Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

VAN DEN WOORDE GODS

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

VAN DEN WOORDE GODS

UIT HET ONGESCHREVEN WOORD

12 minuten leestijd

Genesis 8 : 8 en 9. Daarna liet hij eene duif van zich uit om te zien, of de wateren gelicht waien van boven dien aardbodem. Maar de duif vond geen rust voor het hol van haren voet; zoo keerde zij weder tot hem in de arïk, want de wateren waren op de gansche aarde. En hij stak zijne hand uit en nam haar en bracht haar tot zich in de ark.

5e Serie.
VIII.
Gods Woord doet voor ons heit licht opgaan niet alleen over de wereld der menschen, maar over de gansche natuur. Over de sterren des hemels spreekt het ons, opdat wij In het firmament daarboven ons den rijkdom van Zijn scheppend vermogen zullen aanbidden. Doch ook wandelt het met ons over deze aarde en laat ons de bergen en de heuvelen, de wateren der zee, de ruischlng van den stormwind zoowel als het suizen der zachte koelte zien als gewrocht van Zijn alvermogen, als instrumenten Zijner daden, opdat de kinderen der menschen Hem zullen zien voorttreden in de grootheid Zijner macht en zullen leeren van Hem te verwachten alle goede gave en alle volmaakte gift in de dagen van nood en smart en Zijne stemme zullen beluisteren, die spreekt van Zijn wonder ontfermen. En zoo behoeft het ons ook niet te verbazen, dat des Heeren Geest in het Woord met ons wandelt door de wereld der dieren, ons onderricht door ons te wijzen op hun voorbeeld, of ze ons te toonen in het bijzonder licht, waarin zij verschijnen in betrekking tot het leven van Gods Kerk en van de daden der genade Gods. Denk slechts aan Salomo's vermaning tot den luiaard : „Ga tot de mier, gij luiaard I Zie hare wegen en word wijs". Daar teekent ons de Heilige Geest in een trek de roeping tot trouwen arbeid in het voorbeeld van het leger der mieren, waarin ook dit nietig insect een wonder van energie zich bewijst in den bouw van het nest en de verzameling der spijze. In onze belijdenis staat het zoo juist omschreven, dat de natuur voor onze oogen is als een schoon boek, waarin alle schepselen, groote en kleine, gelijk als letteren zijn, die ons de onzienlijke dingen Gods te aanschouwen geven. De Heere leert ons in Zijn Woord ook dat boek der Natuur te lezen, opdat wij er door onderwezen zullen worden tot zaligheid, maar ook voor ons dagelijksche leven. Ook hier geldt de belofte, dat de godzaligheid van belang is voor het tegenwoordige, zoowel als voor het toekomende leven. Zoo wijst de profeet tot Israels beschaming op den os, die zijn bezitter kent, op den ezel, die de kribbe zijns heeren onderscheidt, „maar Mijn volk verstaat niet".
Reeds daaruit blijkt, dat wij niet achteloos aan de natuur mogen voorbijgaan, want de Heere spreekt ook daarin zijn Woord, laat ons zelf zien, dat Hij ook in de natuur de voorbeelden schiep, die het evangelie afschaduwen kunnen. Dies Heeren Woord onderwijst de genade, door onze oogen te openen voor hetgeen er in de natuur geschiedt. Door de voorbeelden, aan haar ontleend; leert en vermaant Hij zijne kinderen op de school des Heiligen Geestes. Herinner U slechts, hoe in Psalm 147 de teederheid der genade Gods over zijn volk wordt bezongen, wanneer de dichter Gods wondere mogendheid teekent, die de sterren telt, en ze bij name roept". Hij leert ons Gods wijsheid te aanbidden. Maar alleen omdat de natuur ons Gods almacht openbaart, die Hij eveneens in de daden Zijner genade toonen kan. Ja, Hij geneest de gebrokenen van hart, verbindt ze in hunne smarten. En om die nederbuigende goedheid ons te leeren zien, wijst Hij op hetgeen de natuur te aanschouwen geeft, want zij leert, dat Hij, die God is, die niet alleen den regen bereidt voor de aarde, zoodat het gras uitspruit op de bergen, maar ook aan het vee voeder, zijn voeder geeft. Ja, zoo teeder, zoo wonderbaar Is zelfs Zijn goddelijk ontfermen, dat Hij de jonge raven voedt, als zij roepen". De Heilige Geest teekent het ons voor, zoodat wij zien, hoe zij de bekken opensperren en hooren, hoe zij luide krassen om van hun honger te getuigen. Maar wij zien ook Gods geopende hand uitgestrekt naar de raaf, die maar een veracht, onrein dier is. Zoo predikt de Heere Zijne zoekende liefde. Zijne nederbuigende goedheid voor een onrein zondaar, door ons te wijzen op wat Hij doet in de natuur, in de wereld der dieren.
En kom nu tot de ark en laat ons zien, hoe Noach de vogels kent en van zijne kennis een practisch gebruik maakt. De raaf had hij uitgelaten en haare gedragingen toonden, dat de wateren nog niet genoegzaam waren geweken om de ark te kunnen verlaten. Zij bleef rondzwerven om de ark, maar keerde tot haar niet weder. Zij kon zich redden, in hare nooddruft voorzien. Zoo leerde zij aan Noach begrijpen, dat er wel eene daling der wateren was ingetreden, maar dat deze nog niet zoover was gevorderd, dat het raadzaam kon zijn zich op de aarde reeds nu te vestigen. Er blijkt wel uit, dat Noach sterk verlangde de reddende ark te mogen verwisselen met het gewone leven op de aarde. Daaruit wordt zeker duidelijk, dat Noach een klaar begrip er van had, dat de wondere genade in Zijne reddende daad de natuurkrachten was te boven gegaan, opdat hij na zijne redding weer tot het gewone leven terugkeeren zou. Hij zocht dus niet het buitengewone te rekken, zooals Gods kinderen soms begeeren. Denk slechts aan de discipelen, die Jezus' verheerlijking op den heiligen berg aanschouwden en zeiden : „Heere, het is goed dat wij hier zijn; zoo Gij wilt, laat ons drie tabernakelen maken". En zoo komt het nog dikwijls voor, dat Gods kind wil blijven in het licht, omdat zijne ziel er verkwikt wordt door de zalige ervaring van des Heeren nabijheid. Maar zie nu hier naar Noach. Welk een wonder van genade is hem geschied. Hij werd met de zijnen gered, hij alleen uit eene wereld, die in het booze lag en tot het oordeel was voorbestemd. Hoe veilig dreef hij op de al-verwoestende wateren in de ark des Heeren. Wij zouden meenen, dat hij daar niet slechts de rust smaakte, maar ook in die zalige genadedaad wilde blijven rusten. En toch is dit niet het geval. Uit heel zijne handeling blijkt, hoezeer hij verlangt de ark te verlaten. Geen dag langer wilde hij blijkbaar blijven, dan hoog noodig was. Hij laat de raaf uit, zoodra hij dacht, dat er eenige hope was op een uitgang. En toen die raaf hem leerde, dat de droogwording nog niet voldoende was gevorderd, toen wachtte hij en liet daarna een duif uit. Er staat niet, hoe lang de tusschenpooze was, voordat hij de duif heeft uitgezonden. Daaruit blijkt wel, d^t het slechts eene korte spanne tijds is geweest. Noach was begeerig de ark te verlaten en zijne begeerte werd dringender naarmate de dagen voorbijgingen. Toch was hij in den weg van Gods genade, toch werd hij in die ark gedragen op de armen Zijner goedertierenheid. Toch genoot hij daar een rijk genadeleven onder zoo merkbare teekenen van des Heeren gunst. Zouden wij nu niet verwachten, dat hij zich anders gedragen had, dat het verblijf in de ark hem de hoogste vreugde ware geweest en dat hij dus geen verlangen had haar zoo spoedig mogelijk te verlaten ? Dat zouden wij kunnen denken. En toch is het omgekeerde het geval. Noach hunkert naar den uitgang, doet proeve op proeve om zich te vergewissen over den stand der wateren op deze aarde. En zoo geeft hij ons het exempel, dat de reddende daden Gods niet de strekking hebben om het ons aangenaam te maken, maar ons te bekwamen tot een hoogere roeping, tot een heilig levensdoel te midden der wereld, waarin de Heere ons heeft geplaatst. Het gaat bij de genadedaden, die de Heere aan Zijn volk doet, niet om dat volk op zichzelf, maar om des Heeren werk in dat volk, opdat het dienstbaar zal wezen aan de heerlijke doeleinden, die Hij voor de zijnen verkozen heeft. En die doeleinden zijn gegeven in de verkondiging Zijner daden te midden der wereld', opdat Zijn Naam de eer ontvangen zal. Zoo heeft Noach, in de ark vertoevend, Gods daden wel geprezen, Gods Naam wel verheerlijkt, genoten in zalige genieting van de hem te beurt gevallen redding, maar onder dat alles heeft hij toch ook gevoeld, dat die reddende genadedaad de strekking had hem voor te bereiden op den nieuwen levensarbeid op eene aarde, in welker diepten de oude wereld was verzonken. Een nieuw arbeidsveld wist hij voor zich ontsloten. En daarom hunkerde hij naar de ure, waarop hij de roeping Gods zou kunnen volgen.
Toen dus de raaf hem leerde, dat de ure van den uitgang nog niet gekomen was, wachtte hij een korte spanne tijds en zocht toen onder de vogelen de duif uit, omdat hij haar kende in hare levensgewoonten, in hare teederheid en zwakheid, daar zij vooral, meer dan eenige andere vogel, hem kon leeren, of de droogwording reeds zoover was voortgeschreden, dat de aarde weer bewoonbaar was. Waar de duive kan leven, kan ook de mensch bestaan vinden. Van de raaf geldt dat niet, omdat zij, onrein als zij is, levend van het vuilste dierlijke voedsel een rustplaats vinden kan op op wat dreef op den vloed. Doch hoe anders is de duif en welk eene nauwkeurige kennis van de wereld der vogels brengt Noach hier in beoefening ! De keuze der duif was geen willekeur, maar geeft blijk, dat ook Noach reeds iets heeft beseft van de wondere teederheid, waarmede in latere eeuwen de Heilige Geest die duive ons heeft afgemaaid.
Hoe innerlijk Gods Woord met de natuur der dingen verwant is, hoe het ons leven te midden der natuur kent, dat blijkt vooral ook daaruit, dat het ons de eigenschappen der dieren, den indruk, dien zij op ons maken, nader brengt. Dat blijkt, wanneer des Heeren werken, de wonderdaden Zijner mogendheid onder de beeldspraak van den leeuw wordt afgemaaid. Maar ook wanneer de hond, het onreinste der dieren, den onreinen zondaar teekent. Lazarus, de arme voor de poort van het paleis van den rijkaard, wordt in zijne afzichtelijke onreinheid getypeerd, wanneer hij ons wordt voorgesteld, terwijl honden de zweren lekken van den ellendigen bedelaar, dien de engelen straks zullen dragen in Abrahams schoot.
Noach laat eene duive uit, want zij kan niet als de raven zich vergenoegen op de krengen, die ronddrijven over de wateren. De duive is rein, mag zelfs dienen voor het heilig offer. De lamme moest als offer voor de schuld den Heere brengen twee tortelduiven of twee jonge duiven, eene ten zondoffer en eene ten brandoffer. Gods kind, gebukt onder den last zijner nooden, klaagt: „Och, dat mij iemand vleugelen als eener duive gave! Ik zou heenvliegen waar ik blijven mocht". En de verheerlijkte Bruidegom van Gods uitverkoren Kerk wekt haar op uit den dommel harer traagheid met de woorden, waarin Zijne liefde tintel*, want Hij roept tot haar : „Doe Mij open, mijne zuster, mijne vriendinne, mijne duive !" Hij prijst zijne Kerk : „Mijne duive, mijne volmaakte". En zoo ook geldt van Hlskia's gebed, dat „hij kirde als eene duive".
De duive wordt dan ook beelddraagster van de edelste zedelijke eigenschappen. Zoo zegt de Heere Jezus zelve, als Hij Zijne discipelen uitzendt als schapen onder de wolven, dat zij voorzichtig zullen zijn als de slangen en oprecht gelijk de duiven. De duive in haren eenvoud teekende dus innerlijke waarachtigheid, die Gods kinderen kenmerken zal. En in de groote gebeurtenissen in de verschijning des Heeren, waarin Hij voor de oogen van Israël in de eerste plaats, maar voor de toekomende eeuwen na dezen als Messias openbaar zal worden, wordt de vlucht der duive in haren nedergang het beeld, waarvan Gods Woord zich bedient, om het wezen van den Middelaar Gods en der menschen te verkondigen. Had Jesaja van Hem geprofeteerd : „En op Hem zal de Geest des Heeren rusten, de Geest der wijsheid en des verstands, de Geest des raads en der sterkte, de Geest der kennis en der vreeze des Heeren", als de Heere Jezus opklimt uit het doopwater, dan zegt de Schrift: „en ziet, de hemelen werden geopend en hij zag den Geest Gods nederdalen gelijk eene duive en op Hem komen". 'Daar is de duive dus zelfs waardig gekeurd een beeld te zijn, dat Hem vertolkt, die met den Vader en den Zoon waarachtig en eeuwig God is.
Zoo is het dus duidelijk, hoe teeder en liefelijk de duif is voor de heilige mannen Gods. En zulk eene duive liet Noach uit. Het wordt ons als voor oogen geschilderd, als de Schrift zegt: „Daarna liet hij eene duive van zich uit". Van de raaf staat alleen maar : „En hij liet eene raaf uit", maar de duive „liet hij van zich uit". Wij zien haar, zooals zij zich gezet had op zijne hand, zooals zij afging van den man, met wien zij zich door den band eener instinctieve genegenheid verbonden voelde en zooals Noach haar van zich uit liet, omdat hij dezen vogel minde boven vele anderen. En hij wist, dat de gedraging dezer duive hem zeker zou leeren, hoe het nu gesteld was op de aarde, hoe ver de wateren nu gedaald waren, want als er geen rustplaats voor haar was en zij zou wederkeeren, dan was nog de tijd niet gekomen om de ark te verlaten en uit te gaan naar de akkers om ze te bouwen. Zoo was de duive Noach's leermeesteres, hem toebeschikt door zijnen God, opdat hij zou weten, wanneer zijn geloof in Gods reddende genade tot zekerheid was vervuld.

Dit artikel werd u aangeboden door: de Gereformeerde Bond

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 december 1935

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

VAN DEN WOORDE GODS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 december 1935

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

PDF Bekijken