Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

VAN DEN WOORDE GODS

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

VAN DEN WOORDE GODS

UIT HET ONGESCHREVEN WOORD.

10 minuten leestijd

Genesis 7 : 22. Al wat een adem des geestes des levens in zijne neusgaten had, en alles wat op het droge was, is gestorven.

4 e Serie.
XVI.
De wijze, waarop ons de ondergang der eerste wereld wordt beschreven, toont ons het groote onderscheid, dat er is tusschen de methode, waarop wij, hedendaagsche Westerlingen, de geschiedenis verhalen en de Oostersche menschheid gewoon was zulks te doen. Er is een groot verschil in stijl, dat ons een inzicht geeft in het eigenaardig geestelijk leven van den ouden Oosterling. Zelfs blijkt er van eene stilistische tegenstelling reeds tusschen het Oude en het Nieuwe Testament. In het 21e vers wordt ons opgesomd, hoe alle levende wezens ondergingen. „Alle vleesch", zoo heet het, „dat zich op de aarde roerde, gaf den geest". Daarna laat de verhaler de reeks der levende wezens aan onze verbeelding voorbijgaan. Hij begint met de vogels, die door de lucht boven hem vliegen. Het gevogelte stierf. Daarna daalt hij af tot het vee, dat den mensch als een huisgenoot en levensgezel is. Verder af is het wild gedierte der aarde, waarmede de mensch minder bevriend, vaak zelfs als in vijandschap leeft. Daarna spreekt hij van die wereld van levende wezens, het kruipend gedierte. En te midden van dat alles verschijnt hem de mensch, die het oordeel van den vloed ondergaat en met de gansche levende wereld ten doode was opgeschreven. Het blijkt uit deze teekenachtige, schilderachtige wijze van verhalen, waarbij ons de natuurwezens voorgesteld worden de een na den ander, hoe de Oosterling rustig, en wij zouden meenen, wijdloopig, met kleuren en geuren alles voor den geest brengt. Als op eene schilderij wordt het ons aangeduid. In het Nieuwe Testament is dit al anders geworden, want de Heere Jezus vat deze heele beschrijving samen in het ééne „en verdierf ze allen". Wij hebben bij deze, in onze oogen soms overbodige wijdloopigheid, niet van doen met ijdele herhaling van woorden, maar met een typischen karaktertrek van den verhaaltrant. En ook blijfet daaruit, dat de Schrift ons deze dingen zonder meer meedeelt, zooals zij in de mondelinge traditie leefden en niet met een aan elkander rijgen van in geschreven bronnen, uit geheel verschillenden oorsprong saamgebrachte berichten. De Godgewijde schrijver nam de verhalen op, zooals zij leefden ui het bewustzijn van Gods oude Kerk, eeuwen voordat er nog van Israël sprake was. Zoo laat ons de Schrift het oude leven als op eene schilderij zien, zoo concreet geteekend, als het in de natuur voor ons verschijnt. Zij teekent ons, als het ware, de wereld met hare onderscheidene levensspheren, voor zoover zij bestemd waren om door den zondvloed onder te gaan. Hetgeen daaronder niet begrepen is, wordt niet genoemd, blijkbaar met opzet voorbijgegaan. Van de boomen en de planten, waaronder er toch ook waren, die zouden lijden en sterven onder de nadeelige inwerking der wateren, wordt niet gerept. Integendeel wordt nadrukkelijk door de opsomming zelve het scheppingsgebied, dat tot ondergang wordt gedoemd, beperkt. Daarom volgt er de nadere omschrijving der grenzen van het strafgericht Gods.
„Al wat een adem des geestes des levens in zijne neusgaten had". Prof. Böhl vertaalt in zijn Tekst en Uitleg van Genesis, dl. I, blz. 32. Al wat „levensadem in zijne neusgaten had". Het komt mij voor, dat onze Statenvertallng hier toch de voorkeur verdient. Natuurlijk niet daarom, dat in het algemeen gesproken, door prof. Böhl's vertaling eene andere schepselenreeks zou worden genoemd dan door onzen Staten-bijbel, maar omdat evenals in den oorspronkelijken tekst ook in de Staten eene psychologische omschrijving wordt gegeven, die in Prof. Böhl's vertaling verloren gaat. De in het Oude Testament doorloopend voorgedragen eigenaardige psychologie, wordt ons in het oorspronkelijke bewaard en in de Staten overgenomen. En er kan geen enkele reden zijn, waarom wij deze fijne trekken zouden uitwisschen en door veralgemeening den zin verarmen. In de Schrift blijkt voortdurend, dat er een klaar inzicht heerschte in het verschil, dat er is tusschen de onderscheidene levensvormen der natuurwezens. En deze hebben dingen gemeen, hoezeer zij ook mogen verschillen. De Schrift noemt „vleesch" ook den mensch wanneer hij als natuurwezen wordt beschouwd. Vleesch is de mensch als zinlijk, eigen wezen, evenals alle andere, die wij rondom ons waarnemen. De mensch heeft het vleesch gemeen met de wereld der dieren, met welke hij behoort tot den tong van het zinnelijk leven, omdat hij als de andere animale schepselen levend is. Het woord „vleesch" beteekent in eigenlijken zin in tegenstelling met de huid, de massa van het lichaam. Zoo staat er in Lev. 9 : 11 : „doch het vleesch en de huid verbrandde hij met vuur buiten het leger". Tot één vleesch zijn, beteekent lichamelijk tot eene eenheid worden. En zoo worden de naaste bloedverwanten als des menschen vleesch en been genoemd. Zelfs dient het woord „vleesch" om het lichaam zelf te noemen. Zoo wordt Lev. 15 : 13 van het baden gezegd : „hij zal zijn vleesch met levend water baden", waar bedoeld is het baden van het lichaam. Daarom heeten alle animale wezens, als behoorende tot de zintuiglijke wereld, menschen en dieren, dus „vleesch". „Mijn vleesch" wordt soms gebruikt in den zin, waarin wij zouden spreken van ons „ik". Daarom zingt de Psalmist uit de blijdschap zijns harten : „Ook zal mijn vleesch zeker wonen" (Psalm 16 : 9).
Het is echter begrijpelijk, dat zoodra de schepselen worden gesteld tegenover de bestaanswijze Gods in zijn geestelijke wezenheid, in Zijne absoluutheid als al 't schepselmatige oneindig te boven gaande, „vleesch" het woord wordt om het schepsel in zijn beperktheid, zwakheid en ook in zijne zondige verdorvenheid te noemen. Zoo wordt hij, die „vleesch" is, voor Gods aangezicht stof en asch. Geest en vleesch zijn dus tegenstellingen, zooals God en mensch tegenstellingen zijn.
Welnu, het stoffelijke wezen is alleen een levend wezen door den „geest", een woord, dat de strekking heeft de bewogen lucht te noemen. Het zelfde woord, dat door „geest" wordt overgezet, beteekent ook wind, en in de levende creaturen de adem, omdat daardoor het leven openbaar wordt. Zoo is Gods Geest het woord voor de Hem inwonende kracht des levens. En uit dezen goddelijken Geest stamt nu door de scheppende daad alle geschapen leven. Zoo is dus de „geest" des menschen zijne door God gedragen levenskracht, die tot Hem terugkeert, zoodra het levenseinde is gekomen. God is alzoo de „God der geesten van alle vleesch". Num. 12 : 22. De geschapen wezens ontvangen door Zijne schepende daden geest, die openbaar wordt in de levensfunctie der ademing. Zoo is er dus een onderscheid tusschen den geest en de ademing, in dien zin, dat de levensgeest in den adem zich openbaart. De geest is alzoo het woord om het levensbeginsel in de animale wezens te noemen, de adem het woord om de openbaring er van ons aan te duiden. En daarom worden in ons tekstwoord de drie momenten afzonderlijk vermeld als toekomende aan die klassen van schepselen, die als menschen en dieren een levensvorm deelachtig zijn, waarin het levensprincipe, het leven als zoodanig, als in den geest gegrond en door den adem, zich openbarend, wordt omschreven. In den grondtekst worden zij dan ook alle drie vermeld en daarom in onze Statenvertaling ook weergegeven. En er schijnt mij geen grond aanwezig om deze onderscheiding te laten verdwijnen, als is het natuurlijk juist, dat wij er den levensadem onder verstaan, dien de menschen en de dieren .in hunne neusgaten hebben, als in hunnen uitgang.
Zoo wordt dus hier er nadruk op gelegd, dat het oordeel, eenmaal door den Heere aangekondigd, omdat alle vleesch, dat is alle mensch, zijn weg verdorven had, nu met dien mensch ook alle dieren als drager des vleesches, tot den ondergang worden gedoemd. De Schrift legt alzoo nadruk op de waarachtigheid Gods in Zijne oordeelen. En daarom wordt nu nogmaals gezegd, dat „al wat een adem des geestes des levens in zijne neusgaten had", door den vloed wordt verzwolgen en ten doode gedoemd. En om het nog nader te omschrijven wordt er bijgevoegd : „van alles wat op het droge was". Dit is de korte, doch allesomvattende beschrijving, waarin niets vergeten kan worden. Al wat op het droge leeft, werd tot den dood in de wateren gedoemd, opdat het oordeel Gods zou worden voltrokken en in dat oordeel tevens de voorwaarden werden bereid voor eene nieuwe ontwikkeling op de aarde, welker aanzien geheel werd veranderd.
Zoo wordt ons dus hier beschreven, dat de Heere zijn woord bevestigt en getrouw is ook in de oordeelen, die Hij aankondigt. Ook daarvan geldt, dat er geen tittel, noch jota van voorbijgaat. Hij was lankmoedig geweest over de menschheid, had eeuwen lang haar den ondergang aangekondigd, had tot haar gezonden Zijne uitverkoren dienstknechten om het woord der waarschuwing en vermaning tot haar te spreken, doch het was geweest eene zending „den geesten in de gevangenis", eene prediking den ongehoorzamen, hoewel Gods lankmoedigheid groot was over die wereld. Doch nu bleek dan ook, nadat alle roeping des Heeren vergeefsch was gebleven, dat Hij in de voltrekking van het oordeel evenzeer de Waarachtige is als in de vervulling Zijner beloften. Zooals Hij het eenmaal had aangekondigd, zoo werd het nu ook nauwkeurig voltrokken. Toen het Hem berouwde, dat Hij den mensch gemaakt had, omdat de boosheid was vermenigvuldigd en het gedichtsel van des menschen hart te allen dage alleenlijk boos was. toen had Hij gezegd : „Ik zal den mensch verdelgen van den aardbodem, van den mensch tot het vee, tot het kruipend gedierte en tot het gevogelte des hemels toe". En zooals Hij het toen had verkondigd, zoo werd het nu volbracht. Al wat op het droge was, is gestorven. De teekenen der leugendichters, die ook de oude wereld gehad heeft, waren vernietigd, hare waarzeggers waren dol gemaakt, hare wijzen achterwaarts gekeerd, hare wetenschap was verdwaasd. Maar het woord van Noach, Gods knecht, was bevestigd, den raad van zijn bode heeft de Heer e volbracht tot in de kleinste bijzonderheden toe. Daarom is de historie van den zondvloed voor alle eeuwen eene profetie, eene blijvende heenwijzing naar de getrouwheid Gods ook in Zijne oordeelen. En ook de moderne wereld onzes tijds kan er zich aan spiegelen. Indien zij slechts een oog had om te zien en een hart om O'p te merken, dan zou het ons duidelijk zijn, dat ook heden nog de Heere dezelfde is en dat ook nu nog dezelfde waarheid gelden bleef, die aan de oude wereld is bevestigd op zoo ontroerende wijze. Ook thans volgen nog met ijzeren noodwendigheid de oordeelen op de zonden en de afwijkingen, dewijl zij daarin als de verborgen kernen reeds begrepen zijn. Zoo verdient de menschheid van elke eeuw zich het lot, dat haar treft en zal zij niet ontkomen aan de gevolgen van haar eigen, zelf verkozen levensgang. En vooral ook in onzen tijd wordt de waarheid bevestigd van des Heeren trouw aan de profetie Zijner oordeelen, nu het Westen, na de afwerping van het juk des Gekruisigden, door Wien het eenmaal was gedragen naar de hoogtepunten zijner cultuur, het dal van den ondergang moet betreden. Voor Gods volk blijft alleen de troost, dat de Heere ook van Zijne beloften niet aflaat en daarom niet zal toelaten, dat Zijne heiligen de verderving zien.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 oktober 1935

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

VAN DEN WOORDE GODS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 oktober 1935

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

PDF Bekijken