Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

HET LEVEN NA DEN DOOD

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

HET LEVEN NA DEN DOOD

17 minuten leestijd

Nog niet zoo héél lang ligt het achter ons, dat in tal van kringen als hoogste wijsheid verkondigd werd : dood is dood". Maar men heeft zich al te gemakkelijk van het geweldige probleem, van den dood en van het leven hiernamaals afgemaakt. De mensch bestaat niet alleen uit stof, dat bij 't sterven in elkaar zakt en vergaat. De ziel is er óók nog. En er is gekomen „de overwinning der ziel". De vraag naar de ziel kwam en liet niet meer los. En weinigen zijn er nu meer, die zich wetenschappelijk van de dingen afmaken, met nuchter te zeggen : „dood is dood". Men weet beter. Het wordt nu menschonteerend geacht, materialistisch te spreken van stof en enkel stof. De geest, de ziel vraagt naar de haar toekomende plaats. En zoo is 't gekomen, dat nu bijna ieder zegt: „dood is niet dood" ; waarbij de vragen naar de ziel, vooral naar 't geen er met de ziel na den dood gebeurt, legio geworden zijn. Zoo stug als men vroeger was om over 't sterven en over den toestand na den dood te spreken, zoo nieuwsgierig betoont men zich nu, om in deze dingen in te dringen en telkens komen er weer nieuwe vragen, zonder einde, waarop men antwoord begeert.
Let er eens op, hoeveel menschen er „spiritist" zijn ! En 't is voor ons bewijs, dat liet meer met den aard van den mensch overeenkomt in een leven na dit leven te gelooven, dan het omgekeerde.
Jammer, dat zoo velen weigeren zich eenvoudig te plaatsen op den bodem der Schrift, om daar te luisteren naar Gods stem en zich te laten leiden in alle waarheid.
Niet, dat de Bijbel alle vragen op dit terrein beantwoordt. Juist niet. De Heilige Schrift is altijd zeer sober in het spreken over hetgeen er met den mensch geschiedt als hij sterft en wat er zooal gebeuren zal aan de overzijde van het graf. Voor nieuwsgierigen heeft de Bijbel dan altijd het woord klaar: „de verborgene dingen zijn voor den Heere onzen God". Daarvan moeten wij af blijven. Wij mogen de verborgene duigen niet „curieuselijk", d.i. boven hetgeen betamelijk is, onderzoeken. Maar des te meer moeten we luisteren naar hetgeen de Heilige Schrift, waarin God Zijn waarheid ons bekend maakt, wèl zegt. En dat is niet weinig.
Allereerst vertelt ons de Bijbel over den dood zelf; wat die dood is, hoe die dood in de wereld gekomen is en hoe dus de mensch den dood zal hebben te beschouwen.
Naar luid van Gods Woord is de dood een vreemde, onheilige macht, die over ons allen, de kleinen met de grooten, de rechtvaardigen en de onrechtvaardigen, heerscht. Dat was oorspronkelijk niet zoo. De mensch is niet geschapen om te sterven, maar om eeuwig te leven en bij God te zijn, eerst hier in dit leven en daarna in de eeuwigheid. Maar ter kwader ure is de dood in de menscheid binnen gedrongen als „bezoldiging der zonde". En nu is het den mensch gezet éénmaal te sterven en daarna het oordeel, 't Is maar niet een natuurprooes, maar een ordening Gods, een wet, door den Heere voor ons allen gesteld, verband houdend met ons aller zonde. Het is een oordeel, een straf Gods.
Tien, twintig — zestig, zeventig jaar leeft de mensch. Dan zijn ziel en lichaam op 't nauwst vereenigd. Maar daar komt bij het naderen van den dood de scheiding. Er moet geweld gebruikt worden, om die twee uit elkaar te rukken, waarvoor de dood, de laatste vijand, zorgt in den doodsstrijd, met doodsangst en doodssmart. Met langer of korter doodsstrijd gaat de scheiding van lichaam en ziel gepaard. Maar eindelijk is het oogenblik daar, dat de mensch de laatste adem uitblaast en de mensch is niet meer ; het zielloos lichaam is achtergebleven en de ziel is weggevlucht.
Van de oudste tijden af aan heeft men zicii over deze dingen verbaasd; men is bij het sterven onder den indruk van geweldige dingen gekomen en overal en altijd heeft men dan gevraagd : waar is de ziel gebleven ? wat is er van de ziel des menschen geworden ? en hoe hebben wij ons de dingen in verband met het lichaam en de ziel nu vóór te stellen, na den dood ?
't Is altijd het meest onnatuurlijk geweest, als er menschen waren die zeiden : „dood is dood". Van ouds is het onder alle volkeren zóó geweest, dat men zich verdiepte in het probleem van het sterven en dat er aan een voortbestaan, aan een leven na dit leven, gedacht werd. En van de oudste tijden af leefde onder alle volkeren de voorstelling, dat de ziel des menschen als een afzonderlijk wezen na den dood bleef voortbestaan. Zelfs de meest primitieve volkeren denken aan een brug, waarover de zielen gaan naar een andere wereld; aan een rivier, waar de geesten oversteken naar de overzijde, om in een ander leven te komen. Vandaar de zorg, die men aan de afgestorvenen en hun begrafenis wijdde. Eti zóó is het óók te verklaren, dat men aan de dooden hun wapenen, rijpaard en soms zelfs hun vrouwen mede in het graf gaf — men stelde zich vóór, dat zij die dingen óok aan de onbekende Overzijde noodig hadden. Vandaar dat men ook wel voedsel en kleeren meegaf aan de afgestorvenen. Waarbij ook de gedachte leefde, dat de geesten gunstiger gestemd waren jegens de levenden, naarmate de achtergeblevenen royaler gestemd waren ten opzichte van de geesten der afgestorvenen. Hoe meer geschenken en hoe meer feesten ter eere van de afgestorvenen, hoe beter !
Dieper dan de oude heidensche volkeren, die in de onsterfelijkheid van de ziel des menschen en in een leven na dit leven gelooven, zijn de menschen van den modernen tijd gevallen, die de onsterfelijkheid der ziel loochenen en zeggen : „dood is dood" ; die zeggen, dat het met den mensch gaat als met de beesten des velds, die sterven en verdwijnen. Maar de Theosophen en de Spiritisten maken het deze loochenaars van de onsterfelijkheid der ziel niet gemakkelijk. Zij spreken van de geesten aan de Overzijde en van het leven hiernamaals, met zooveel overtuiging en zekerheid, alsof zij er zelf geweest zijn. Ze gewagen van gesprekken en spreken van bewijzen met een overtuiging, waartegen honderden en duizenden dan ook niet op kunnen en de reien van de Spiritisten vullen zich aan met mannen en vrouwen uit alle kringen.
Wat de Theosophie in deze leert en wat de Spiritisten als waarheid en werkelijkheid verkondigen is niet ontleend aan de H. Schrift, aan 't geen de Heere Zelf ons heeft geopenbaard. Het sluit wel voor een groot gedeelte aan aan de waarheid en de werkelijkheid — waaraan de mensch zich dan ook niet gemakkelijk kan onttrekken — maar 't is vervalscht door de wijsheid der heidenen, welke heidensche dwaasheid men liever aanneemt en gelooft en verdedigt, dan dat men zich voegt naar de waarheid Gods, levend bij het Woord, dat de eenig ware troost biedt voor leven en sterven beide. Men leeft liever bij de wijsheid van het oude Boeddhisme, dat sprak van de zielsverhuizing en de leer van de reïncarnatie verdedigde. De ziel is dan een pelgrim, die van het eene lichaam overgaat in het andere en geen rust kan vinden, dan na een eindelooze kringloop hier op aarde, om tenslotte op te gaan in het eeuwig niet-zijn, na een rusteloos reinigingsproces, of aan de goden gelijk gemaakt wordt.
Oneindig hóóger staat de openbaring Gods in de Heilige Schrift. Daar wordt van den mensch gezegd, dat hij voor de eeuwigheid geschapen is en door den diepen gang van den dood — om der zonde wil over de menschheid gekomen — keert het lichaam weer naar de aarde (stof zijt gij en tot stof zult gij wederkeeren) en de geest keert weder tot God, die hem gegeven heeft.
Nu geeft ons de Schrift hier lang niet het antwoord op alle vragen. Hoe de ziel dén mensch gegeven wordt in en bij de geboorte, weten we niet precies. Het lichaam wordt opgebouwd uit vleesch en bloed van vader en moeder. Maar de ziel is niet uit hen, die het kind voortbrengen. De ziel is uit God. Maar hoe nu de ziel met het lichaam vereenigd wordt en hoe nu de verbintenis van de ziel, die uit Gods hand rein te voorschijn komt, met het lichaam, dat in zonde ontvangen is, plaats grijpt; en hoe het menschengeslacht in z'n eenheid gehandhaafd blijft, wie zal 't zeggen. Alle eeuwen door heeft de mensch zich met dit probleem bezig gehouden en verschillende theorieën aangaande het ontstaan der ziel zijn uitgedacht en uitgewerkt (denkt aan de drie theorieën : het prae-existentianisme, dat leert dat uit de zielenvoorraad een ziel genomen wordt en aan den nieuwen wereldburger uitgedeeld wordt; het traducianisme, dat zegt, dat de ziel uit vader en moeder overgebracht wordt op het kind; en het creatianisme, dat leert, dat de ziel rechtstreeks, als van God geschapen, in den mensch komt). Maar wie zal deze verborgenheid ons in alle opzichten verklaren ?
En zoo groot de verborgenheid is inzake het begin van het ontstaan der ziel en de vereeniging van ziel en lichaam in en bij de geboorte — zóó groot is ook de verborgenheid, als 't eind van de reis hier op aarde bereikt is en de dood komt en ziel en lichaam gescheiden worden. Dan zien we het lichaam, dat overig is, dood uitgestrekt op de stervenssponde. Alles is nog precies zooals het was. Maar tegelijk is het oog het oog niet meer, het oor hoort niet meer, het hart beweegt zich niet. Het is een mensch, maar de ziel is er uit. Het lichaam is gebleven, maar de geest is er uitgegaan. En het lichaam kan niet lang meer bij ons blijven, juist omdat de ziel is heengegaan. Het lichaam zonder ziel kan niet blijven bestaan, maar gaat tot ontbinding over en keert wederom tot de aarde; „stof zijt gij en tot stof zult gij wederkeeren" geldt voor ieder mensch in de ure van het sterven. Het lichaam is beroofd van de ziel en een zielloos lichaam heeft geen kracht om te bestaan, maar vergaat. Een lichaam zonder ziel is niet te denken.
Maar de ziel, de geest, die uit het lichaam is uitgegaan, waarheen is zij afgereisd ? en heeft een ziel, zonder lichaam, kracht om te blijven voortbestaan ? of gaat ook de ziel naar de aarde, om tot stof te vergaan ?
Velen hebben gemeend, dat de ziel wel voortbestaat, als zij het lichaam verlaten heeft, maar dat zij dan met een ander lichaam afreist. Zij zou dan het grof, stoffelijk lichaam des menschen hier als een ledig omhulsel achterlaten, om in een verfijnd lichaam af te reizen naar de overzijde. Want een ziel zonder lichaam kan men zich niet denken. En daarom sprak men van een fijn, aetherisch lichaam, waarin de ziel de poorte van de eeuwigheid binnengaat.
Maar, hoe groot de verborgenheid in deze ook is en blijft, de Heilige Schrift leert ons, dat het lichaam, dat de ziel tot woning diende hier (het lichaam des christens, een tempel des Heiligen Geestes zijnde) tot stof vergaat, als de ziel in de stervensure heengaat. Maar van een nieuw, verfijnd, aetherisch lichaam, dat de ziele dan zou ontvangen in de stervensure, zooals de Spiritisten wel leeren, lezen we nergens in Gods Woord. De Heilige Schrift leert ons, dat de ziel zonder lichaam voortleeft en wederkeert tot God, die haar gegeven heeft; en het lichaam — zoo leert de Heiland Zelf ons — wacht in het graf, op het oogenblik, dat de Rechter van hemel en aarde op de wolken zal komen en rechtvaardigen en onrechtvaardigen zal oordeelen in gerechtigheid. Wij gelooven, dat alsdan de dooden zullen opstaan. Wij belijden eiken Zondag met de gemeente van Christus te gelooven : de opstanding des vleesches !
De zielen hebben — volgens Gods openbaring in de Heilige Schrift — géén lichamelijkheid.
Als gevolg daarvan doet de Heilige Schrift ons weten, dat de band met het lichaam, de band met de aarde, de band met de levenden, verbroken is. Van geestenverschijningen weet de christen niet. Spoken bestaan niet. Dat op kerkhoven lichtjes gezien worden, zijnde de geesten der afgestorvenen, die rondom het graf dwalen, is volks-bijgeloof, waarbij elke grond van werkelijkheid ontbreekt. Dat de geesten rondom de woning der nabestaanden zouden rondzwerven, om zich te wreken als van de voorvaderlijke gewoonte afgeweken wordt door de familieleden, is fantasie der primitieve volkeren.
Na de scheiding van lichaam en ziel rust het lichaam in de aarde om tot stof té vergaan, terwijl de ziel na den dood geen lichamelijkheid kent en van de aarde afgescheiden is. De band met de aarde is voor zielen zonder lichaam verbroken. De dooden weten van de levenden niet, de lichamen rusten in de aarde en zielen zijn van de aarde gescheiden. En we hebben het als genade Gods te achten, dat de dooden van de aarde niet weten. De zaligheid des hemels zou gebroken en verstoord worden door de wetenschap van hetgeen op aarde veelszins gevonden wordt, ook bij degenen die tijdens het verblijf op aarde met zooveel banden van liefde aan ons verbonden waren. En dat de afgestorvenen op eenigerlei wijze voor de levenden zouden zorgen, ten goede of ten kwade, leert de Schrift ons nergens en 't mist eiken grond om er aan te gelooven.
Natuurlijk doet zich nu de belangrijke vraag voor : naar welke plaats gaan nu de zielen der afgestorvenen ?
Onder het Oude Testament straalt niet hetzelfde licht uit over het leven na den dood dan in het Nieuwe Testament. De openbaring Gods is paedagogisch, gaande van het mindere naar het meerdere (Hebr. 1 vers 1). Niet alles is in ééns geopenbaard, 't welk ook onmogelijk was. De Heere heeft Zijn eigen, wondere en wijze bedeeling van den beginne af aan; eerst openbaart Hij Zich aan de patriarchen, daarna door Zijn profeten aan het oude Bondsvolk, en dan komt eerst in de volheid des tijds, in en met de verschijning van Jezus Christus, de volle openbaring, door de Apostelen verkondigd onder de volkeren en door Johannes op Patmos in hemelsche visioenen aanschouwd.
Onder het Oude Testament leefde het geloof aan de onsterfelijkheid der ziel en was er een aanvoelen van het eeuwige leven, van het leven na den dood. De gedachte : „dood is dood", was niet wat leefde onder Israël, noch in den beginne, noch aan het eind der Oude Bedeeling. We krijgen in het geheel niet den indruk, dat Jacob en Jozef en Mozes en David, Hiskia en Jesaja, de gedachte koesterden : de mensch leeft de jaren zijns levens op aarde, sterft en dan is het gedaan ! Er was een wachten op de zaligheid bij Jacob, als hij zijn voeten strekt op zijn doodssponde. En de dichter spreekt van een ontwaken en van een blij vooruitzicht en van een verzadigd worden met Gods deugdenbeeld (Ps. 16, 17, 73 enz.).
We behoeven waarlijk niet alles uit één tekst te halen, om te bewijzen, dat onder Israël het geloof aan de onsterfelijkheid der ziel gevonden werd. „Gij zult mij leiden door Uw raad, o God, mijn heil. mijn toeverlaat! En mij, hiertoe door U bereid, opnemen in Uw heerlijkheid" (Ps. 73). Mozes weet in Psalm 90 van een geopenbaard worden met al onze zonden, voor Gods rechterstoel. Daniël maakt melding van een opstanding der goddeloozen tot eeuwig afgrijzen. Job roept uit: „ik weet, mijn Verlosser leeft, en uit mijn vleesch zal ik God aanschouwen".
Maar het valt niet te ontkennen, dat er over de geloofsvoorstelling van oud-Israëls vromen een dichte sluier lag, die, wel is waar, telkens wordt opgeheven en weggeschoven, om zich te verheugen in een blij vooruitzicht, als men, ontwaakt, den Heere zou aanschouwen, om verzadigd te worden met Zijn goddelijk deugdenbeeld (Ps. 17) De lieflijkheden van 't zalig hemelleven kwamen wel in de ziele der vromen. En 't oordeel vaai rechtvaardigen en onrechtvaardigen was hun niet vreemd.
Maar te ontkennen valt het niet, dat er geen helder gezicht bij het oude Bondsvolk was inzake hetgeen met de ziel ging gebeuren na de scheiding van ziel en lichaam, zooals dat in de stervensure plaats grijpt
Onder het Oude Testament stelde men zich voor, dat alle zielen in het doodenrijk (de School — waarvoor in onze Statenvertaling wel 't woord „hel" gebruikt wordt; b.v. Gij zult mijn ziel in de hel of 't doodenrijk — in den staat des doods — niet verlaten) met elkaar vergaderd werden. Dat is niet de hel als plaats van afgrijzen en pijnen, met de duivelen vergaderd in eeuwige Godverlatenheid, maar bedoeld wordt de hel als doodenrijk, of onderwereld, welke plaats der dooden wordt gedacht als verblijfplaats van allen die gestorven zijn. In dat doodenrijk moest de ziel afdalen en Hiskia, die aan het sterven denkt, treurt in bittere smart, vooral omdat hij dan niet meer leven zal met het vrome volk om God te dienen en groot te maken (Jesaja 38). 't Zal dan een plaats van niet-leven zijn, maar men ook niet den Heere lieven en loven kan. „In 't stille graf zingt niemand 's Heeren lof; het zielloos lijf, gedompeld in het stof, kan Hem geen glorie geven".
Men stelde zich het doodenrijk voor als de plaats waar alle gestorvenen komen, zonder onderscheid ; „het zielloos lijf, gedompeld in het stof" en de ziel in het doodenrijk.
Heldere voorstellingen leefden er niet inzake het leven na den dood, ook niet bij 't volk, waaraan de Heere Zijn Woorden had toebetrouwd. Maar men weet: er is tweeërlei weg, tweeërlei lot, voor degenen die den Heere vreezen èn voor degenen, die den Heere niet vreezen. En helder stond voor den geest, dat de Heere alle dingen in het gericht zou betrekken, waarom den jongeling moest worden toegeroepen : „Zoek den Heere in de dagen uwer jongelingschap, vóór dat de kwade dagen komen, waarin gij zult zeggen : ik heb geen lust in dezelve".
Toen de Heiland op aarde kwam, nam Hij dan ook in Zijn prediking op, wat aan de Vaderen van ouds was geopenbaard en door de profeten was geleerd : het lichaam sterft en wordt begraven, maar het eeuwige leven wacht den gestorvene. En die in Hem gelooft heeft het eeuwige leven tot zaligheid en vreugd ; en die den Zoon ongehoorzaam is, heeft het eeuwige leven onder den toorn Gods tot rampzaligheid en smart. En in de gelijkenis van den rijken man en Lazarus teekent de Heiland de hel in onderschei­ding van den hemel, om het doodenrijk in tweeën te deelen, éénerzijds tot smart onder den vloek Gods, anderzijds tot zaligheid en vreugd. Lazarus wordt door engelen gedragen in Abrahams schoot, om dus te deelen in de heerlijkheid en de vreugd in 's Heeren nabijheid, mee aanzittend aan het groote Avondmaal, aan de Koninklijke maaltijd, den Zoon des Konings bereid. Maar de rijke man sloeg z'n oogen op in de hel, zijnde in de pijn. Het doodenrijk in tweeën gedeeld. Eenerzijds de hemel, vol genieting van goddelijke en eeuwige vreugd. Anderzijds de hel, waar de dooden doormaken helsche smarten.
De hemel wordt in het Nieuwe Testament het huis des Vaders, met z'n vele woningen, waar allen die den Heere vreezen saam vergaderd worden, als zonen en dochteren van Hem, die Zijn eigen Zoon op aarde zond, opdat een iegelijk die in Hem gelooft het eeuwige leven zal beërven. Daar wonen de kinderen Gods in het huis huns Vaders.
De hel, de plaats waar allen bij elkander zijn, die den Zoon ongehoorzaam zijn geweest en het Woord en den weg des Heeren hebben veracht en verworpen ten einde toe. De plaats van buitenste duisternis in eeuwige Godverlatenheid.
(Slot volgt).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 augustus 1935

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

HET LEVEN NA DEN DOOD

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 augustus 1935

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

PDF Bekijken