Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

HET VERBOND GODS MET DEN MENSCH (2)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

HET VERBOND GODS MET DEN MENSCH (2)

De naam Werkverbond.

10 minuten leestijd

Dat ds. Diemer zijn studie den naam Scheppingsverbond heeft gegeven en dan tusschen haakjes den naam werkverbond noemt, waarmede hij wil aangeven, dat hij onder het scheppingsverbond het verbond bedoelt, dat meestentijds werkverbond genoemd wordt, duldt reeds aan, dat hij den naam werkverbond niet geheel juist vindt.
In de eindconclusie (pag. 77) verantwoordt hij Zich op deze wijze : »Wij achten dan ook het woord werk-verbond slecht gekozen. Het woord kan wel gebruikt worden in deze beteekenis, dat de mensch in het paradijs zijn leven uit God moet openbaren in den weg van werken of door de gehoorzaamheid der wet, zooals onder het genadeverbond de geloovige het leven Gods in zich heeft te openbaren in en door zijn geloof, maar gewoonlijk wordt aan het begrip werken de beteekenis van verdienen verbonden. Geen der reformatoren heeft dan ook dit woord gebruikt. Zij spreken van het verbond met Adam (Bullinger), natuurverbond (Ursinus), staat des levens (Calvijn)«.
»0.i. is het woord scheppingsverbond met Adam meer op zijn plaats. Wij zijn daarbij in de lijn der reformatoren. Beide verbonden, zoowel het scheppings-als het genadeverbond, zijn verbonden des levens ; waar nu echter het verbond des levens na den val reeds een vasten naam heeft ontvangen in het woord genadeverbond, kan gevoegelijk het verbond vóór den val schepplngs--verbond met Adam genoemd worden. Van verdienste is er in beide verbonden geen sprake. Het einde van het Scheppingsverbond is het eeuwige leven in den hemel, niet om maar door de wet; het einde van het genadeverbond is datzelfde eeuwige leven, niet om maar door het geloof. Met de bezwaren tegen den naam werkverbond gaan wij volkomen accoord, al laten wij de vergelijking tusschen werk-en genadeverbond, hier gemaakt, geheel voor rekening van ds. Diemer. Eenerzijds ligt aan sommige uitdrukkingen een verbondsgedachte ten grondslag, die de onze niet is ; zoo b.v. de uitdrukking, dat onder het genadeverbond de geloovige het leven Gods in zich heeft te openbaren in en door zijn geloof ; anderzijds wordt de klove tusschen het verbond vóór den val en na den val weer zoó diep geteekend In de tegenstelling van werken en geloof, dat feitelijk zoo alle bezwaren tegen den naam werkverbond weer wegvallen. Wij voor ons meenen dat de eenheid van beide verbonden zoo groot is in overeenstemming met het wezen des verbonds, dat niet het eene verbond gehoorzaamheid vroeg en het andere geloof, maar dat in beide verbonden geloof èn gehoorzaamheid is gevraagd. Zonder den eisch des geloofs, ook in het verbond vóór den val, kan de verbreking des verbonds in den weg des ongeloofs niet worden verstaan. Bn zonder den eisch der gehoorzaamheid, ook in het genadeverbond, moet men niet alleen fout gaan in de beschrijving van het wezen des geloofs, maar doet men ook tekort aan het wezen des verbonds, gelijk het doopformulier ons goed doet gevoelen, als het de twee deelen van het verbond belofte en verplichting tot gehoorzaamheid noemt.
In een lezing voor de Herv. Geref. Predikantenvergadering van September 1931, Het Verbond, hebben wij indertijd onze bezwaren tegen den naam werkverbond weergegeven. De lezing is later verschenen in Onder Eigen Vaandel, jaargang 1932, maar omdat de meeste lezers van De Waarheidsvriend dit tijdschrift niet lezen, willen wij enkele gedeelten daaruit overnemen.
Uit het eerste bezwaar tegen den naam het volgende. »Dat de ontwikkeling van de Verbondsidee reeds spoedig op het doode spoor is terecht gekomen, is m.i. voor een groot deel aan de onderscheiding werk-en genadeverbond te danken. De nadruk valt niet meer op het verbond als zoodanig, maar wordt verschoven naar de tegenstelling werk-genade, zoodat ten slotte de uiteenzetting van de leer van het genadeverbond dreigt te verloopen in een verkapte behandeling van het stuk der rechtvaardigmaking : niet uit de werken maar uit genade alleen. Meer en meer is daardoor de verbondsidee op den achtergrond gekomen, al ontken ik niet, dat de humanistisch gerichte tijdgeest van de 18e eeuw, onder wiens Invloed ook in de Kerk het subject des geloofs met zijn geloof en geloofswerkzaamheden in het middelpunt der beschouwingen kwam te staan, aan de verbondsleer de nekslag heeft gegeven«. Het tweede bezwaar tegen den naam werkverbond héb ik dus omschreven :
»Inhaerent aan de idee van het werkverbond is de gedachte, dat God den mensch het eeuwige leven belooft op voorwaarde van volkomen gehoorzaamheid. Wanneer men zich echter indenkt, dat de mensch als schepsel tot volkomen onderwerping aan Gods wil verbonden is en dat Jezus op grond daarvan zegt: »Indien gij dan alles hebt gedaan, wat gij moest doen, zoo zegt: wij zijn onnutte dienstknechten, want wij hebben slechts gedaan, hetgeen wij moesten doen«, gevoelt men toch onmiddellijk, hoe hier moeilijkheden rijzen. En als men het dan waagt om met dr. V. d. Bergh in zijn bekende dissertatie deze moeilijkheden door middel van een vergelijking op te lossen, doet men eigenlijk niet anders dan den strik toe trekken, inplaats van hem te ontknoopen. Een aardsch vader kan gehoorzaamheid eischen — zoo schrijft hij — zonder loon te bieden, onder bedreiging van straf. Maar nu afziende van dit primordiale recht, kan hij uit medelijden met zijn kind dien autoriteitseisch laten varen en een accoord met zijn kind aangaan. In dat geval wordt het een verbond. (Dr. W. v. d. Bergh. Calvijn over het genadeverbond, pag. 130). In deze vergelijking, die vrijwel de gewone opvatting van het werkverbond weergeeft, komen wij niet alleen voor het absurde feit te staan, dat God van zijn primordiaal recht afstand doet, maar hier raakt zelfs de grondslag van de verbondsidee zoek. Heel deze beschouwing is gegrond op de tegenstelling van Paulus : niet uit de werken, maar uit genade, en de ontzaglijke dwaling, alsof de rechtvaardiging uit de werken, die de apostel zoo sterk mogelijk veroordeelt, een plaats gehad zou hebben in het verbond vóór den val. De begeerte en de poging om uit de werken gerechtvaardigd te worden, is vooral bij Paulus de openbaring der zonde, het kenmerk van den gevallen mensch, die weigert onder het oordeel Gods te bukken. En nu gaat men bij de traditioneele beschouwing van het werkverbond deze bij uitstek zondige gezindheid een plaats geven in den reinen mensch in het paradijs, ja, gaat men deze gezindheid daar zien als een eisch Gods aan den mensch.
Algemeen is de voorstelling bij de aanvaarding van het werkverbond, dat de boom des levens een verzegeling is van de belofte des eeuwigen levens, den mensch geschonken. Maar laat men zich een oogenblik indenken, wat dat wil zeggen, als die belofte den mensch geschonken is op voorwaarde van gehoorzaamheid. De mensch had geen zekerheid, dat hij volharden zou. Welke troost en sterkte kon hij dan putten uit Gods belofte en de verzegeling dier belofte, als deze geheel afhankelijk is van de onzékere vraag, of hij staande zal blijven ? Wat immer als beschuldiging is ingebracht tegen de Remonstranten, n.l. dat zij den troost van Gods genadige beloften te niet deden door deze beloften voorwaardelijk te stellen en als zoodanig onzeker te maken, wordt ten slotte door de Contra-Remonstranten zelf in hun theorie van het werkverbond van alle smet vrijgesproken.
Nog in een ander opzicht worden de Remonstrantsche dwalingen een eereplaats gegeven in het werkverbond, n.l. inzake het stuk van den vrijen wil.
In den strijd over de Praedestinatie heeft van den aanvang af de vraag aangaande den vrijen wil een belangrijke plaats ingenomen. Met bedoeling hebben de Remonstranten altijd weer deze vraag naar voren geschoven. Het was hun er lom te doen het roer om te gooien en de wezenlijk theologische kwestie aangaande de praedestinatie te veranderen in een philosophisch-psychologisch probleem, waardoor men op gansch ander terrein kwam te staan. Onze Vaderen hebben dat niet altijd met klaarheid gezien en daardoor hebben zij zich vaak laten verwikkelen in het vraagstuk van den vrijen wil, meer dan direct noodig was voor de aanhangige vragen en op een wijze, als niet immer bevorderlijk is geweest aan een ge zonde ontwikkeling van het leven des geloofs. Feitelijk heeft dr. Korf f in zijn referaat over de praedestinatie op de algemeene Predikantenver gadering van 1931, dit voorbeeld van de Remonstranten opnieuw gevolgd en heel het stuk van de praedestinatie teruggebracht tot het wilsvraag stuk.
Moet men er zich niet over verbazen, dat zij die met nadruk de Remonstrantsche opvatting van den vrijen wil inzake des menschen behoudenis verwierpen, er toe zijn overgegaan deze opvatting in de idee van het werkverbond een plaats te gunnen, waardoor heel het verbond daarop neerkomt, dat Adam een kans gegeven is om zalig te worden, een kans, die hij uit kracht van den vrijen wil kon grijpen of doen verloren gaan ? Ik kan begrijpen, dat dr. Korff met een zekere voldoening daarnaar verwezen heeft, al is de gedachte, dat het infralapsarisme de verliezing eerst na Adams val zou doen opkomen, geheel onjuist.
Mijn bezwaren tegen de traditioneele opvatting van het werkverbond zijn dus kort samengevat deze : door het verbond, voorwaardelijk te maken in den zin, waarin de Remonstranten dat deden ten opzichte van het genadeverbond, doet men aan hét wezen van het verbond tekort en ontneemt men zoowel aan het verbond als aan zijn beloften alle vastigheid ; en door de aanvaarding van het vertoond te maken tot een erekwestie, verkracht men het wezen des geloofs, dewijl het geloof meer is dan een functie van den wil«.
Deze bezwaren, indertijd door ons geopperd tegen den naam werkverbond, onderschrijven wij nog immer en daarom was het ons een zekere voldoening in deze studie van ds. Diemer eveneens van deze bezwaren gerept te zien.
Trouwens deze bezwaren worden door meerderen gedeeld. In de Reformatie van 30 Aug. van dit jaar schrijft prof. Schilder, handelend over het verbond, deze woorden : »Het stond daarbij (n.l. in het vertoond vóór den val) natuurlijk niet zoo, dat de mensch door zijn werk iets bij God verdiende in den strikten zin van het woord. Verdienen is eigenlijk gezegd bij het schepsel, staande tegenover zijn Schepper, uitgesloten.
Des menschen werk was dus niet de reden waarom, maar het was de weg, waarlangs de zaligheid hem toekomen zou«.
Natuurlijk komt de vraag op, als men den naam werkverbond, minder juist acht, welke naam dan wèl de voorkeur zal verdienen. Ds. Diemer koos den naam Scheppingsverbond. Op zichzelf zouden wij geen bezwaar tegen dezen naam hebben, maar gezien het feit, dat ds. Diemer in dezen naam zijn eigenaardige verbondsbeschouwing wil onderbrengen en die met dezen naam wil dekken,  achten wij het gebruik van dezen naam niet geheel zonder bezwaar.
Daarnaast is er nog een andere reden, die ons eenigermate afkeerig doet zijn van dezen naam. Scheppingsverbond naast genadeverbond spreekt wel niet van een diepe kloof tusschen de beide bedoelde verbonden als de namen werk-en genadeverbond doen, maar toch wijzen deze namen naar gansch onderscheidene verbonden heen. Ds. Diemer doet dat ook uitkomen, dat het eerste verbond iets gansch anders is dan het tweede verbond. O.i. is het maken van deze kloof onjuist, gelijk wij nader nog hopen aan te toonen. Thans willen wij volstaan met even te wijzen op enkele woorden van prof. Schilder in het boven aangehaalde stuk uit de Reformatie, waarin hij tot mijn blijdschap eigenlijk hetzelfde zegt. Hij drukt zijn gevoelen uit in deze veelzeggende woorden : »Het genadeverbond is derhalve niet een tweede verbond, want God dupliceert niet«.
Het genadeverbond niet een tweede verbond. Met deze woorden bedoelen wij, dat God het vertoond, dat Hij gesloten heeft in het paradijs, niet te niet doet, al is het door den mensch verbroken, maar dat Hij als de getrouwe dit verbroken vertoond opnieuw met den mensch opricht. Het eenige verschil is, dat het voorheen met den mensch in den staat der rechtheid is aangegaan, terwijl het thans met den gevallen mensch wordt opgericht. Wat tevoren vrucht was van vrije gunst en vrijmachtig welbehagen, wordt nu vrucht van genade.
De naam verbond des levens, zou zeker niet ongepast zijn voor het verbond met Adam in den staat der rechtheid, maar wijl deze naam ook het genadeverbond toekomt, lijkt het mij het beste te spreken van het verbond vóór en na den val.

O. a/d IJ.

Woelderink

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van Thursday 21 November 1935

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

HET VERBOND GODS MET DEN MENSCH (2)

Bekijk de hele uitgave van Thursday 21 November 1935

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

PDF Bekijken