven, zoodat het werkelijk de dingen naar waarheid vormt en weergeeft. Den mensch kan daar gewisselijk groote winst mee doen. Het eenvoudige oogi nzake de hemelsche dingen zal hem onmiddellijk vertellen, hoe het met hem staat en waar het heen moet.
Laat mij u enkele kenmerken noemen van dat geestelijk eenvoudige oog. Ik zou het ook willen noemen het rustige oog, d.w.z. het vliegt niet heen en weer over de dingen, maar bepaalt zich eenvoudig, ongedeeld bij het ééne noodige.
Het eenvoudige oog begint niet met ingewikkelde vraagstukken te bezien, die het hoofd wel, maar het hart niet raken ; het bemoeit zich niet met duizend dingen tegelijk, maar met één ding. Het richt zich vóór en boven alles op datgene wat de moeite waard is, en verliest geen tijd met zijwaarts blikken.
Het eenvoudige oog ziet den waren toestand des menschen onvergroot, maar ook onverkleind, zonder omwegen.
Het ziet opwaarts, om op God te letten. De mensch met het eenvoudige oog wil 't zijne hebben van 's menschen bestemming, namelijk wat oorspronkelijk zijne bestemming was. Dan ook: hoe diep en hoe ver de mensch daarvan is afgeweken. Daarom let dat eenvoudige oog op den eisch van Gods heilige Wet, Wanneer uw oog eenvoudig is, dan zal het ook goed kunnen lezen. En wanneer het eenvoudige oog in Gods Wet den vloek leest, dan wordt dat aan het hart onmiddellijk medegedeeld, want oog en hart correspondeeren ten nauwste met elkander.
Dus het eenvoudige oog neemt de dingen goed en terdege op. Het is met het halve aanschouwen niet tevreden. Het ziet de zondaarsziel totaal verloren en gevloekt. Het ziet duidelijk en helder Gods recht, en dat de mensch in alles schuldig staat. Het werpt zich met zijn blik op het geopenbaarde Woord. Maar dan ziet het ook verder in in Gods raad. Dan aanschouwt het het volle licht in het Lam Gods. Het ziet de vergeving en verzoening in dat Lam ; rechtvaardigheid, vrede en blijdschap door den Heiligen Geest. Het let altijd maar weer op den Heere, zoowel in het verdoemen als in het zaligspreken. Dan ziet het God den Heere als den God van volkomen zaligheid. En ook verder zoekt dat eenvoudige oog maar één ding : den Heere in alles. Zijne grootheid in Christus. Het heeft zich afgekeerd van de wereldsche zaken.
Waar dat eenvoudige oog gevonden wordt, daar zal dat ook aan den dag treden. Daar zal de geheele mensch er door verlicht wezen. Waar het oog de verlorenheid en den vloek aanschouwt, daar zal het hart zich er onder veroordeelen. Daar wordt het hart bedroefd naar God.
Waar 't eenvoudige oog den afstand schouwt, die den mensch scheidt van zijn Formeerder, daar wordt het heimwee geboren. Maar waar dat oog ook het Lam
Gods aanschouwt op den berg Zion, daar wordt in het hart de vreugde geboren bij de ontdekking van den weg der rechtvaardigmaking in Christus.
Waar het eenvoudige oog den heiligen weg aanschouwt, daar zal de geheele geestelijke mensch zich nu ook naar dien weg toekeeren en met Paulus zeggen : „Ik jaag er naar of ik het ook grijpen mocht, waartoe ik ook van Christus Jezus gegrepen ben".
Dat is de vrucht van het eenvoudige oog.
2. Maar nu het booze oog. Wij lezen : „Maar indien uw oog boos is, zoo zal uw geheele lichaam duister zijn”.
De Heere waarschuwt dus voor het booze oog. Wat is het ? In vorige dagen, waarin men geloofde in hekserij en tooverij, verstond men onder 't booze oog, dat iemand een ander met zijn blik reeds kwaad kon berokkenen. Daarvan is hier natuurlijk geen sprake. Wij moeten nu maar niet in de eerste plaats denken aan het booze oog van een ander, maar aan dat van ons zelf. Wij gaan geen studie maken van de oogen eens anderen, maar moeten de onze nu eens door den Hemelschen Arts laten onderzoeken. Want o die oogen ! die oogen ! ze staan in zoo wonderbare correspondentie met ons innerlijk leven. Uw hart spreekt er zich in uit zonder dat gij het zelf wilt. Snel hebben zij de dingen opgenomen en even snel de gewaarwording des harten weer teruggekaatst van liefde, haat, hartstocht, listigheid of blijdschap.
„Indien uw oog boos is " dat wil zeggen : bedorven, abnormaal. De Heere maakt hier niet de onderscheiding van : „ziende" en „blind". „Blind" is iets anders. Het oog kan boos of bedorven zijn, doordat het ziek is, of doordat er zich een ongewenscht voorwerp in bevindt, hetzij balk of splinter.
De koortslijder heeft het abnormale oog, want inplaats van de werkelijkheid, ziet hij het schrikbeeld zijner phantasie.
De dronkaard heeft het booze oog, want naarmate zijn brein beneveld is, aanschouwt hij de dingen.
De slaapwandelaar heeft het abnormale oog, want hij heeft de oogen open, maar neemt niet op. In al die gevallen is het geheele lichaam duister. Wanneer ons geestelijk oog boos is, dan zal ook onze innerlijke mensch geheel duister zijn, dat is : geheel in het donker tasten.
Wat is het kenmerk van het geestelijk booze oog ? Het ziet heel wat, wat het niet moest aanschouwen, en het ziet niet, datgene, wat 't onmiddellijk moest opmerken.
Inderdaad is het zien en het opmerken in het dagelijksch leven lang niet ieders werk. Daar zijn reizigers, toeristen, die soms uit een vreemd land komen aanstormen als een wervelwind. Zij moeten in een kort tijdsbestek alles gezien hebben. Het programma moet afgewerkt, opdat zij achteraf kunnen zeggen : „ik heb alles gezien". „ik heb niets gezien”.
Het booze oog op geestelijk terrein is helaas overwegend ; ja, van nature is elk mensch er mee behept. Het richt zich op de dingen der aarde en voedt daarmede het hart.
Had Eva niet het booze oog, toen zij zag, dat de boom goed was tot spijze ?
Had David niet het booze oog, toen hij vanaf het dak zijns huizes Uria's huis­vrouw zag ?
Hebben ook wij niet het booze oog, wanneer wij aanzien wat voor oogen is ? Wanneer wij mooi vinden wat afschuwelijk is ? Wanneer wij de schatten der aarde voor ware schatten aanzien, ook al zeggen wij met de lippen, dat geld maar aardsch slijk is ? O, dan dat arme hart !
En wat de hemelsche dingen aangaat : hebben wij dan niet allen het booze oog ? Iemand zal zeggen : wij zijn blind inzake de dingen des hemels. Zeker, ook dat is waar, maar de Heere noemt het nu eens met een andere vergelijking. Want het booze oog te hebben, is eigenlijk nog erger dan blind te zijn. De Heere zegt ergens : „Indien gij blind waart, zoo zoudt gij geen zonde hebben; maar nu zegt gij : wij zien ! Zoo blijft dan uwe zonde". Dat is immers juist de mensch met het booze oog, die dat laatste durft zeggen.
Wij meenen heel wat te zien van den hemel en van Gods barmhartigheid en van onze eigen zaligheid, en vergissen ons altijd weer.
Wij hebben van nature allen het booze oog. Ook wel in dezen zin : de mensch ziet allesbehalve vriendelijk op naar den hemel. Hij ziet wel wat boos over zijn val en vindt dat het toch eigenlijk niet te pas komt, dat God zijn val heeft toegelaten. Uit het booze oog flitst meer of minder de haat. „Haters Gods!”
Wij hebben ook het booze oog tegenover elkander. De eene mensch ziet den ander vaak wat afgunstig en wantrouwend aan. Booze oogen vervolgen elkander tot in de kerk toe. „Wij zijn ook : elkander hatende”.
Doch vooral : wij hebben het booze oog inzake den hemel. Het gaat ons als de dronkaard of als de koortslijder. Wij houden onze phantasieën voor werkelijkheid. Het booze oog ziet een hemel, waar inderdaad een hel is.
Het ziet een weg, waar een diepe afgrond is.
Daarom waarschuwt de Heere : „Indien dan het licht, dat in u is, duisternis is, hoe groot zal de duisternis zelve zijn”.
Wat beteekent dat ?
Elk mensch heeft nog enkele vonkskens, namelijk het verstand, de ingeschapen Godskennis en het geweten. Maar als het oog boos is, en het niet aanhoudt op het alleenzaligmakend Woord, wanneer het zich daarvan afwendt, dan wordt zelfs dat natuurlijk licht d in ons tot duisternis. Dan komen èn het verstand èn de ingeschapen Godskennis èn het geweten op dwaalwegen en eindigen in duisternis. En wat zal dan de duisternis groot zijn, wanneer ook dat licht tenslotte nog in duisternis verkeerde.
3e. Daarvoor nu waarschuwt de Heere met allen nadruk, opdat wij om dat eenvoudige oog waarlijk mogen leeren vragen. Juist daar, waar het aanwezig is, daar bidt men reeds : „Och ! dat ik klaar en onderscheiden zag !”
En : „Wend, wend mijn oog van de ijdelheden af !”
Want zoo wij hier niet meer mochten zeggen, zou dit wel een zeer sombere prediking zijn.
De Heere zegt ons eerst waarop wij het oog hebben te richten, namelijk op de schatten in den hemel. Daarna ook, wat daarvoor noodig is, namelijk het eenvoudige oog. Vervolgens beschrijft Hij ons, hoe treurig het gesteld is met hem, die het booze oog heeft.
En nu staat die hemelsche Oogarts gereed, om ons dat eenvoudige oog te schenken. Daar zijn er toch, die het reeds ontvingen. Weet gij hoe Hij het ons schenkt ? Hij maakt ons door de oogenzalf des Heiligen Geestes eerst ware ooglijders. Die zalf doet pijn. Dan worden ons onze oogen tot last. Dan gevoelen wij, dat ons hart daarom nog zoo hoog was, omdat onze oogen te hoog waren. Dan gevoelen wij ook, dat wij eigenlijk veel te veel gezien hebben naar andere menschen en dat wij daarmee onze eigen oogen steeds meer bedorven hebben. Dan gaat ons eigen booze oog ons eindelijk ergeren.
Dan worden wij bedroefd ter bekeering, wanneer de hemelsche Oogarts doorwerkt en dat doet Hij. Dan keeren wij tot ons zelf in. Dan beginnen wij te belijden : Ach, Heere ! ik heb zooveel gezien in het leven en nog maar al te veel langs mij zélf heengezien. Wil mij nu eens eenvoudig en klaar doen zien, dat ik die grootste zondaar ben. Maar dan ook, dat er voor mij nog genade is in Christus.
Hebben ook wij reeds dat eenvoudige oog, dat met waren kennersblik de diepe geheimen van het Woord in zich opneemt ? Het is de Heere, Die het schenkt. Gaarne vangt dan dat oog ook op het licht van 's Heeren Woord. Gaarne zit zulk een ziel neder aan de voeten des Heeren. Als het eerst de ellende gezien heeft, dan zoekt het overal den Koning in Zijne schoonheid. En als dat hart iets smaken mocht van de liefde van Christus, worden ook de oogen verlicht. Zie dan, wat gij ziet! Zie dan, hoe gij ziet! Die meent te zien, worde nog als een blinde en zalve zijne oogen met oogenzalf, opdat hij zien mag met het eenvoudige oog de volle waarheid.
Feijenoord.
 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 oktober 1933

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 oktober 1933

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

PDF Bekijken