Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

VAN DEN WOORDE GODS

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

VAN DEN WOORDE GODS

UIT HET OMGESCHREVEN WOORD.

11 minuten leestijd

Genesis 7 : 4. Want over nog zeven dagen zal Ik doen regenen op de aarde veertig dagen en veertig nachten en Ik zal van den aardbodem verdelgen al wat bestaat, dat Ik gemaakt heb.

IX.
4e Serie.
Reeds de oude wereld kent dus hier onderscheid tusschen rein en onrein, tusschen hetgeen past als offergave en wat niet, tusschen hetgeen Gode aangenaam en niet aangenaam zijn kan. Verwondering behoeft 't niet te baren, daar deze onderscheiding met het wezenlijke in de religie ten nauwste saamhangt. Zooals wij menschen voor ons zelven niet alles gelijkwaardig schatten, zoo geldt dit ook in verband met de religie. Hetgeen de mensch kostbaar, rijk, verheven acht, toegerust met eene bijzondere waarde, dat wil hij aan de godheid wijden. En daaruit volgt vanzelf de onderscheiding tusschen hetgeen als offer dienen kan en wat niet. En er is dan ook geen enkele reden om aan te nemen, dat de onderscheiding tusschen reine en onreine - dienaren in de dagen, waarin het zondvloedverhaal ons verplaatst, niet juist zou kunnen zijn. Omdat later in Mosaïsche tijden er een heel ingewikkeld systeem van wetgeving werd voortgebracht, daaruit volgt allerminst, dat er eeuwen voor deze niets te speuren was van het reine en het onreine. De oude traditie, waaruit het Schriftverhaal opgebouwd werd, heeft ook getuigd voor het bestaan dier zelfde cultische verschijnselen, al was; er dan van eene codificeering in de wetgeving nog geene sprake. In het leven van alle volken veronderstelt de wetgeving hetgeen vaak reeds eeuwen lang heeft bestaan, eeuwen lang in het volksleven eene functie vervulde en dat dan ook als gewoonte-recht aangeduid wordt.
Zoo zagen wij dan ook, hoe de Heere aan Noach opdroeg van het reine vee zeven paar te nemen, van het vee, dat niet rein is, slechts één paar. En ook insgelijks van het gevogelte des hemels zeven en zeven, het mannetje en het wijfje, opdat op deze wijze, „zaad levend werd gehouden op de gansche aarde".
De Heere stelt op deze wijze dus het gebod aan Noach voor in het licht van het komend-oordeel, dat menschen en beesten treffen zou, doch zóó, dat op eene bijzondere, genadevolle wijze, de levenskiemen uit de oude, ondergaande wereld, zouden worden overgebracht in de wereld, die na den zondvloed opkomen zou. De Schrift laat ons dus zeer duidelijk weten, dat de geschiedenis der wereld, die der menschheid ingesloten, één doorloopend geheel vormt. Van de schepping aan tot het komende einde, hebben wij van doen met eene zich ononderbroken doorzettende lijn van ontwikkeling. Het is de procesmatige ontwikkeling van het eene heelal en in d!at heelal van de ééne aarde en op die aarde van de ééne menschheid, die uit één geslacht gesproten, zich met den ganschen kosmos naar de eindbestemming van al het geschapene voortbeweegt. De groote catastrophe, die de zondvloed ongetwijfeld geweest is, betekent dus geen vernieuwing der aarde, is niet bedoeld als eene wederbaring van de oude wereld, maar als eene schakel in het scheppingswerk, dat tot zijne voleinding wordt gebracht. De zondvloed is niet meer dan een schakel in de Godsregeering, de zich ten doel stelt uit deze wereld te doen opkomen de nieuwe hemel en de nieuwe aarde, waarin de gerechtigheid woont. Hij is moment in het scheppingsproces, dat de Heere door den mond van Jesaja - aldus heeft omschreven : „Want ziet, Ik schep nieuwe hemelen en eene nieuwe aarde, en de vorige dingen zullen niet meer gedacht worden en zullen in het hart niet opkomen''. Daarom is er dan ook in den zondvloed een zedelijke factor, daar hij in verband staat met de oordeelen Gods over de zonde der oude wereld. Hoe groot deze ook was, kon zij toch niet de schepping eener nieuwe aarde eischen, omdat daarin dan zou openbaar worden, dat de macht der duisternis de overwinning weggedragen had over Hem, die alleen God is en niemand meer. Daarom, moest dan ook met de menschen de kiemzetting eener nieuwe dierenwereld worden bewaard, die te zamen met Noach's geslacht het ultgangspunt vormde voor een historische levensontwikkeling, die als een rijs je uit een afgehouwen tronk moest opkomen.
Het is dan ook daarom dat Noach opdracht ontvangt deze levens kiemen uit de oude wereld mede te nemen in de ark, opdat zij straks, als het oordeel voltrokken was en de aardbodem wederom gewijzigd en veranderd uit het badwater van den vloed zou opklimmen, zouden kunnen worden uitgezaaid op diezelfde aarde om alzoo het beginsel te zijn eener voortgezette historie van het menschelijk geslacht. En de Heere geeft aan Noach daarvan als rekenschap. Zijn uitverkoren knecht moet weten waarom het gaat. De Heere handelt met den mensch nimmer als ware deze als een stok en een blok. Hoewel het waar is, dat Gods volk zich leert kennen als leem in de handen des Heeren, die als de pottebakker is, toch beteekent dit niet, dat de Heere vergeten zou, dat de mensch naar Zijn beeld is gemaakt. Hij handelt steeds redelijk met den mensch, ook dan, als de mensch zich niet redelijk gedraagt voor Zijn aangezicht. Ook dan, als Zijn volk niet verstaat en minder zich gedraagt dan de os en de ezel, die de kribbe huns heeren kennen, blijft de Heere nog de leermeester, de onderwijzer Zijner kinderen. En daarom - doet Hij ook Noach verstaan, welk doel de Heere nastreeft, wanneer Hij aan Noach opdraagt in de pas gebouwde ark de reine dieren in zeven paren, de onreine in paren in te brengen. De tijd was genaderd, het oordeel was aanstaande en daarom de ark moest hare bewoners ontvangen. Nog ééne week, nog zeven dagen, zoo zegt de Heere, dan vangt het oordeel aan. Er was dus haast, indien alles ordelijk zou geschieden. De ark moest bevolkt, voordat de vloed kwam. De Heere zou doen regenen veertig dagen en veertig nachten en de stroomen zouden neerplassen op de aarde. De Heere zou het doen, zoo staat er geschreven, en daaruit blijkt, hoe de wereldbeschouwing der Schrift diep religieus van karakter is. De Schrift teekent ons den regen niet alleen hier, maar ook elders in de Schrift als gewrocht Gods, als onmiddellijk door den Heere als besteld en gezonden. God doet regenen, en de menschen beschouwen dit alles geheel anders. De heidenen zien naar hunne goden en onder oud Israël waren ook velen, die zoo dachten. Daarom als Jeremia met God worstelt in de groote droogte, opdat de verdorring der velden aal wijken en het vreeselijke leed zal worden weggenomen, dat mensch en dier diep in de ellende neerdaalt, dan besluit hij zijn gebed aldus : „Zijn er onder de ijdelheden der heidenen, die doen regenen ? of kan de hemel druppelen geven ? Zijt Gij die niet, o Heere onze God ? Daarom zullen wij op U wachten, want Gij doet al die dingen". En zooals nu - de heidenen zagen op de afgoden, zoo ziet de moderne mensch op de wetenschap en de techniek. Hoevelen zijn er niet, die op het weerglas zich blind staren, als gaf dit den regen en den zonneschijn. En wie leest, hoe met name op dit oogenblik de Russische menschheid zich afslooft om der wereld te toonen, dat zij geen God behoeft, zich tracht voor te doen als geeft de mensch zelve den wasdom en als waren wij ook daarvoor niet meer afhankelijk van het Opperwezen, voor dien is het duidelijk, hoe ver de volken zijn afgeweken van den weg der waarheid, hoe de moderne mensch minder geworden is en de heidenen, die althans nog oog hadden voor de hoogere macht, die alle dingen leidt en regeert en uit welker hand mij alle goede gaven hebben ontvangen en ontvangen moeten. En alzoo heeft de Heere het aan Noach voorgehouden. De Heere zegt tot Noach : „over zeven dagen zal Ik doen regenen op de aarde". In Genesis 6 : 17 had God gezegd : „Want Ik, zie Ik breng een watervloed over de aarde", was aan Noach zijne uitverkiezing verkondigd en ook een blik gegund op den komenden vloed, was hem zeer in het algemeen gezegd, hoe en wat hij te verrichten had om zelve niet alleen, maar ook de dieren in het leven te behouden. En hier wordt dit nader toegelicht, meer in bijzonderheden verklaard, opdat Noach nu tot de daad zou overgaan. En zoo wordt hem ook toegelicht met meerdere bijzonderheden, hoe de vloed zou ontstaan. De Heere zal het doen regenen op de aarde, veertig dagen en veertig nachten.
Zoo wordt dus Noach de redelijkheld van des Heeren opdracht voorgehouden. Hoe vreemd zijn gedrag ook aan de kinderen dezer wereld mocht toeschijnen, hoe ongegrond, hoe onredelijk zelfs 't moest voorkomen aan hen, die van de vreeze Gods waren vervreemd, Noach luistert naar de toelichting Gods en verstaat haar door het geloof. Veertig dagen en veertig nachten zal God doen regenen. In dat getal wordt uitdrukking gegeven aan de volkomen alzijdigheid, aan de geweldige kracht en intensiteit, waarmede de regen nedervallen zou. Dit toch is merkwaardig, dat het getal 40 in de Schrift niet slechts de strekking heeft om het aantal dagen te noemen, maar ook in symbolischen zin om het universeele, het overal zich voordoende verschijnsel aan te dulden. Zooals bij de volken het getal zeven de alheid, de volkomenheid aanduidt, zoo heeft ook het getal vier een kosmische strekking, het wijst op de vier hoeken der aarde, zoodat het een mystiek getal werd bij de volken. Vier duidt het alzijdige, universeele aan en had dit symbolisch karakter reeds van de alleroudste tijden aan. Jesaja 11 : 12 getuigt er van, als de Heere door Jesaja's mond aan Zijn volk belooft, dat Hij een banier zal oprichten onder de heidenen, de verdrevenen van Israël zal verzamelen, de verstrooiden van Juda vergaderen „van de vier einden des aardrijks". En nu is veertig het tienvoud van vier, waardoor alzoo in nog veel sterker mate het algemeene, alomvattende, universeele van dien geweldigen regen wordt aangeduid. De veertig dagen en de veertig nachten, waarvan de Heere hier spreekt, hebben dus in des Heeren mond de strekking het geweldige, het overweldigende van dien komenden regen aan Noach voor te houden, om hem. onder de vreeze der komende verwoesting te dringen tot een ijver in de opvolging Zijner geboden. Nog slechts zeven dagen en dan zal het oordeel zich voltrekken door den geweldigen regen. De Heere doet dien opkomen. In Zijne hand is het gansche wereldbestuur. De Heere doet de woestijn beven, breekt de cederen van den Libanon, doet de hinden jongen werpen en ontbloot de wouden. Zijne stem is op de wateren, de God der eere dondert. De menschen zoeken, en terecht, naar de oorzaken van de groote natuurverschijnselen. Zij trachten uit de gegevens, die aanwezig zijn, het komende te verklaren. Doch tot de laatste oorzaak klmmen zij niet op. Het waarom, dat al deze gegevens, die toch ook weder een oorzaak hebben, bepaald heeft, ontsnapt ten laatste aan den speurzin des menschen, die staan blijft voor de laatste grenzen, die geen mensch overschrijden kan. En aan die laatste grenzen van het menschelijk weten verschijnt de Almachtige, die tot Noach zegt: Ik zal doen regenen op de aarde veertig dagen en veertig nachten, veertig etmalen dus, gedurende welke de regen nederplassen zal. En deze regen zal zijn van bijzondere, van allesoverweldigende kracht, grooter dan alle regen, die ooit door de kinderen der menschen gezien werd, de regen in den overtreffenden trap.
En daarom voegt de Heere nu nog eene andere beschrijving der gevolgen er aan toe. In Genesis 6 : 17 wordt gesproken van een watervloed, dien de Heere brengen zal over de aarde om alle vleesch, waarin een geest des levens is, van onder den hemel te verderven. En hier wordt gesproken van den regen, dien de Heere zenden zai en waardoor Hij van den aardbodem zal verdelgen al hetgeen bestaat, dat Hij gemaakt heeft. Zoo wordt dus, zij het ook in eenigszlns andere woorden, hetzelfde herhaald, opdat Noach, nu het aankomt op de uitvoering der woorden Gods, het bevel zal zien in zijne volstrekte noodzakelijkheid. God wil, dat aan Noach het licht over het komend oordeel zal opgaan in volle klaarheid, opdat hij daardoor, als door goddelijke aanspraak vermaand, doen zal wat zijne hand nu vindt om te doen. De vlucht voor het oordeel vangt aan met het samenbrengen van dieren der aarde in de reddende ark. De ondergang van al wat adem heeft, zal aanvangen en voor dat begin moet Noach ook de hem toegewezen dieren in veiligheid brengen. Zoo wordt hij, de uitverkorene met de zijnen, geleid door Gods hand, onttrokken aan den vloek des oordeels en is deze Noach de eeuwen door het levend exempel van de uitverkiezende daden des Heeren, die in de ark ons het voorbeeld bereidde van de reddende genade in Christus en Zijne Kerk der wereld voorgehouden. Moge Noach's geloofsgehoorzaamheid ons leiden tot den Heere Jezus Christus, opdat wij in Zijne ruste mogen ingaan.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 mei 1935

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

VAN DEN WOORDE GODS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 mei 1935

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

PDF Bekijken