Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

MEDITATIE

HET GROOTE WEGGELEGDE GOED

10 minuten leestijd

O, hoe groot is Uw goed, dat Gij weggelegd hebt voor degenen, die U vreezen. Psalm 31 vers 20a.

Het geloofsleven van Gods kind is wel aan wisseling onderworpen. In 't eene oogenblik klaagt en weent het; even later soms kan het zingen. Nu eens is het in een dal van smart, dan weer staat het op een heuvel van vertrouwen. Zoo zien we heit ook in Psalm 31.
In dezen Psalm worden we getroffen door de sterke wisseling tusschen aan de eene zijde bidden en klagen en aan de andere zijde de verzekerdheid van veiligheid bij God.
De omstandigheden, waarin David verkeerde, toen hij dezen Psalm dichtte, waren zeer moeilijk ; donkere wegen had hij te gaan ; in schrille kleuren bekent hij ons zijn uitwendigen toestand als zeer droevig. Hoort, hoe hij als uit de diepte 132 roept: help mij uit door Uw gerechtigheid ; red mij haastiglijk; wees mij tot een sterken Rotssteen, tot een zeer vast huis, om mij te behouden. Doe mij uitgaan uit het net, dat zij voor mij verborgen hebben; want Gij zijt mijne Sterkte. Welk een bange Macht: in Uwe hand beveel ik mijnen geest. Maar in zijn ziel leefde het vertrouwen op God. Bij Hem vindt hij zijn kracht. De Psalm vangt er reeds mee aan : Op U, o Heere ! betrouw ik; en op die bange klacht laat hij onmiddellijk volgen : Gij hebt mij verlost, Heere, Gij, God der waarheid, Gij hebt mij niet overgeleverd in de hand van den vijand'; Gij hebt mijn voeten doen staan in de ruimte.
Maar aan de eene diepte ontkomen, dreigt weer een andere. Reeds in het volgende vers is hij opnieuw in een diep dal. Hoort hem klagen : Wees mij genadig, Heere, want mij is bange. Vreeze is van rondom, dewijl zij tezamen tegen mij raadslaan. Maar in zijn vertrouwen op zijn God kan hij weer laten volgen : Maar ik vertrouw op U, o Heere ! ik zeg : Gij zijt mijn God, mijn tijden zijn in Uwe hand.
Weer staat hij in de ruimte, hoog als op een heuvel. En ver, schoon is het uitzicht, dat hij geniet. Het doet ons denken aan Mozes. Voordat deze stierf, bracht de Heere hem op den berg Nebo, om hem vandaar te toonen het goede land, dat Hij aan Israël beloofd had en dat Hij hun straks zou geven. 'Zoo mocht David hier zien het heil, dat God bereid heeft voor al Zijn kinderen en dan voornamelijk dat heil, dat hen wacht, wanneer eenmaal het gelooven zal verwisseld zijn voor aanschouwen. En als hij dan met geestelijk oog mag aanschouwen die heilsgoederen des Heeren, dan roept hij in verbazing en bewondering uit: hoe groot is Uw goed.
„Uw" goed, dat is dus : 's Heeren goed. Wij lezen ook van 's menschen goed, van menschen, die op het goed hun betrouwen stellen, van een zoon, die zeide : vader, geef mij het deel des goeds, dat mij toekomt. Maar dit ons goed heeft weinig waarde, 't draagt alles, waarin het ook bestaat, het stempel der vergankelijkheid, waarom de 'Heiland ook waarschuwend zegt : „vergadert u geen schatten op de aarde, waar ze de mot en de roest verderft, en waar de dieven doorgraven en stelen ; maar vergadert u schatten In den hemel". Daarop wijst ons ook dat „Uw" goed. Dat goed is niet van aardschen, natuurlijken aard, het is van geestelijken inhoud. Naar dat goed gaat ons hart van nature niet uit. Het natuurlijk hart gaat uit naar het goed, dat vergaat en dat enkel onbestendigheid is. Bij hoevelen in onze dagen treedt dat op in den groven vorm van een zoeken naar wat de oudheid reeds noemde „brood en spelen", maar daar is ook een zoeken van de aardsche goederen in een meer fijner vorm van het jagen naar eer en een leven voor de kunst. Duizendmaal kan men waarschuwen het bevredigt u niet, en duizendmaal is het ondervonden, en toch grijpt de mensch van nature altijd weer naar de dingen, die van beneden zijn.
Ja, zoó zelfs, dat hij er zich zelf niet van verlossen kan. Daartoe moet de hulp van boven komen, 't Gaat hem als de zwemmer, die in een warnet van waterplanten verward raakt en zoo naar beneden wordt getrokken. Hoe meer hij worstelt, hoe meer hij er in verward raakt. Zoo is het goed dezer wereld, de ziel kluisterend aan het stof, bindend aan de wereld met haar begeerlijkheid en tenslotte verlegen latend in den grooten dag des gerichts.
Zoo is „ons" goed. Maar de dichter heeft een geheel ander goed op 't oog. Hij spreekt tot God: hoe groot is „Uw" goed. 't Is Gods goed. Hij is er de Eigenaar van, dat eeuwig blijvend goed, 'dat niet beschaamd zal maken. Ja, God zelf is dat goed. Psalm 25 zingt er van :
Wie heeft lust den Heer te vreezen, 't Allerhoogst en eeuwig goed.
Hij is het hoogste goed. Hij zelf is het en Hij geeft het. En die beide, God en Zijn goed, mogen wij niet van elkander scheiden, want wij kunnen nooit het hoogste goed deelachtig worden, als wij Hem niet kennen door genade als onzen God, gelijk wij ook Christus niet kunnen deelachtig zijn zonder Zijn weldaden en omgekeerd. De Heere is mijn licht en mijn heil, mijns levens kracht", dat is het hoogste goed, dat de zaligheid voor ziel en lichaam, voor tijd en eeuwigheid.
Als Davids oog geopend wordt om dat goed te zien, verwondert het ons niet, dat hij uitroept : o, hoe groot is Uw goed. 't Is een uitroep van verbazing, een uitroep, die ons zegt, dat de groote waarde van dat goed niet is te schatten. David kon dat niet en wij evenmin. God is groot, en zoo is het ook met dit Zijn goed, dat Hij geeft, want God geeft altijd Zijner waardig. Zijn schatten zijn niet te tellen, zij kunnen niet gemeten worden. Daar is geen maat, geen grens voor. Zij zijn onuitsprekelijk. Velen denken klein, o zoo klein van God en Zijn goed. Zij kennen Hem niet, zij hebben geen oog voor Zijn werken. Zijn wegen. Zijn zegeningen. En toch, de aarde is vol van Zijn goederen. Ja, groot is het goed ook, dat God schenkt in het rijk der natuur. Maar toch, daarop heeft de dichter niet zoozeer het oog. Hij doelt meer op het geestelijk goed, dat God geeft, en daarom ook alleen het deel wordt van degenen, die Hem vreezen. Dat geestelijke goed kennen Gods kinderen hier beneden nog maar ten deele. Hier kunnen zij er slechts van stamelen, zij hebben hier maar de eerstelingen. Ja, groot is het goed, 'de vergeving dier zonden, het eeuwige leven, de herschepping naar Gods beeld, eenmaal die volmaakte zaligheid.
En de waarde van dien schat is des te grooter, omdat het een eeuwige schat is. Heit is die gansche weg des heils, waarvan de grondslag ligt in de eeuwigheid en de voortzetting is tot in der eeuwigheid, 't Is het werk, dat God voor de Zijnen deed, in hen legt en voor hen bewaart.
Op die zaligheid, die de Heere bereid heeft, mocht David in heit geloof een blik slaan en daarom zijn verwondering : o, hoe groot is Uw goed.
Van dat goed wordt hier gezegd, dat het weggelegd is ; 't is een erfenis, die in de hemelen bewaard wordt. De Psalmist spreekt hier haast met dezelfde woorden als de apostel Paulus, wanneer hij betuigt: „ik weet, in Wien ik geloofd heb en ik ben verzekerd, dat Hij machtig is, mijn pand, bij Hem weggelegd, te bewaren tot dien dag". De goederen der wereld kunnen worden gezien met het oog ; kunnen worden getast met de hand, maar het goed, dat God geeft, wordt hier beneden nooit ten volle aanschouwd. Dat komt pas later. Het is weggelegd goed. Weggelegd, het wil zeggen : verborgen. Verborgen voor de ongeloovigen, die alleen maar rekenen met de dingen, die men ziet. Het is in hun nabijheid, maar zij merken het niet, en zien het niet, het is hun dwaasheid. Ook al hooren zij er iets van, zij waardeeren het niet en verwerpen het.
't Is zelfs nog veelszins verborgen voor de geloovigen. „Het is nog niet geopenbaard, wat wij zijn zullen", zegt de apostel. Wel is wat wij tot zaligheid noodig hebben te weten, volkomen geopenbaard, maar verder zijn daar nog allerlei vragen, met 't oog op de eeuwigheid, welke hier geen beantwoording vinden. Maar wij weten toch, dat het heil er is. In dat opzicht staan wij niet in het donker. God heeft het weggelegd, zooals een moeder het weglegt voor haar kind om het straks te verrassen. God heeft van eeuwigheid voor de Zijnen gespaard. „Beërft het Koninkrijk", zoo zal Jezus eens zeggen, „dat voor u is weggelegd voor de grondlegging der wereld".
Gods goed is weggelegd in den hemel, omdat zij het op aarde niet kunnen bewaren. Het is weggelegd, opdat zij het niet verontreinigen of verliezen. Zoo bewaart de Heere voor de Zijnen het hoogste goed tot den dag der volkomen verlossing.
Daar zal ons 't goede van Uw woning, verzaden reis op reis.
En nu, voor wie is dit heil, dit goed, dat de Heere geeft ?
Onze tekst geeft op die vraag het antwoord. Niet voor alle menschen, maar het is voor hen die den Heere vreezen. Hun namen zijn geschreven in het boek des levens. Niet omdat zij Hem vreezen, maar omdat daaruit blijkt, dat de liefde Gods in hunne harten is uitgestort.
Wat is het dan, den Heere te vreezen ? Het is Gods kind te zijn, met eerbied voor Hem vervuld te wezen, met de begeerte in 't hart om naar alle Zijn geboden te leven. Het is een beven voor Zijn majesteit, maar tegelijkertijd ook een hopen op Zijn genade, geopenbaard m Jezus Christus 't is een zoeken en er naar jagen om in de gemeenschap met Christus te verkeeren, om uit Zijn volheid te ontvangen ook genade voor genade, Zijn kracht in onze zwakheid te ervaren voor al ónzen strijd en arbeid, in al onze moeite en leed.
Daar is ook een slaafsche vrees, zooals deze zelfs in het rijk der duivelen wordt gevonden. Als 'daar geen leven uit God is, dan is daar, als aan God gedacht wordt, een denken aan Hem als rechter. Dat dost dan voor Hem zich verbergen. Vreeselijk is het dan, Hem te .aanschouwen. Maar de kinderlijke vreeze doet telkens Hem zoeken, die gevreesd wordt.
Wie die vreeze ontving, ontvangt, het goed. Is die vreeze reeds uw deel ? Dan alleen is dit goed ook voor u weggelegd, maar zoo niet, gij zult het nimmer aanschouwen.
Wat groot is dan het bezit van die vreeze des Heeren. God geeft nu reeds zoo veel, en wat bewaart Hij niet voor den grooten dag.
In het Koninkrijk Gods blijven er verrassingen over. Ook de wereld heeft verrassingen, meestal pijnlijke verrassingen, teleurstellingen. En 't ergste zal wel zijn, als aan 't eind van het leven zal moeten worden beleden : 't goed, dat mij werd toevertrouwd, heb il verteerd en niets overgehouden. Maar de vreeze des Heeren stelt nimmer teleur. Zij zal den mensch nooit berouwen. Zij 't maar veel de bede :
Neig mijn hart en voeg het saam Tot de vrees van Uwen Naam.
En vreest gij den Heere, welk een genade, u geschonken. Uw heil ligt vast. Uw goed wordt bewaard. God bewaart het voor u en Hij geeft het aan allen, die Hem vreezen.
Zetten. R. Steenbeek

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 februari 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 februari 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

PDF Bekijken