Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

VAN DEN WOORDE GODS

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

VAN DEN WOORDE GODS

UIT HET ONGESCHREVEN WOORD

12 minuten leestijd

Genesis 8 : 15—17. Toen sprak God tot Noach, zeggende : Ga uit de ark, gij en uwe huisvrouw en uwe zonen en de vrouwen uwer zonen met u. Al het gedierte, dat met u is, van alle vleesch, aan gevogelte en aan vee en aan al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt, doe met u uitgaan. En dat zij overvloedglijk voorttelen op de aarde en vruchtbaar zijn en vermenigvuldigen op de aarde.

5e Serie.
XVI.
Genesis 8 : 15-17. Toen sprak God tot Noach, zeggende : Ga uit de ark, gij en uwe huisvrouw en uwe zonen en de vrouwen uwer zonen met u. Al het gedierte, dat met u is, van alle vleesch, aan gevogelte en aan vee en aan al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt, doe met u uitgaan. En dat zij overvloediglijk voorttelen op de aarde en vruchtbaar zijn en vermenigvuldigen op de aarde.
De schepping Gods is In wezen één, vertolking van Zijne eeuwige gedachte, openbaring van Zijn eeuwig besluit. In haar openbaart Hij Zichzelven, zoodat zij de heerlijkheid van zijn Wezen tot uitstraling brengt. Daarom vertellen de hemelen Gods eere en het uitspansel verkondigt Zijner handen werk. Daarom zong de dichter van zon en maan en van alle lichtende sterren, van de hemelen der hemelen en van de wateren daarboven, dat zij dien Naam des Heeren loven. Zelfs in vuur en hagel, van sneeuw en damp, van de stormwind, van de bergen en heuvelen, van vrucht-en cederboomen, van alle gedierte der aarde, zoowel als van de koningen en de vorsten, van alle rechters der aarde geldt, ja van jongelingen en maagden, van ouden en jongen, dat zij den Heere loven ! Want zij allen zijn Zijner handen werk. Zijne schepselen, die Hij draagt door het Woord Zijner kracht. Alle schepsel verkondigt dan ook de glorie van den Eeuwige, daar zij allen door Hem zijn. Maar hoewel zij het doen, zij doen het niet allen op dezelfde wijze. Zij verheerlyken Hem naar hun aard. De sterren des hemels, hoewel er geene sprake en geen woorden zijn, getuigen sprakeloos door de wondere schoonheid, waardoor zij uitblinken, het gedierte en alle vee en alle gevleugeld gevogelte, zij allen zingen hun eigen God verheerlijkend lied. Doch de mensch is Zijn beeld-drager, in hem klimt het leven op, zoodat het leven was het licht der menschen. In hem is het leven der rede, die hem stempelt tot een schepsel, dat zichzelven onderscheidt van God en wereld beide en dat een „ik" draagt in zijne ziel, waardoor het leven in hem klimt tot zelfbewuste klaarheid. Daarom kan hij als Gods beelddrager het hoofd zijn aller schepselen, is hij geroepen in aller plaats de heerlijkheid en de eere Gode te brengen, in aller naam het „Halleluja !" aan te heffen, opdat in en door dien mensch God de Heere uit en van die schepping Zijne eere zal ontvangen. Diep is daarom onze val, want wij verkeerden als in het tegenbeeld van wie wij moesten zijn, zoodat niet al wat adem heeft den Heere looft, maar omgekeerd van deze aarde de vloek opgaat naar den hemel en de menschheid onderging in doem en dood.
En toch geldt het van deze schepping, dat zij den lof des Heeren brengen zal en dat door dit scheppingsleven heen, als door de barensweeën van een nieuw leven, de nieuwe hemel en de nieuwe aarde opkomen, waarin de majesteit van Gods Wezen op het luisterrijkst te voorschijn treden zal en de heiligen zeggen: „Wij danken U, Heere God almachtig, Die is en Die was en Die komen zal! dat Gij uwe groote kracht hebt aangenomen en als Koning hebt geheerscht!" Ja, de heerlijkheid Gods zal over Zijne kinderen zijn, want Hij zelf zal bij hen wonen en zij zullen Zijn volk zijn en God zelf zal bij hen en hun God zijn. De volken, die zalig worden, zullen wandelen in het licht van deze stad. Zelfs de heerlijkheid en de eer der volken zullen daarin worden gebracht. Maar de glorie van Zijn Wezen zal ook zijn daarbuiten, waar is wat ontreinigt en gruwelijkheid doet en leugen spreekt. Ook in de poel, die brandt  van vuur en sulpher, want al bedde zich iemand in de hel, hij zal ervaren, dat Hij ook daar is met wondere heerlijkheid zijns Wezens, dat den onverzoenden zondaar verplettert en neerwerpt in de buitenste duisternis.
De heerlijkheid van Gods Wezen wordt dus openbaar in alle creatuur. En daarom leerden dan ook onze Vaderen, dat zich ook in het nietigste wezen de sporen toonden, die Gods grootheid deden verstaan, doch dat in den mensch dit opklom tot Zijn beeld. Daarom is dan ook over alle schepsel de zorgende voorzienigheid Gods en gaat geene van deze allen aan Hem voorbij. Hij gedenkt de grooten en de kleinen, de naar onze meening hoogen en lagen, en laat aan die allen openbaar worden de wondere goedertierenheid en de teederheid Zijner goddelijke liefde.
Dat wordt nu ook hier in Noach's uitgang getoond. Hij spreekt tot Noach, zegt hem, dat hij zal uitgaan uit de ark, Noach en zijne huisvrouw, zijne zonen en hunne huisvrouwen, zij zouden met hem uitgaan. De Heere openbaart daarmede aan Noach, hoe de , als hernieuwde aarde voor den mensch nieuwe vergezichten opent. Eene nieuwe levensroeping wacht hen allen, wordt door des Heeren Woord voor hen ontsloten. Maar daarbij blijft het nu niet. Wij zouden allicht kunnen meenen, dat met de 'opdracht aan de menschen ook als vanzelf de uitgang van de dieren samenhing en het niet noodig was nu nogmaals deze te herhalen met betrekking tot de dieren. Toch geschiedt het alzoo niet. De Heere voegt aan het bevel tot den uitgang der menschen nu ook nog toe : „Al het gedierte, dat met u is van alle vleesch, aan gevogelte en aan vee en aan al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt, doe met u uitgaan". De opsomming heeft duidelijk de strekking om ons er op te wijzen, hoe het er op aankwam, dat geen enkele der dieren, welker redding in Gods bedoeling lag, zou mogen ondergaan. De bijzondere voorzienigheid ging over elk hunner in het bijzonder, zoodat ook de in ons oog verachtelijkste nog een voorwerp blijkt Zijner zorgen. Hij waakte ook over die allen. En om ons dat te doen verstaan, worden zij ook elk afzonderlijk genoemd. Hun aller aard wordt als in éen woord saamgevat, als God hen vleesch noemt. Zoo kon Hij ook den mensch noemen en heeft Hij hem ook genoemd om onzen diepen val te teekenen, toen Hij zeide : „Mijn Geest zal niet in eeuwigheid twisten met den mensch, dewijl hij ook vleesch is". De mensch in zijne zonde wordt daardoor , als een verheerlijkt wezen gekenmerkt. Maar bovenal is dat woord van toepassing op de wereld der redelooze dieren, om hen allen te typeeren in hun natuurlijk bestaan, als wezens, die bewogen worden door de blinde aandriften, waardoor het animale leven wordt beheerscht. En onder dit woord worden dus alle dieren saamgevat, die nu worden opgesomd : „gevogelte, vee en kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt". Niet één groep wordt overgeslagen, over de kruipende dieren zelfs gaat het wakend oog des Heeren, zoodat Hij aan Noach bevelen geeft met betrekking ook tot dezen.
„Doe met u uitgaan", zegt God. Daarin ligt eene hernieuwing van des menschen roeping tegenover de dieren der aarde. Bij de schepping was aan den mensch vruchtbaarheid, vervulling der aarde als eene levenswet ingelegd, doch daaraan was nu ook zijne cultuurtaak toegevoegd in deze woorden : „onderwerpt haar en hebt heerschappij over de visschen der zee en over het gevogelte des hemels en over al het gedierte, dat op de aarde kruipt". Heerschappij zal de mensch daarover voeren, en voert hij daarover krachtens de gaven des geestes, die in Gods beeld zijn getoond. En nu wordt hier aan Noach bevolen, dat hij de dieren met hem zal doen uitgaan. Daardoor, wordt dus in de eerste plaats herhaald de den mensch toegéweezen heerschappij, maar wordt hem ook geleerd,  dat hij van deze heerschappij aan zijnen God zal rekenschap geven. Hij is een heerscher, maar niet een onbeperkte heerscher, doch in deze heerschersmacht Gode verantwoording schuldig. Daarom ontvangt Noach eene goddelijke aanwijzing, die hem opdraagt zijne heerschappij te volbrengen ten bate ook van de dieren, welker redding de Heere Zich heeft voorbehouden. Noach moet ze doen uitgaan, zoodat hij verantwoordelijk wordt gesteld voor hetgeen er verder met hen geschieden moet. Voor den ingang der dienen in de ark had de Heere zelve zorg gedragen. Hij had ze geleid op de wondere wijze Zijner goddelijke voorzienigheid, omdat de Heere wist, dat het buiten Noach's vermogen was geweest die allen te leiden in de ark op den dag, waarop de vloed een aanvang nam, al was hem ook opgedragen tot zich te nemen van de reine dieren zeven paren en één paar van de onreine en van het gevogelte des hemels. Doch als de ure daar is, dan komen zij tot Noach. Hij behoeft ze niet te drijven. De Heere betoonde Zich de Leidsman zelfs der beesten. Maar nu de dag der redding gekomen is, nu Noach verneemt, dat de Heere hem en de zijnen gered heeft, opdat de menschheid in hem en de zijnen eene nieuwe levensroeping zal volbrengen, nu krijgt hij een bijzonder bevel aangaande de dieren : „Doe ze met u uitgaan". Daar wordt hem dus geleerd, hoe de heerschappij des menschen over de dieren niet alleen in zich sluit, dat hij van de dieren mag genieten, maar dat hij ook voor de dieren heeft te zorgen, opdat ook zij de redding deelachtig worden zullen. Hij moet ze allen uitleiden uit de ark, waarin zij met de menschen behoudenis waren deelachtig geworden.
Zoo wordt het dus aan Noach verklaard, dat hij ook plichten heeft tegenover de dieren en wordt het dus voor de gemeente Gods in alle komende eeuwen geopenbaard, dat er ook van Gods wege tusschen mensch en dier eene zedelijke betrekking gelegd werd, waaraan de mensch zich niet onttrekken mag. Vooral in onze dagen mag aan dit goddelijk bevel wel worden herinnerd, nu de menschen in dezen tijd van crisis de heerschappij over de dieren als eene despotische macht beschouwen en toepassen op eene wijze, waarbij met den door God gelegden zedelijken band daarom niet meer wordt gerekend, omdat de moderne mensch een economisch leven zich verworven heeft, waarin zijn egoïsme en materialisme onbepaalde en onbeperkte heerschappij voeren, zoodat er van zedelijke ordinantie Gods niet meer wordt gerept. Het is een der vreeselijkste teekenen des tijds, dat zelfs in de regeering des lands met de zedelijke betrekkingen, die God gelegd heeft tusschen mensch en dier, niet meer wordt gerekend om economische doeleinden te verwezenlijken, die ook bij de natuurlijke afwikkeling van het leven zouden bereikt zijn langs een weg, door den Heere zelven gebaand. De moderne mensch in zijn egoïstisch streven, in zijn materialistische begeerten, heeft echter meer haast dan de Heere, onze God. Hij loopt verre vooruit op een weg van gewelddadige afslachting, zooals hij ook verre vooruit is geloopen op een weg van willekeurige vermeerdering van het aantal dieren, om al rijker winsten zich te verwerven, die verre uitgaan boven het voortbrengingsvermogen van het land zelf. Zoo willekeurig als die vermeerdering was, zoo willekeurig is ook de afslachting van honderdduizenden beesten, die God gegeven heeft, niet opdat wij naar willekeur er over zouden heerschen, maar opdat wij menschen de zedelijke roeping zouden betrachten, die Hij ook hier aan Noach oplegt.
Wat wij dan ook in onze dagen zien geschieden, leert ons zien den diepen val der Westersche menschheid, de verzondigdheid harer in egoïsme en materialisme gewortelde cultuur, waardoor volk en regeering beide geleid werden tot een materialisme, tot een jacht naar weelde, die in onze dagen herinnert aan het vreeselijk oordeel, dat de ziener op Patmos beluisterde uit den mond des engels, die hij zag afkomen van den hemel, die groote macht had en de aarde verlichtte met zijne heerlijkheid en riep met groote stem : „Zij is gevallen, zij is gevallen het groote Babylon!" En aan die andere stem, die hij hoorde uit den hemel: „Zooveel als zij zichzelve verheerlijkt heeft, zoo groote pijniging en rouw doet haar aan". En de kooplieden der aarde zullen weenen en rouw maken over haar, omdat niemand hunne waren meer koopt. En als dan die waren worden opgesomd, dan worden daaronder ook genoemd: wijn en olie en meelbloem en tarwe en lastbeesten en schapen en paarden, zoowel als de zielen der menschen. Zoo beschrijft ons Openb. 18 de geweldige ontwrichtdng der volken, die de vrucht is van den wijn des toorns van Babylon's hoererij, waarvan alle volken hebben gedronken en waarmede de koningen der aarde hebben gehoereerd, en „de kooplieden der aarde zijn rijk geworden uit de kracht harer weelde". Die beschrijving teekent het karakter onzes tijds op treffend juiste wijze. En in zulke dagen is er van eerbied voor Gods ordinantie bij overheid en volkeren nauwlijks sprake meer. Daarom gaat de moderne Westersche menschheid haren ondergang tegemoet. In hare weeldezucht keerde zij zich af van God den Heere en groeide hare vijandschap tegen Zijne ordinantlën, zoodat zich deze zelfs openbaarde in hare verhouding tegenover de wereld de dieren. De Heere toch droeg aan Noach eene heerschappij daarover op, die verantwoordelijkheid legde op zijne schouders, waaraan hij zich nimmer mocht onttrekken. Hij moest de dieren met zich doen uitgaan, opdat alzoo ook voor deze schepselen zich een nieuwe toekomst zou ontsluiten. Overvloediglijk zouden zij voorttelen, vruchtbaar zijn en vermenigvuldigen op de aarde, opdat alzoo voor de nieuwe menschheid, die geboren zou worden, de voorwaarden tot levensonderhoud mochten vervuld zijn.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 februari 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

VAN DEN WOORDE GODS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 februari 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

PDF Bekijken