Bekijk het origineel

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

5 minuten leestijd

EEN LASTIG ONDERWERP. (2)
Zooals wij de vorige week schreven, gaan alle Gereformeerden, tot welke Kerk of tot welke politieke partij zij behooren, met het eerste gedeelte van Artikel 36 accoord.
Ook is er geen verschil van gevoelen over het tweede gedeelte van het artikel, waarin het van het ambt der Overheid luidt:
»Verder, een ieder, van wat betrekking, kring of stand hij zij, is schuldig zich aan de Overheden te onderwerpen, schattingen te betalen, hun eer en eerbied toe te dragen en hun gehoorzaam te zijn in alle dingen, die niet strijden tegen Gods Woord ; voor hen biddende in hunne gebeden, opdat hen de Heere bestieren wil in al hunne wegen en dat wij een gerust en stil leven leiden in Godzaligheid en eerbaarheid«.
En eveneens stemmen allen, die de Heilige Schrift, als Gods Woord, aanvaarden, eensgezind in met het slot van het Artikel, waarin gezegd wordt :
»En hierom verwerpen wij de Wederdoopers en andere oproerige menschen, en in het algemeen al degenen, die de Overheden en Magistraten verwerpen, en de Justitie omstooten willen, de gemeenschap der goederen invoeren, en de eerbaarheid verwarren, die God onder de menschen gesteld heeft«.
Over al deze waarheden, die de Gereformeerde Vaderen in Artikel 36 van de Belijdenis hebben te schrift gesteld, is er bij het Gereformeerde volk in Nederland volledige overeenstemming.
Doch tusschen het eerste en tweede gedeelte van hetgeen uit Artikel 36 hierboven werd neergeschreven, staat een zin, waarmede de moeilijkheden een aanvang nemen.
Deze moeilijkheden zitten hierin, dat de Overheid niet alleen als haar ambt moet beschouwen: „acht te nemen en t» waken over de politie", maar, zooals wij de vorige week reeds opmerkten, ook de hand heeft te houden „aan den heiligen Kerkedienst".
De vraag, die hier onmiddellijk rijst, is deze : Wat onder de heilige Kerkedienst is te verstaan en op welke wijze de Overheid, d.w.z. de landsen de gemeentelijke Overheid, de taak van het ter hand nemen van den heiligen Kerkedienst heeft op te vatten ?
Moeten b. v., om een voorbeeld te noemen : Burgemeester en Wethouders in opdracht van den Gemeenteraad toezien, dat de burgerlijke gemeente naarstiglijk ter kerke gaat, dat men aan de viering van het Heilig Avondmaal getrouwelijk deelneemt, dat aan alle kinderen de Heilige Doop wordt toegediend en dat de predikanten het Woord en de Sacramenten bedienen overeenkomstig Gods heilig Woord ?
En wanneer dit dan niet geschiedt en daarin wordt tekort geschoten, zoodat de heilige Kerkedienst wordt verwaarloosd, moet dan de Gemeenteraad, d. i. de gemeentelijke Overheid, die de hand heeft te houden aan den heiligen Kerkedienst, op de nalatigheid der burgers straffen stellen en hen dwingen, desnoods door de sterke arm der politie, aan hun roeping te voldoen ?
Een tweede vraag is deze : hoe moet de houding der Overheid zijn bij het: „de hand houden aan den heiligen Kerkedienst" tegenover de Roomsch-Katholieken, de Joden en andere godsdienstige gezindten der bevolking ?
Deze vragen zouden met meerdere zijn aan te vullen. De zaak van het: de hand houden aan den heiligen Kerkedienst, wordt intusschen nog ingewikkelder, als gelet wordt, op wat de Gereformeerde Vaderen in het tusschengedeelte van Artikel 36 der Gereformeerde Geloofsbelijdenis nog meer verklaren.
Behalve dat de Overheid de hand moet houden aan den heiligen Kerkedienst, zeggen zij ook, dat het tot het ambt der Overheid behoort:
om te weren en uit te roeien alle afgoderijen en valschen godsdienst, om het rijk van den Antichrist te gronde te werpen en het Koninkrijk van Jezus Christus te bevorderen, het Woord des Evangelies overal te doen prediken, opdat God van een iegelijk geëerd en gediend worde, gelijk Hij in Zijn Woord gebiedt.
Eenigen tijd geleden hoorden wij een vooraanstaand Hervormd-Gereformeerd theoloog in een rede over dit gedeelte van Artikel 36 zeggen :
Dat is nog al wat!
De Overheid, de burgerlijke Overheid, Burgemeester en Wethouders en Gemeenteraad, de Regeering des lands, de Koningin en Ministers moeten alle afgoderij en valschen godsdienst weren en uitroeien, om zoo het rijk van den antichrist te gronde te werpen, om zoo het Koninkrijk van Jezus Christus te doen vorderen onder het volk in stad en in dorp en uit te breiden in Nederland en in de Indien, ja, tot het uiterste einde der aarde, totdat de antichrist weg is en het Rijk van Christus alom tot heerschappij is gekomen.
Dat moet de Overheid doen !
En daartoe moet de Overheid het Woord des Evangelies overal doen prediken.
De Overheid moet dat doen !
Opdat de Overheid bewerke, dat God van een iegelijk geëerd en gediend worde, gelijk Hij in Zijn Woord gebiedt.
Dat moet de Overheid doen !
Wie voelt niet, dat onze Vaderen hier een massa gezegd hebben, waarover werkelijk wel eens in de 20ste eeuw mag gepraat worden, waarbij wij voelen, dat de Gereformeerde Vaderen er zich wel wat gemakkelijk hebben afgemaakt, met te zeggen : „gelijk God in Zijn Woord gebiedt".
Of zij zelf in hun dagen van de Overheid geeischt hebben, dat deze het handhaven van den heiligen Kerkedienst consequent doorvoerden ?
Wat daarvan bekend is, doet daaraan twijfelen. Intusschen zijn hier moeilijkheden, groote moeilijkheden aanwezig, die de volle aandacht verdienen.
Doch daarover in een slotartikel.
(Slot volgt).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 augustus 1935

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 augustus 1935

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

PDF Bekijken