Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

VAN DEN WOORDE GODS

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

VAN DEN WOORDE GODS

Uit het ongeschreven Woord.

11 minuten leestijd

Genesis 5 : 2. Man en vrouw schiep Hij hen en zegende ze en noemde hunnen naam Mensch, ten dage als zij geschapen werden.

LIl.
Het licht der Godsopenbaring had dus voor de levensbeschouwing der eerste gemeente, eeuwen voordat er een geschreven Woord van God was, eene zedelijke waardeering van het huwelijk tengevolge, waardoor dit als eene heilige instelling Gods werd erkend. Daardoor onderscheidde zij zij zich van het geslacht der Kaïnieten, dat met eene materialistische cultuur de polygamie had ingevoerd. In Gods Kerk was van den beginne het monogame huwelijk eene goddelijke ordinantie. Ook hierin is er overeenstemming tusschen wat de Schrift ons bewaard heeft uit de alleroudste traditie van het geslacht, dat leefde onder Gods verbond, en de resultaten eener op de gegevens zich baseerende sociologisohe wetenschap. Op het monogame huwelijk toch is de natuur aangelegd, daar het aantal mannen en dat der vrouwen, dat geboren wordt, vrijwel gelijk is. In de beschaafde maatschappij is het aantal der vrouwen iets grooter dan dat der mannen. Dat zulks bij volken op een lager cultuurpeil wel eens anders schijnt te zijn, vindt zijne verklaring daarin, dat de mannen aan veel grooter sterfkansen onderworpen zijn door krijg en beroep. Voor de vruchtbaarheid, dus voor de snelle toename der bevolking, is het monogame huwelijk een der meest beteekenisvolle factoren, daar de ervaring leert, dat naar ons gevoelen onzedelijke, ontuchtige levensverhoudingen het geboortecijfer ten zeerste drukken.
Aan Gods gemeente werd dan ook het monogame huwelijk als het van God verordineerde ontdekt en tevens geopenbaard, dat juist daarmede de vruchtbaarheid gewaarborgd was. Daarom wordt er aan die schepping van man en vrouw toegevoegd : „en God zegende ze". Daardoor wordt niet slechts uitgedrukt, dat de Heere hun, nadat zij geschapen waren, goede wenschen mede gaf op den weg des levens, dien zij te betreden hadden, doch dat Hij de levenskracht in hen sterkte en alzoo eene levensontplooiing wekte, die in groote vruchtbaarheid zich openbaarde. Hetgeen de Schrift ons van de oudste tradities van het menschelijk geslacht bewaard heeft, wijst dan ook uit, hoe groot de vermenigvuldiging geweest moet zijn. Niet elk kind, dat geboren werd, is ons in de geslachtsregisters met name genoemd. Maar wel blijkt duidelijk, dat er veel meer geboren werden dan ons wordt meegedeeld. Slechts de groote lijnen der geslachten worden aangegeven, en nog wel op zulk een wijze, dat zij nopen tot de veronderstelling van eene zeer snelle vermeerdering van het aantal menschen. Ook de langere levensduur was daarvoor van gewicht. „God zegende ze", zoo wordt ons in het boek van Adams geslacht gezegd, opdat wij zouden weten, hoe die oudste gemeente zich bewust is geweest, dat de levensontplooiing van de geslachten haar uit Gods hand toekwam. Gods Heilige Geest openbaarde haar, hoe zij voor het leven harer geslachten op Gods genadevollen zegen aangewezen was. Uit Gods hand leefde zij, zooals zij naar leven richtte op Zijne verheerlijking.
Het geslacht van Kaïn weet van deze geestelijke zijde des levens niets. Ook de Kaïnieten brengen zonen en dochteren voort, ook zij vermenigvuldigen, maar dat zij daarin den zegen des Heeren prijzen, daarvan blijkt niets. Slechts blijkt uit Lamech's bigamie, hoe de wellust een rol speelde in de ontwikkeling van het leven dezer geslachten. De verkiezende genade heeft dus van den beginne een diepgaanden invloed op het bewustzijn van de gemeente Gods. Zij voelt het leven geheel anders aan, schouwt het in geheel ander licht, weet zich aan Gods ordinantie gebonden, kent eene roeping voor Zijn aangezicht te wandelen en gehoorzaamt aan levensnormen, tengevolge waarvan de sociale ontwikkeling eene gestalte aanneemt, die met die der Kaïnieten principieel verschilt. Van de groote cultureele overwinning en van een weelderig landleven, van den opbloei van kunsten en techniek, lezen wij bij hen niet, al is daarmede niet gezegd, dat zij ook daarin niet gedeeld hebben. Maar wel laat ons dit boek van Adams geslacht zien, dat het, door Gods verkiezende genade onderscheiden, drager was van de vreeze Gods. En dit geslacht muntte uit door een geestelijken rijkdom, genoot eene levende kennisse Gods en was op dit gebied door het hoogste en edelste, dat de mensch kan ontvangen, eene lichtende vuurkolom in den nacht dezer tijden. Voor alle toekomende eeuwen bewaarde het Gods zaad als een onuitroeibaar levensbeginsel. Het was een gezegend geslacht, vooral daardoor, dat het zich van dien zegen bewust was. Immers ook Kaïn zou, indien hij een oog had gehad om het op te merken, nog hebben kunnen spreken van zegen. Doch hij merkte dien niet op, zooals de natuurlijke mensch Gods zegenende hand niet kan onderscheiden in zijn leven. Hij geniet alle weldaden, zonder te beseffen, dat het zegeningen zijn. Maar Gods kinderen krijgen een oog om te zien en een hart om op te merken, zoodat zij, daar zij weten alles verbeurd te hebben, roemen in den gunstrijken zegen huns Gods.
Het bijzondere licht van Gods openbaring wekte dus in deze oudste gemeente reeds terstond een geheel eigen levensbeschouwing, die noodzakelijk gepaard ging met eene daarin wortelende sociale en cultureele ontwikkeling, die voor het monogame huwelijk slechts ruimte had. Doch daarbij bleef het niet. Met dat door Gods Heilige Geest ontstoken licht over den eenigen, bijzonderen, goddelijken oorsprong van den mensch als een menschenpaar, als de eenheid van man en vrouw, hing nu ook samen eene bijzondere kennis van het menschelijke wezen zelf. De Schepper zelve heeft, ten dage als zij geschapen werden, hunnen naam „Mensch" genoemd. De Heere noemde hen, man en vrouw tezamen, „Mensch”.
Het merkwaardige hierbij is, dat deze naamgeving onmiddellijk van God wordt afgeleid. De naam „Mensch" wordt aan man en vrouw, nadat zij geschapen waren, door den Schepper gegeven. Nu is deze voorstelling in het scheppingsverhaal, gelijk het ons in Genesis 1 wordt bewaard, niet vreemd. Ook daar lezen wij voortdurend, dat God bepaalde namen geeft, woorden aanwijst om bepaalde zaken te noemen. Zoo noemt God het licht dag en de duisternis nacht. Het uitspansel noemt Hij hemel, het droge aarde, de wateren zeeën. Van alle andere schepselen wordt dit niet gezegd. Daarvan geldt alleen, dat God zag, dat het goed was. En toen Hij den mensch geschapen had en tusschen menschen en dieren eene verdeeling van spijze had tot stand gebracht, toen zag God al wat Hij gemaakt had, en ziet, het was zeer goed. Maar van eene naamgeving is geene sprake meer. De oorzaak, waarom deze naamgeving zich slechts over enkele grondmomenten in de schepping uitstrekt, is zeker wel. dat de kennis daarvan als eene bijzondere vrucht van openbaring wordt voorgesteld. Zij zijn als de voorwaarden voor het bestaan van alle andere schepselen, wier levensgang voor 't oog der menschen plaats grijpt, terwijl licht en duisternis, hemel, aarde en zeeën als de blijvende bestaansgrond voor de onderscheidene schepselen gelden kunnen. Gods openbaring gaf dus een bijzonder licht over de wording dezer elementen der zichtbare schepping. God noemde deze met de hun toekomende namen, dus Hij ontdekte het menschelijk bewustzijn voor hetgeen deze natuur-verschijnselen zijn, zoodat de mensch deze kan onderscheiden, niet slechts in hun bestaan, maar bovenal in hunne functie voor den levensgang voor en op deze aarde. Deze naamgeving Gods omschrijft dus, de ontdekkende werkzaamheid des Heiligen Geestes, waardoor de mensch deze dingen heeft leeren kennen.
En wat nu in het scheppingsverhaal in Genesis 1 wordt voorbij gegaan, dat wordt hier er aan toegevoegd : „Hij noemde hunnen naam „Mensch", Adam. In Genesis 2 : 19 en 20 noemt Adam de dieren. De Heere liet ze hem als 't ware zien, opdat hij ze onderkennen zou naar hun wezen en zou weten, dat er tusschen hem en die wereld der dieren geenerlei verwantschap bestond, terwijl hij in de vrouw zou zien de mensch, die been vaa zijn been, vleesch van zijn vleesch is. En dat zal de vrouw dan ook zijn voor de gansche menschenwereld, die na hen komt, want zij zal „Manninne" genaamd worden, de vrouwelijke mensch. En nu wordt ons hier meegedeeld in het boek van Adams geslachts, dat in onderscheiding van de Kaïnieten uit Gods Heiligen Geest wordt herboren : „Hij noemde hunnen naam „Mensch””.
Daardoor wordt ons dus meegedeeld, hoe het proces van openbaring, zooals deze door den Heiligen Geest als gegenereerd wordt in de oudste gemeente der eerste wereld de strekking heeft hare kennis aangaande den mensch zelven op te klaren. Zij leert verstaan, dat de Heere zelve haar voorhoudt, hoe de kinderen der menschen een wezen omdragen, waarvan de Schepper zelve haar heeft laten zien, dat het slechts genoemd kan worden met het woord „Adam", „Mensch”.
Uit Genesis 2 : 7 is het duidelijk, dat de naam „Adam" saamhangt met het woord, dat „aarde" beteekent. „En de Heere God", zoo staat daar, „had den mensch geformeerd uit het stof der aarde en in zijne neusgaten geblazen den adem des levens ; alzoo werd de mensch tot eene levende ziel". En dat woord, waardoor „aarde" wordt genoemd, wijst op „roode aarde". In Genesis 3 : 23 wordt de mensch uit Eden verzonden om den aardbodem te bebouwen, waaruit hij genomen was. Vanwege zijne zonde wordt de mensch dus uit het paradijs verdreven naar de aarde, „waaruit hij was genomen", opdat hij haar zal bebouwen. Daardoor wordt dus aan den mensch geopenbaard, dat het stof, waaruit hij genomen was, niet dat van den heerlijken hof van Eden was, maar uit de roode aarde, uit wat daarbuiten lag als de woeste en ongebouwde vlakte, waarheen hij gedreven werd om der zonde wil, opdat hij haar bewerken zou. De mensch moet het ons weten, dat hij, wat zijn stoffelijk wezen betreft, niet is uit de aardstof van het gewijde, geheiligde paradijs, maar uit die ongewijde, minderwaardige stof, die als de roode, onvruchtbare oppervlakte daar voor hem ligt, als hij wordt uitgebannen om haar te bearbeiden, opdat hij zich door arbeid in het zweet zijns aanschijns het brood verwerven zal. Daarin wordt dus de mensch met de dieren op één lijn gesteld, daar in Genesis 2 : 19 ook van dezen gezegd wordt, dat de Heere God „uit de aarde al het gedierte des velds" gemaakt had. Ook zij zijn uit diezelfde roode aarde. Op deze wijze wordt dus aan den mensch terstond in herinnering gebracht, de nederigheid zijner afkomst naar zijn stoffelijk wezen. Hij moest van stonde aan weten, hetgeen later door den Psalmdichter zoo schoon bezongen werd: Want Hij weet wat maaksel v/ij zijn, gedachtig zijnde, dat wij stof zijn". De mensch moest verstaan, dat hij als niets is, met God vergeleken, opdat hij met Job zou beseffen : „Wat is de mensch, dat Gij hem groot acht en dat Gij uw hart op hem zet? ”
Om deze nietswaardigheid des menschen in het licht te stellen, hem in zijne diepe afhankelijkheid van den Schepper neder te leggen, daarom wordt zijne verwantschap met de aarde, zijn ontstaan uit „roode aarde" zoo nadrukkelijk op den voorgrond gebracht. En de H. Geest heeft nu aan de oudste gemeente Gods terstond daarop het volle licht doen vallen. Zij moest het weten, dat hoe groot hij zich ook soms achten kan, en hoe hij ook als een Lamech in waanzinnigen hoogmoed kan meenen aan eigen kracht en geweld genoeg te hebben om zich in den levensstrijd te handhaven, hij toch wezenlijk slechts een „aardworm" is. Aan de eene zijde geschapen naar Gods beeld, drager van de hoogste redelijke en zedelijke krachten, bestemd om God zijnen Schepper te kermen en met Hem te verkeeren om Hem te loven en te prijzen, is hij anderzijds slechts een „Adam", genomen uit roode, minderwaardige, onheilige aarde, en bestemd tot het stof weder te keeren, waaruit hij is genomen. En het licht der openbaring, dat voor het oudste, eerste uitverkoren geslacht was opgegaan, heeft het van stonde aan in het bewustzijn van Gods kinderen gegegrift, dat des menschen naam „Adam", door God zelven genoemd was. De Heere zelve had hun laten zien, dat zij op geen anderen lof konden aanspraak maken. Daarom heeft dat geslacht onder het genadeverbond een licht gehad over het ware menschelijk wezen in zijn hooge ideëele bestemming als beelddrager Gods, in zijne eenheid van man en vrouw, om voor alle toekomende eeuwen de onvergankelijke waardij van het huwelijk en het gezin als ordinantie Gods te verkondigen en daardoor het levensbeeld te bereiden eener levende eenheid, die de apostel genoemd heeft: „de groote verborgenheid", waarop hij heenwees, als op de eenheid van Christus en de gemeente. Maar daarbenevens ontdekte Hij nu ook diezelfde uitverkoren geslachten voor de kleinheid, nietigheid en ijdelheid des menschen, opdat zij niet als een Lamech in ijdele zelfverheffing en dwazen waan zich zou verhoovaardigen, maar voor des Heeren aangezicht zich zou verootmoedigen, zich geringer zou houden dan deze, om te ervaren, dat Hij de nederigen uit het stof verhoogt en de heerlijkheid Zijner genade toonen wil in de zwakheid Zijner kinderen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van Thursday 23 November 1933

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

VAN DEN WOORDE GODS

Bekijk de hele uitgave van Thursday 23 November 1933

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

PDF Bekijken