Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

HET VERBOND GODS MET DEN MENSCH

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

HET VERBOND GODS MET DEN MENSCH

Verdienstelijkheid van 's menschen werk.

12 minuten leestijd

Verdienen onze goede werken niet, die God nochtans in dit en in het toekomende leven wil beloonen ? Deze belooning geschiedt niet uit verdienste, maar uit genade.
Deze vraag met haar antwoord behoort al tot de bekendste uit den H. Catechismus, maar dat wil volstrekt niet zeggen, dat daarom ieder weet, wat de Roomsche kerk onder verdienen verstaat en welk nu eigenlijk het verschil is
tusschen loon uit verdienste en loon naar genade.
Voor ons onderwerp is deze vraagstelling van beteekenis, omdat met het wezen van het verbond vóór den val ook de plaats van Adam in dat verbond samenhangt, d.i. tevens de vraag, of Adam het eeuwige leven heeft kunnen verdienen.
Met het oog hierop is het gewenscht, dat vrij eerst onderzoeken, waarin de verdienstelijkheid van 's .menschen werk naar Roomsche beschouwing gelegen is.
In Het Mysterie der Verlossing, door A. Janssens, behoorende tot de Leerboeken der dogmatica en 'der apologetica, uitgegeven door professoren in de godgeleerdheid, wordt op pag. 101 deze definitie gegeven : »De verdienstelijkheid is de waarde van een werk in de oogen van hem, in wiens opdracht en tot wiens eer het gedaan werd en waardoor een zeker recht op belooning ontstaat. De verdienste is een waardevol werk of een waardevolle daad, waarom iemand recht verwerft op belooning«.
Wijl deze omschrijving voorkomt in de behandeling van Christus' heilswerk, wordt op het wezen van de verdienste niet verder ingegaan. slechts wordt op grond van deze omschrijving geconstateerd, dat het werk van Christus niet alleen ter voldoening is, maar ook verdienstelijk, d.i. een waardevolle en verdienstelijke prestatie in den dienst van God.
Wij laten daarom een oogenblik dit werk los, al zullen wij straks er toe terugkeeren, omdat bij de verdere omschrijving van Christus' heilswerk in zijn verdienstelijk karakter enkele uitdrukkingen worden gebezigd, die van de grootste beteekenis zijn voor het onderzoek naar het wezen der verdienstelijkheid en der verdienste.
Dt. B. Bartmann in zijn Lehrbuch der Dogmatik (Freiburg. 1932) gaat iets uitvoeriger in op de verdienstelijkheid der goede werken. Daarbij valt onmiddellijk op, dat Rome onder goede werken alleen de werken van een gerechtvaardigde verstaat, d.i. van den zondaar, in wien het eerste beginsel der genade werd ingestort. Dit beginsel zelf, de eerste genade genoemd of de genade der roeping, kan niet verdiend worden. Men geeft aan dit beginsel in het bizonder den naam van genade. Op dit beginsel wordt toegepast, al wat Paulus zegt van de tegenstelling tusschen genade en werk. In dit stuk, maar hier ook alleen, worden de pelagianen en semi-pelagianen veroordeeld. »Als de kerk verklaart, dat de genade zonder eenige verdienste is, welke ook, wordt iedere verdienste, ook de billijkheidsverdienste (meritum de congruo) der semi-pelagianen ontkend*.
Ter opheldering zij even vermeld, dat men tweeërlei verdienste onderscheidt, het meritum de condigno en het meritfum de congruo. Bij het eerste is het werk volwaardig en is er algeheele overeenstemming tusschen het werk en de belooning. Bij het laatste wordt die volwaardigheid gemist, wordt dus alleen vergelijkenderwijs van verdienste gesproken. Wij zouden haast zeggen : God wil het als verdienstelijk aanmerken, ofschoon het in zichzelf niet volwaardig verdienstelijk is.
Zoodra de eerste genade in een mensch is uitgestort, begint de mogelijkheid van verdienste. „Is de mensch eenmaal door de voorafgaande opheffende genade in de richting naar God en zijn eeuwig heil gebracht, dan is hij daardoor tevens in de mogelijkheid gezet om zich op de een of andere wijze voor verdere genadehulp voor te bereiden". Vandaar de stelling: „De gerechtvaardigde verdient door zijn goede werken de vermeerdering der genade, het eeuwige leven en de vermeerdering der glorie". Het concilie van Trente heeft zelfs uitgesproken, dat, zoo iemand leert, dat de goede werken van een gerechvaardigd mensch waarlijk gaven Gods zijn en niet ook goede verdiensten van den gerechtvaardigde zelf, dat de gerechtvaardigde door de goede werken, die van hem gedaan worden met behulp van Gods genade en de verdienste van Jezus Christus, van wien hij een levend lid is, niet waarachtig verdient de vermeerdering der genade, het eeuwige leven en voor het geval hij in de genade sterft, de verwerving van dit eeuwige leven en een vermeerdering der heerlijkheid, die zij vervloekt.
Erkend wordt echter door Bartmann, dat het woord verdienste in de Schrift niet voorkomt, dat deze spreekt van loon, kroon, vergelding of lofprijzing. Er bestaat echter voor hem geen verschil tusschen deze namen en den naam verdienste. Men leert ook niet, dat de goede wenken door hun eigen natuur het eeuwige leven verdienen, maar dat de noodzakelijke voorwaarde voor een goed werk de belofte van Gods zijde is onze goede werken in genade te willen aannemen en op bovennatuurlijke wijze te willen beloonen.
Als wij dit alles lezen, vragen wij ons onwillekeurig af : maar waar ligt nu eigenlijk het onderscheid tusschen loon naar verdienste en loon naar genade. Erkennen de Roomsche theologen feitelijk ook niet, dat de verdienste der goede werken een loon naar genade is, wijl die verdienstelijkheid daarop rust, dat God beloofd heeft die werken te beloonen.
Ja, schijnbaar is het verschil tusschen Rome en ons zeer gering, en toch, als wij verder speuren, is het waarlijk zeer diep.
Wij doen dus verkeerd, als wij het verschil tusschen een belooning naar verdienste en naar genade daarin zoeken, dat bij het eerste de goede werken in zich zelf verdienstelijk zijn, terwijl bij het laatste de belooning steunt op Gods belofte. Zoo wordt dikwijls gedaan en dan zegt men, dat God beloofd heeft onze goede werken te beloonen, maar dat Hij zulks niet verplicht was. Deze gedachte is evenwel ook door Rome niet vreemd en gelijk wij aanwezen, wordt de belofte Gods, de goede werken in genade te willen aannemen, daar als voorwaarde aangenomen voor de mogelijkheid van verdienste.
Wij moeten het verschil ergens anders zoeken Volgens Bartmann is eisch van een goed werk, dat het vrij worde volbracht, in zichzelf zedelijk goed is en dat het volbracht wordt uit een bovennatuurlijk motief. Voornamelijk in den eisch, dat het vrijwillig volbracht wordt, ligt het verschil,
maar juist daarom moeten we terugkeeren naar het eerste wenk van prof. Janssens, waar deze eisch in alle klaarheid: wordt toegelicht. Hij schrijft, dat het meritum waarlijk de oorzaak is, waarom de belooning wordt gegeven, vooropgesteld, dat God voorbeschikt heeft de waardevolle daad aldus te beloonen. Waar immers deze goddelijke voorbeschikking aanwezig is, daar heeft hij, die de waardevolle daad stelt, een waarachtig recht op het loon : zijn recht is gesteund eensdeels op die voorbeschikking Gods, anderdeels op zijn verdienstelijke daad, die 't in zijn macht was, niet te stellen.
Deze laatste woorden maken alles duidelijk en laten ons zien, dat de Roomsche theologie de vrijheid van den mensch zoover doorvoert, dat de uitkomst geheel van den mensch en zijn besluit afhankelijk is. De verdienstelijkheid van het werk hangt met deze vrijheid samen. De mensch kan besluiten niet te gelooven, niet te werken in Godes dienst, en daarom moet God eigenlijk den mensch dankbaar zijn, als hij zoo goed wil zijn om Hem te vreezen en te dienen. Zooals wij een arbeider in onzen dienst beloonen, want hij is onze slaaf niet en kan anders zeggen : ik ga naar een ander, zoo heeft volgens de Roomsche theologie God besloten het goede werk te beloonen, want die mensch is in staat te zeggen : ik heb geen lust meer in Uw dienst, en dan zou God zonder dienstknechten staan.
Hierdoor wordt ook duidelijk, waarom de hervormers zulk een afkeer hebben gehad van de leer van de verdienstelijkheid der goede werken, wijl God de Heere daardoor afhankelijk werd van menschen. Ten volle hebben zij erkend, dat het . onderhouden van Gods geboden grooten loon geeft en met eerbied hebben zij zich gebogen voor de vaste orde, die God de Heere ook in het zedelijk leven heeft gesteld, een orde, die door de genade niet wordt opgeheven, maar nimmer hebben zij God tot schuldenaar van den mensch willen maken. Tegenover Rome, die leert, dat Christus in zijn heilsdaden de zijnen de mogelijkheid heeft verworven van zalig te worden en eigen zaligheid te kunnen verdienen, hebben zij erkend, dat Christus voor de zijnen de volle zaligheid heeft verdiend, d.w.z. dat Hij ook voor hen den Geest heeft verworven, waardoor zij vernieuwd worden tot een nieuw leven. Deze vernieuwing is geen vrucht van hun vrije wil, maar vrucht van de kracht der genade. Juist daarom is er van een loon naar verdienste in het leven van den christen nooit sprake, want v/at heeft hij, dat hij niet heeft ontvangen ?
Met dit resultaat onzer beschouwingen hebben wij ons thans te keeren tot het verbond vóór den val en moeten wij vragen, of daar een plaats is geweest voor loon naar verdienste. En dan verwekt het onze verbazing, dat zoovelen hier onmiddellijk geneigd zijn een toestemmend antwoord te geven. Omdat het goede werk van den mensch in het paradijs zonder zonde en gebrek zou zijn geweest, achten zij, dat hier van loon naar verdienste gesproken kan worden.
Zoó algemeen is deze gedachte geworden, dat men van iemand, die In zijn eigen werken de grond van zijn rechtvaardigheid zoekt, vaak zegt, dat hij werkt uit een verbroken werkverbond, alsof men wilde zeggen : deze mensch doet, als of hij niet gevallen ware. Wanneer de mensch staande was gebleven, dan had hij op zijn eigen werk mogen bouwen, maar nu is dit niet mogelijk meer. Wij wezen er de vorige keer reeds op, dat men zoo Adam vóór dien val tot een farizeër maakt. Wij . kunnen nu zeggen, dat men op die wijze in het paradijs God afhankelijk maakt van den goeden wil des menschen en God tot schuldenaar van den mensch maakt, in plaats dat de mensch schuldenaar bij God is. Om deze reden hadden wij er bezwaar tegen om het stuk van den vrijen wil, dat men thans loochent, in het paradijs een eereplaats te geven. Men moet dan noodzakelijk daar uitkomen, dat God den mensch dankbaar moet zijn, dat hij zoo goed is geweest om te besluiten God te dienen.
Als God den mensch in het paradijs schept, wordt die mensch niet neutraal geschapen tusschen God en de zonde in, terwijl vervolgens afgewacht moet worden, wat die mensch nu in vrije keuze al verkiezen te doen. Neen, God heeft die mensch goed en naar zijn evenbeeld geschapen, dat is in ware kennis, gerechtigheid en heiligheid. De mensch is geschapen met een goeden wil, dat Is met een genegenheid voor het goede. Het verbond, dat God met hem sloot, spreekt ons van de goddelijke gemeenschap, waarin hij is opgenomen en van Gods Geest, als hem leidende en bestierende. Juist daarom had God den mensch niet dankbaar te zijn voor zijn goeden wil, want deze was niet van hem zelf, maar van God. Zij was met zijn schepping gegeven.
Hier ligt de voornaamste reden, waarom ook in het paradijs van een loon naar verdienste geen sprake kon zijn. Als God nochtans de gehoorzaamheid van Adam beloonen wil, dan moet men hier niet van een loon naar verdienste spreken, maar van een loon naar vrije gunst, gelijk onder het genadeverbond van een loon naar genade. Want dat wij van een loon naar genade spreken, dat is niet alleen omdat onze beste werken met zonde bevlekt zijn, maar veeleer omdat het goede, dat er in is, niet uit ons is, maar uit God. Zoo zou het ook vóór den val zijn geweest, indien Adam ware staande gebleven. De mensch zelf zou erkend hebben, dat het goede, dat hij gedaan had, niet uit hem was, maar uit God. Want wat had hij ook toen, dat hij niet ontvangen had ?
In overeenstemming daarmede moeten wij heel het verbond met al de beloften des verbonds zien als voortgekomen uit Gods vrije gunst. Uit vrije gunst neemt God de Heere den mensch in zijn gemeenschap op ; uit vrije gunst belooft Hij hem de eeuwige zaligheid. Daartegenover eischt God, dat de mensch — want in alle verbonden zijn twee deelen gegeven — Hem vrijwillig zal dienen en in alles volkomen zal gehoorzamen. Alleen in den weg van gehoorzaamheid zal de mensch de vervulling van Gods beloften ontvangen. Dat de mensch in het paradijs vrijheid gehad heeft van den boom des levens, te eten, hangt daarmede samen, dat God hem het leven heeft gegeven in zijn verbondsgemeenschap nog voordat de mensch goede werken had gedaan. Indien Adam het leven had moeten verdienen, heeft deze boom des levens in het paradijs geen zin. Dan zou de vrucht hem ook verboden zijn geweest, totdat hij zijn gehoorzaamheid had betoond.
Het verschil tusschen het verbond vóór en na den val ligt dus niet in het verbond als zoodanig. Evengoed als het nieuwe hart en de nieuwe geest in den christen een gave Gods is, evengoed was de gaafheid van Adams natuur een gave Gods. En zoozeer als God van ons eischt geloof en gehoorzaamheid en alleen In dien weg het eeuwige leven wordt verkregen, want alleen wie volharden zal tot het einde, zal zalig worden, zoozeer heeft God ook van Adam geëischt geloof en gehoorzaamheid zonder nochtans het verbond op zijn gehoorzaamheid te vestigen.
De eisch van geloof en gehoorzaamheid behoort tot het wezen van Gods verbond met den mensch. Het verbond rust echter niet op dezen eisch, maar komt in geloof en gehoorzaamheid tot openbaring. Het verbond gaat dus in zekeren zin aan deze eisch vooraf, wijl het door God met den mensch wordt opgericht en de mensch in het vei^bond zich voor dezen eisch gesteld ziet. Wie dit voorbijziet, ook ten opzichte van het verbond vóór den val, doet het goddelijk karakter van het verbond te niet en verlaagt het verbond tot een soort contract tusschen twee partijen, zooals dat in menschelijke verbonden voorkomt. Onder de verbonden, die onder menschen gevonden worden, kan daarom alleen het huwelijksverbond in aanmerking komen om het verbond Gods met den mensch eenigermate af te schaduwen.

O. a/d IJ.
Woelderink.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 december 1935

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

HET VERBOND GODS MET DEN MENSCH

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 december 1935

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

PDF Bekijken