Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

DE OVERHEID, DE RELIGIE. DE KERK

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

DE OVERHEID, DE RELIGIE. DE KERK

7 minuten leestijd

Het is wel interessant te lezen wat er zooal over het ambt van de Overheid geschreven wordt in betrekking tot de religie en de Kerk.
De vorige week hoorden we al iets van Luther rakende deze kwestie (zie rubriek Kerknieuws, enz.). We willen mi hier nog weer enkele historische dingen overnemen van de hand van prof. dr. H. H. Kuyper, de historiekenner bij uitnemendheid. Deze geleerde schrijft in „De Heraut" over dit onderwerp en zegt nu aangaande de verschillende belijdenisschriften het volgende :
Het is wel opmerkelijk, dat Calvijn in de verschillende geloofsbelijdenissen, door hem opgesteld zoowel voor de Kerk te Geneve als voor de Fransche Kerken, wel een afzonderlijk artikel heeft opgenomen, waarin gehandeld wordt over de Overheid, over haar Goddelijke aanstelling, over haar roeping en over de plichten der onderdanen tegenover haar — maar daarbij met geen enkel woord zelfs melding heeft gemaakt van wat in onze Ned. Geloofsbelijdenis staat, n.l. dat de Overheid geroepen is om de afgoderij en den valschen godsdienst uit te roeien en het rijk van den Antichrist te gronde te werpen. (Artikel 36).
Wat hier in Artikel 36 staat, is niet in strijd met hetgeen Calvijn reeds in de eerste uitgave van De Institutie (1536) schreef. Daar komen reeds dezelfde uitdrukkingen voor, en er kan geen de minste twijfel over bestaan, dat Guido de Brés, toen hij onze Gel. belijdenis opstelde, dé bedoelde woorden aan Calvijn's Institutie ontleend heeft. Maar Calvijn zelf heeft in de Confessie door hem opgesteld, dit niet gedaan. Calvijn meende blijkbaar niet, dat in de Belijdenis eener Gereformeerde Kerk deze woorden niet ontbreken mochten. Integendeel. Hij heeft deze zinsnede niet opgenomen, nooit en nergens. De oorzaak zal wel zijn, dat Calvijn meende, dat de Kerk heeft op te treden tegenover een dwaalleer om de waarheid Gods uit de Schrift rast te stellen. Nu ging het in de dagen der Reformatie om 't geen de Wederdoopers leerden inzake de Overheid; waarbij bleek, dat zij van geen Overheid wilden weten. Daartegen nu moest de Kerk optreden. En zoo kwam zoowel de Luthersche als de Gereformeerde Kerk er toe om in haar Geloofsbelijdenis een artikel op te nemen, waarin deze dwaling der Wederdoopers, die van geen Overheid wilden weten, bestreden werd.
De Ausburgsche Confessie deed dit in art. 16 : „Wat de politie en de wereldlijke regeering aangaat, leeren wij, dat alle Overheid in de wereld en een geordende regeering en wetten een goede orde zijn door God geschapen en ingesteld en dat de Christenen zonder zich te bezondigen het ambt van Overheid, van Vorst, van rechter mogen bekleeden ; naar keizerlijke en andere in gebruik zijnde wetten oordeel mogen vellen en recht spreken, mitsgaders met het zwaard mogen straffen, gerechte oorlogen mogen voeren enz. en hiermede worden verdoemd (veroordeeld) de Wederdoopers, die leeren, dat alles wat hier genoemd wordt niet Christelijk is". Van 't begin af aan heeft Calvijn zich tegen de dwaalleer van de Wederdoopers, die van geen Overheid willen weten, verzet. En zoo heeft hij ook gedaan in de door hem opgestelde Confessie.
In de Geloofsbelijdenis, opgesteld voor de inwoners te Geneve, luidt Art. XX, dat over de Overheid handelt, aldus : „Wij houden de opperhoogheid en heerschappij zoowel van Koningen en Prinsen als van andere Magistraten en Over­ heden voor een heilige zaak en een goede verordening van God. En zooals zij hun plicht waarnemende. God dienen en een christelijke roeping volgen, hetzij dat zij de verdrukten en onschuldigen beschermen, hetzij dat zij verbeteren en bestraffen de boosheid der slechten, zoo zijn wij ook onzerzijds verplicht hun eer en eerbied te bewijzen, hen te gehoorzamen en onderdanig te zijn, hun bevelen ten uitvoer te brengen, de lasten door hen ons opgelegd te dragen, voor zoover dat mogelijk is zonder God te beleedigen. Kortom, wij hebben hen te houden voor
plaatsbekleeders en stadhouders Gods, aan wien men op geenerlei wijze weerstand mag bieden of men biedt weerstand aan God Zelf. En men heeft hun ambt te houden voor een heilige opdracht van God, welke Hij hun heeft gegeven om ons te besturen en te regeeren. Waarom we oordeelen, dat alle Christenen gehouden zijn God te bidden voor den voorspoed der overheden en heeren van landen, waar ze leven, te gehoorzamen aan de wetten en verordeningen, die niet in strijd zijn met de geboden Gods, te bevorderen het welzijn, de rust en 't gemeene nut, zich inspannende om te onderhouden de eer der Overheden en de rust van het volk, zonder iets te smeden of te verrichten waardoor troebelen of oneenigheden verwekt kunnen worden. En wij verklaren daartegenover dat allen, die zich ontrouw betoonen tegenover hun overheden en niet een rechte liefde hebben voor het gemeene welzijn van het land, waar ze wonen, daarin hun ontrouw betoonen tegenover God."
Deze Confessie is niet de eenige van Calvijn. Want er zijn ook de z.g.n. Artikelen van Lausanne, waarin hetzelfde kort maar krachtig aldus wordt saamgevat: „Zij (de Kerk) erkent de burgerlijke Overheid als door God verordend en als noodzakelijk om den vrede en de rust van de gemeene zaak te bewaren. En zij wil en beveelt, dat allen haar gehoorzamen voor zoover de Overheid niets beveelt tegen God."
In de Confessie door de Fransche Kerken opgesteld, om aan den Koning te worden aangeboden, heeft Calvijn zelf een artikel over de Overheid doen opnemen, dat aldus luidt: „Wij gelooven, dat God wil, dat de wereld geregeerd wordt door wetten en politiën (d.i. (burgerlijke regeeringen), opdat er eenige teugels zijn om de onordelijke begeerten van de wereld tegen te gaan en dat Hij daarom heeft ingesteld Koningschappen en Overheden en al wat behoort tot den staat der justitie en dat Hij wil erkend zijn als de auteur daarvan, opdat men terwille van Hem niet alleen verdrage, dat de Overheden regeeren, maar dat men hen eere en alle hoogachting bewijze, hen houde voor Zijne stadhouders en beambten, aan welke Hij in last heeft gegeven om een wettige en heilige taak te volbrengen. Wij houden het derhalve daarvoor, dat men gehoorzamen moet aan hun wetten en statuten, aan hen 'belastingen moet betalen en andere
verplichtingen, en het juk van onderwerping met een goeden en vrijen wil moet dragen, behoudens dat het souvereine regiment van God ongeschonden en in zijn geheel blijft".
En evenzoo staat het in de Geloofsbelijdenis van de studenten, die aan de Hoogeschool te Geneve studeeren wilden : Ik belijd, dat God wil, dat de geheele wereld zal geregeerd worden 'door wetten en politie, opdat de teugels niet ontbreken, waardoor de losbandige bewegingen der menschen bedwongen worden. Dat God om die oorzaak koningschappen, prinsdommen en heerschappijen heeft ingesteld en alles wat tot de burgerlijke jurisdictie behoort. Waarom Hij wil gehouden worden voor den auteur daarvan, opdat om Zijnentwil niet alleen hun heerschappij gedragen worde, maar wij hen ook eeren en eerbiedigen als plaatsbekleeders Gods en als dienaren van Hem gesteld, opdat zij hun wettig en heilig ambt waarnemen. En derhalve erken ik, dat het billijk is, dat we aan hunne wetten en statuten gehoorzamen, tribuut en belasting opbrengen en al dergelijke zaken, en eindelijk, dat we gewillig en vrijwillig het juk der onderworpenheid dragen, slechts met deze uitzondering, dat aan God als den allerhoogsten Koning Zijn rijk ongeschonden en ongekrenkt blijve.
Vergelijkt men nu — aldus prof. dr. H. H. Kuyper — deze beide laatste confessies, door Calvijn opgesteld en die bijna woordelijk met elkaar overeenstemmen, met Art. 36 onzer Confessie, dan zal men zien, hoe Guido de Brés zich geheel daarbij aangesloten heeft. De meeste uitdrukkingen zijn zelfs letterlijk uit Calvijn's confessies overgenomen.
Wat Guido de Brés er echter aan toegevoegd heeft, is juist de middelmoot n.l. de woorden dat het „ambt der Overheid niet alleen is, acht te nemen en te waken over de Politie (of burgerlijke regeering) maar óók de hand heeft te houden aan den heiligen Kerkedienst; om te weren en uit te roeien alle afgoderij en valschen godsdienst, om het rijk des Antichrists te gronde te werpen en het Koninkrijk van Jezus Christus te doen vorderen, het Woord des Evangelies overal te doen prediken, opdat God van een iegelijk geëerd en gediend worde, gelijk Hij in Zijn Woord gebiedt".
Deze woorden zijn dus door Calvijn niet in eenige Confessie opgenomen.
Ze zijn in onze Ned. Geloofsbelijdenis ingevoegd door Guido de Brés.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 februari 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

DE OVERHEID, DE RELIGIE. DE KERK

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 februari 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

PDF Bekijken