Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

DE RECHTVAARDIGMAKING

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

DE RECHTVAARDIGMAKING

11 minuten leestijd

In de rechtvaardigmaking, zooals zij uit de eeuwigheid opkomt en in Christus' opstanding uit de dooden haar vasten, objectief en grondslag ontvangt, hebben wij met die zijde der rechtvaardigmaking te doen, die ons haar laat zien als een werk van God en van God alleen. Hier treedt God ter onzer verlossing en vrijspraak op, zonder dat wij er dadelijk in gemengd worden. Zonder ons wordt over ons beslist, maar Gods Kerk weet, dat het niet de beslissing is van den overwinnaar der wereld, die zich verlustigt in den ondergang van den overwonnene, maar de beslissing van een ontfermend God, die haar ten goede komt en het leven haar brengt.
Wanneer dit werk der verlossing ter kennis van den zondaar wordt gebracht, wanneer het God belieft hem op grond van Christus' verlossing de vrijspraak bekend te maken, dan moet ook in dien weg tot openbaring komen, dat het geheel en al een vrijspraak uit louter genade is en dat deze vrijspraak niet gebouwd is op iets dat in den mensch werd gevonden.
Deze gedachte staat voor Comrie als een paal boven water, als hij na de bespreking van de twee eerste deelen van de rechtvaardigmaking tot de behandeling van het derde deel overgaat. Voor dat de zondaar tot God kon roepen om de vergeving zijner zonden, ja, voordat hij dadelijk toestond, heeft God de Heer e onafhankelijk van hem in Christus de verlossing gewrocht en de vrijspraak bereid ; het is duidelijk, dat die vrijspraak in den tijd hem dan ook uit genade alleen gewordt en dat niet zijn gebeden en berouw, of wat ook, den Heere daartoe bewegen.
Zelfs acht Comrie het van groote beteekenis bij de bespreking van het derde stuk der rechtvaardigmaking er den nadruk op te leggen, dat de rechtvaardigmaking aan de heiligmaking voorafgaat. „Ons verschil is of onze rechtvaardigmaking van de zijde Gods geschiedt door onmiddellijke, directe en voorafgaande berekening „van Christus' borggerechtigheid tot rechtvaardigheid, uit welke toerekening als den eenigen „Gode betamelijken grond voortvloeit het geschenk van den Heiligen Geest" (a.w. pag. 89). Uit dit geschenk van den Heiligen Geest ziet hij verder de roeping, het geloof en de heiligmaking in engeren zin opkomen.
Deze gedachte is volkomen Schriftuurlijk. Waar de zonden niet vergeven zijn, kan de Heilige Geest niet verlossend werkzaam zijn, want de zaligmakende werkingen des Heiligen Geestes zijn een vrucht van Christus' verzoening. Daarom zegt ook de apostel Johannes in zijn evangelie naar aanleiding van een woord, waarin de Heiland van die vruchtbaarmakende werking des H. Geestes sprak : de Heilige Geest was nog niet, overmits Jezus nog niet verheerlijkt was. De orde des heils eischte, dat Jezus eerst met Zijn eigen bloed in het heiligdom zou zijn ingegaan, voordat de Heilige Geest op grond van dit Zijn hoogepriesterlijk werk aan de Gemeente kon worden gegeven.
Door deze gedachte, n.l. dat de heiligmaking vrucht is van de rechtvaardigmaking , en niet omgekeerd de rechtvaardigmaking op de heiligmaking gebouwd is, die door het subjectivisme maar al te zeer op zij was geschoven, zijn velen In onze dagen er toe gekomen om een persoonlijke rechtvaardigmaking voor te staan, die tevens het begin is van het nieuwe leven des geloofs. Zoó consequent wordt deze gedachte doorgevoerd, dat men durft te breken met wat eeuwen lang tot het gemeen geloof van Gods Kerk heeft toehoord en de stelling durft te poneeren, dat vóór dat oogenblik, waarin de mensch zich bewust de gerechtigheid van Christus door God ziet toegewezen, hy dood was, geheel en al dood, en dat door die toerekening voor het eerst de mensch tot nieuw leven wordt verwekt.
De droefheid over de zonde, het verlangen en het gebed om genade, honger en dorst naar Christus, mogen als voorbereidende werkingen niet geheel geloochend worden, men wil hier toch niet van een waarachtige verandering en levendmaking van den zondaar gesproken zien. Zelfs gaan sommigen zoó ver, dat zij deze geestelijke werkzaamheden voor zeer ongeestelijke pogingen houden om zich zelf overeind te houden, ja, de honger en dorst naar Christus' gerechtigheid is niet anders dan een poging om zichzelf met Jezus op de heen te houden, een trachten om aan het oordeel Gods te ontkomen.
Wanneer men dergelijke dwaasheden hoort uitkramen als de hoogste wijsheid, mag men wel bidden, ook om voor drift en toorn bewaard te worden : Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen. Neen, zij weten niet wat zy doen, want een dergelijke prediking grenst aan het godslasterlijke en men loopt hier groot gevaar om te komen tot de zonde tegen den Heiligen Geest. Want alle woord, dat de mensch tegen den Zoon des menschen gesproken zal hebben, zal hem vergeven worden, maar zoo wie tegen den Heiligen Geest gesproken zal hebben, het zal hem niet vergeven worden. Wie het wondere werk des Heiligen Geestes in de verbreking van een zondaarshart niet met eerbied en vreeze weet te aanschouwen als een vrucht, die uit den doodenakker van het menschenhart niet tot In der eeuwigheid van zelf zal opspruiten, moet met zijn onhefflige handen niet grijpen naar het heilige werk der bediening des Woords, want zoo wie een van deze kleinen ergert, zegt de Heere, het ware hem beter dat een molensteen aan zijn hals ware gehangen en hij in de diepte der zee ware geworpen.
Al is er dus overeenstemming tusschen Comrie en de bovenbedoelde predikers, in zooverre zij evenals Comrie ook in de particuliere rechtvaardigmaking de rechtvaardigmaking aan de heiligmaking willen doen voorafgaan, nochtans meene niemand, dat zij krachtens die overeenstemming zich op Comrie kunnen toeroepen. De uitwerking van dezelfde gedachte is zoó verschillend, dat Comrie met een zekere afschuw de voorstelling verwerpt, die zy aanhangen.
Wij willen dat thans eerst aanwijzen, omdat sommigen, die het nieuwe licht verkondigen, gaarne doen alsof zy zich op de vaderen kunnen beroepen. Nu, in zooverre is dit waar, dat, wat zij verkondigen, niets nieuws is, maar ook vroeger reeds is aangehangen, maar dan door menschen, die door onze vaderen als onrechtzinnig werden bestempeld en van wier leeringen zij gruwden.
Een van de eerste geschilpunten is, dat Comrie de toerekening van Christus' gerechtigheid aan den zondaar zoozeer als een daad Gods wenscht te zien, dat de mensch daarin absoluut lijdelijk is, zoodat deze daad ook buiten het bewustzijn van den mensch omgaat. Want zoodra Gods daden voor ons bewustzijn gaan leven, zijn wij niet meer lijdelijk daarin betrokken, maar zijn wij dadelijk daarin werkzaam. En zelfs deze dadelijke bewustzijnsarbeid wil Comrie hier verwijderen, opdat de mensch niet daardoor weer zoo in de rechtvaardiging worde betrokken, dat opnieuw gevaar voor heit Remonstrantisme opkomt.
De mannen, van wie wij zooeven spraken, kennen echter geen andere rechtvaardigmaking dam die in het bewustzijn van den mensch verschijnt, zoodat dit werk Gods geen bestand heeft in zich zelf, onafhankelijk van den mensch, maar zijn bestand enkel vindt in het bewustzijn van den mensch, die Gods Woord ter rechtvaardiging heeft gehoord en aangenomen. Zij onderschrijven daarmede de stelling van Barth, dat God spreekt en de mensch hoort, feitelijk identiek is. Dat God een zondaar rechtvaardigt en die zondaar bewust gerechtvaardigd is, is eigenlijk voor hem een en hetzelfde. Bij ds. Van Schuppen zien wij nog een poging om aan dezen gevaarlijken weg, waarbij God en mensch eigenlijk in elkander geschoven worden, te ontkomen, door af en toe het werk Gods en de bewuste rechtvaardiging van den mensch ieder in één van elkander gescheiden oogenblik te plaatsen. Hij spreekt dan van de Godsdaad ter rechtvaardiging als een op zichzelf staande daad en onmiddellijk daarna weet de mensch zich gerechtvaardigd. Dit bedoelt hij waarschijnlijk ook, als hij zegt, dat tusschen dood en leven slechts één oogenblik kan liggen. De consequentie van zijn beginsel drijft hem echter voort om even later dat alles als ballast over boord te werpen, en alles in één oogenblik te besluiten. „Al deze „zaken grijpen op één oogenblik plaats. De rechtvaardigmakende daad Gods en de vrijspraak , door of uit of op het geloof, geschieden in een „punt des tijds". (Pag. 56).
Dit verschil in spreekwijze ver klare men niet uit slordigheid, maar is veelmeer daaraan te danken, dat het gemoed van ds. Van Schuppen, dat van jongs af in de Gereformeerde leer gedrenkt is, onbewust de consequentie van zijn eigen stellingen weerstreeft, waardoor Gods daden en ons bewustzijn daarvan samenvallen en tenslotte, zooals zekere philosophie ook leert, God en ons bewustzijn van God hetzelfde zijn, zoodat niet de objectieve wereld buiten ons, waarvan wij zelf deel uitmaken, de werkelijke wereld' is, maar de wereld van ons bewustzijn de werkelijke wereld is en wat wij werkelijkheid plegen te noemen, niet anders is dan een weerschijn van ons bewustzijn en als zoodanig weinig minder dan schijn.
Het groote verschil tusschen Comrie en de tegenwoordige leeraars eener bewuste rechtvaardigmaking bestaat echter daarin, dat Comrie zoowel uit de Schrift als uit de ervaring overtuigd was, dat de hartelijke zucht om genade, het heilbegeerig verlangen naar Christus en al wat daarmede gepaard gaat, voor zaligmakende werkingen van den Heiligen Geest moeten worden gehouden, die eerst de behoefte verwekt en daarna die behoefte vervult. En al verklaart hij deze zaligmakende werkingen des Geestes uit de voorafgaande toerekening van Christus' gerechtigheid, zoo kan hij nochtans, omdat hij deze toerekening buiten het bewustzijn van den betref f enden persoon laat omgaan, zelfs de overtuiging van zonde en al wat voorafgaat, aan de bewuste omhelzing van Christus uit deze toerekening laten opkomen als een vrucht en dus de heiligmaking op de rechtvaardigmaking gronden. Grooten nadruk wil hij zelfs hierop leggen, om zoo den bodem in te slaan van de onverstandige behandeling van zielen, niets voor ware genade houdende, totdat men met bewustheid en verzekering zich zoo aan Christus kwijt gemaakt heeft, dat men in zijn „gemoed zoo verwijderd worde, dat men in dat „oogenblik aan zijn levendmaking niet twijfelt" (a.w. pag. 123).
Om Comrie's gevoelen goed te verstaan, moet men in aanmerking nemen, dat Comrie de rechtvaardigmaking in de vierschaar der conscientie niet ontkent, maar dat hij oordeelt dat deze rechtvaardigmaking, die uit en na en op het geloof volgt, haar verklaring ontvangt uit de rechtvaardigmaking , die aan het geloof voorafgaat. Uit de laatste leidt hij af „al die werkzaamheden „van begeerten, reikhalzen, hongeren en dorsten „en toevlucht nemen tot den Heiland uit een verootmoedigde gestalte, die onvoldaanheid, krankheid en kommer des harten veronderstellen, dewijl de ziel het gevoelen van haar rechtvaardigmaking in haar zelf nog niet gewaar geworden is, maar schreeuwende daarnaar meer als een „hert naar de waterstroomen ; ja, dat ik deze „alle houd voor ware uitvloeiselen van het ware „zaligmakende geloof en onfeilbare bewijzen, dat „wij bevorens van God gerechtvaardigd zijn „en niet daarna en daarop van God gerechtvaardigd zullen worden, noch als dingen, die het zaligmakend geloof voorgaan, opdat het in ons hart gevormd zou worden, ofschoon wij voor als nog niet in en bij ons zelf gerechtvaardigd zijn door de geloovige gewaarwording van ons aandeel aan deze weldaad in ons eigen gemoed ; en dat wij, schoon deze niet verkregen hebbende, kwamen te sterven, zalig zouden worden, dewijl de volkomenheid van de rechtvaardigmaking voor God, in zijn vierschaar in zich zelven, niet bestaat in hetgeen wij gevoelen, maar in hetgeen God aan ons toegerekend heeft, ofschoon de volkomenheid voor ons en tot ,onzen troost in de gevoelige gewaarwording en verzekering daarvan door den Heiligen Geest, in ons gemoed getuigende ons aandeel daaraan, „volstrekt gelegen is", (a.w. pag. 170).
Deze uitvoerige aanhalingen uit Comrie meenden wij niet achterwege te mogen laten, wijl hieruit klaar blijkt, dat deze verdediger van de rechtvaardigmaking uit genade alleen, die daarom de rechtvaardigmaking als de bron ziet, waaruit de heiligmaking voortkomt, geen oogehblik er aan gedacht heeft om den mensch dood te verklaren, totdat het oogenblik komt, dat hij bewust de gerechtigheid van Christus zich ziet toegewezen en hij deze ook bewust omhelzen kan. Zulks een oogenblik te veronderstellen zou reeds een bewijs zijn, dat men noch de geschriften van dezen man kent, noch op de hoogte is van het algemeen gevoelen, dat aangaande deze zaak alle eeuwen door in Gods Kerk gewoond heeft en dat een gevoelen genoemd kan worden, dat onder ons volkomen zekerheid heeft.
Het zou ons te ver voeren om, wat wij uit Comrie hebben aangetoond, op dezelfde wijze te staven met aanhalingen uit de geschriften der reformatoren, maar wij aarzelen niet om te zeggen, dat de zienswijze, die wij in deze stukken afwijzen, een van de bitterste vruchten van het subjectivisme is en dat, zoo men dit gevoelen, dat bij den eenvoudige, die enkel met zijn eigen bevinding te rade gaat, te verklaren is, wetenschappelijk nader wü. staven, men zijn toevlucht moet nemen tot een onschriftuurlijke wijsbegeerte, die de daden Gods en ons bewustzijn daarvan geheel vereenzelvigt, zoodat ons ook geen andere kennisse Gods en Zijner daden overblijft dan die uit ons bewustzijn daarvan wordt opgebouwd.
De Schrift heelt hier afgedaan als bron der Godskennis ; aas bewustzijn of de .bevinding zijn dan de eenige bron van kennis, die ons overgebleven is.

O. a/d IJ.

Woelderink

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 augustus 1935

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DE RECHTVAARDIGMAKING

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 augustus 1935

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

PDF Bekijken