Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

VAN DEN WOORDE GODS

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

VAN DEN WOORDE GODS

UIT HET ONGESCHREVEN WOORD

10 minuten leestijd

Genesis 8 : 15—17. Toen sprak God, tot Noach, zeggende : Ga uit de ark, gij en uwe huisvrouw en uwe zonen en de vrouwen uwer zonen met u. Al het gedierte, dat met u is, van alle vleesch, aan gevogelte en aan vee en aan al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt, doe met u uitgaan. En dat zij overvloediglijk voorttelen op de aarde en vruchtbaar zijn en vermenigvuldigen op de aarde.

5e Serie.
XVII.
Wij leven in dagen, waarin het zelfbesef, inzonderheid der Westersche menschheid, zeer hoog gestegen is. Had de Satan in het paradijs voorgespiegeld, dat hooren naar zijne stem als vruchtgevolg zou hebben : ,,Gij zult als God wezen", de moderne menschheid heeft deze sprake welbewust als de hare overgenomen. Zij werd zichzelve tot eene godheid. Zij beroemt zich op haar vermogen, op de wondere kracht van haar genie, waardoor zij de natuur zich onderwerpen kon en de grootsche scheppingen harer techniek tot stand bracht, waarvan de voorgeslachten niet hebben kunnen droomen. Zoo proclameerde de moderne menschheid hare onafhankelijkheid van hoogere macht en daarmede zichzelve tot haar god. En in alle oogenblikken van spanning, telkens wanneer groote crises dreigen los te barsten, dan hoort men de lofzangen op de cultuur, op hare hoogte, op het vele, dat zij vermocht en waardoor de mensch van heden in staat zou zijn alle dreigende gevaren te overwinnen. Het is nog evenals toen de groote wereldoorlog losbrandde. Nog hoort men op verschillende wijzen de herhaling van het lied : „Als onze machtige arm het wil, staat heel het raderwerk stil". En al leerde de ervaring, dat de mensch wel wikt, maar tenslotte toch God beschikt, toch blijft in zijn zondestaat de mensch zichzelven gelijk en is er ook na de hardste lessen van verandering geene sprake. Altijd opnieuw gaat de mensch op, naarstiglijk dienend in den tempel zijner zelfzucht en zelfvergoding.
Inderdaad, de cultureele kracht, die de moderne menschheid ontwikkelt, is groot en wonderbaar zijn hare werken. Dat mag niet ontkend worden, ook al blijft het diep te betreuren, dat zij met alle deze gaven, in den diepsten grond haar geschonken om den grooten Gever daarvan haar dankbaarheid te bewijzen, „afhoereert" van Hem, wien alleen heerlijkheid toekomt. De gave op zichzelve is goed, de wijze echter, waarop zij besteed wordt, verdorven door den vloek der zonde. Immers, de cultuur zelve, de geestelijke krachten, die haar voortbrengen en dragen, het is er al naar Gods bestel. Het werd gegrond in des menschen schepping naar Zijn beeld, werd der menschheid van den beginne ingelegd als een drijfkracht des levens, opdat des Heeren doeleinden zouden verwerkelijkt worden in de volle openbaring Zijner goddelijke heerlijkheid, in de uitstraling der glorie van Zijn eigen Wezen, waarvan de gansche schepping en met name de mensch als aller schepselen hoofd, doortinteld wezen zal.
Van den beginne heeft dan ook Gods Woord den mensch van zijne roeping tot cultuur doordrongen, want als hij geschapen is, man en vrouw, dan zegent God hen en zegt: „Weest vruchtbaar en vermenigvuldigt en vervult de aarde en onderwerpt haar en hebt heerschappij over de visschen der zee en over het gevogelte des hemels en over al het gedierte, dat op de aarde kruipt". Zoo teekent de Schepper aan den mensch terstond na zijne schepping reeds de roeping tot cultuur hem voor. Hij herinnert den mensch aan zijne heerschende macht, aan de koninklijke plaats, die hij te midden dezer wereld zal innemen. Hij maakt door Zijne openbarende daad den mensch er van bewust, dat eene levensroeping hem wenken zal en innerlijk klaart God hem op over het bewustzijn van krachten, die sluimeren in het beeld van God, dat hij draagt.
De aarde moet hij onderwerpen, de krachten der natuur dus aan zichzelven dienstbaar maken, als een koning heerschen over alle schepselen van lagere orde. En in die worsteling wortelt nu de cultuur. Doch in dien strijd ontwikkelen tevens de geestelijke krachten en vermogens, die hem ingelegd werden. Zooals het nu nog gaat met elk kind, dat het zijne vermogens door oefening ontwikkelt, dat al doende geleerd wordt, dat al arbeidend het verstand en de vaardigheid zich scherpen, zoo was het ook met de menschheid in haar geheel. God schenkt den mensch de vermogens als gaven des geestes en Hij geeft hem als levenstaak de onderwerping der aarde en heerschappij over die wereld der schepselen beneden hem.
Zoo zien wij dan ook, dat waar de mensch op deze aarde verschijnt, hij steeds die aandrift zijns levens gehoor geeft en altijd bezig is aan een cultureelen arbeid, die steeds, naarmate de geslachten elkander opvolgen en de ervaringen verrijken, niet slechts verfijnt, doch ook verdiept en verbreedt. God de Heere zelve heeft dien cultuur-drang aan de menschheid ingelegd, doch niet opdat de menschheid daarmede in zichzelven zou eindigen, maar opdat alzoo door den koning aller schepselen de kroon gelegd zou worden voor Zijn voet en van uit deze wereld de jubelzang zou opgaan, waarin het lied weerklinken zou: „Alles wat adem heeft, love den Heere !"
Dus zijne gaven en krachten, al wat den mensch als vermogen werd geschonken, het had zijn einddoel niet in het schepsel, maar in den Schepper, die immers alle dingen om Zich zelfs wil voortgebracht heeft. Ook in dien cultuurstrijd mag het alleen gaan om Gods Naam en zaak, om Zijne heerlijkheid, zoodat de mensch ook daardoor en daarin zich als een levend offerande der dankbaarheid Gode opofferen zal. Maar dit nu is juist de vloek der zonde, dat de mensch zich Gods souvereine majesteit toeeigent, zich afkeert van Hem, in Wiens hand onze adem is en bij Wien alle onze paden zijn, om 0ip te gaan in de zelfverheerlijking en vergoding van het schepsel. Daarom wordt dan ook, naarmate de eeuwen voortschrijden, de cultuurkracht zich ontplooit, de zondemacht des te vreeselijker en nemen hare openbaringen een des te duivelscher karakter aan.
Ook in de geschiedenis der eerste wereld is dit openbaar geworden. Nadat de mensch gebannen was uit het paradijs en het oordeel ontving, dat doornen en distelen het aardrijk zou voortbrengen en zijn cultuurarbeid zijn zou een noeste worsteling om te bestaan, zoodat hij in het zweet zijns aanschijns zijn brood zal eten, vangt ook met den opgang der cultuur de groei van het zaad der zonde aan. Wij lezen reeds van de koper-en ijzerwerken, van de muziekinstrumenten en van de weeldevolle cultuur, als de eerste wereld nog staat. Maar van diezelfde eerste wereld, als het menschdom vermenigvuldigd is, geldt ook het oordeel : „Mijn Geest zal niet in eeuwigheid twisten met den mensch, dewijl hij ook vleesch is"'. Het oordeel komt, want het berouwt den Heere, dat Hij den mensch heeft gemaakt en het smartte Hem aan Zijn hart. Maar den mensch, dien Hij gemaakt heeft, zal Hij verdelgen.
En Hij heeft hem verdelgd; , doch Noach alleen vond genade. En nu was het oogenblik daar, waarop die genadedaad hare volle bekroning zal verkrijgen. De ark had hem de redding geboden. En in de tweede maand, op den zeven en twinitigsten dag der maand, was de aarde opgedroogd en sprak Gód tot Noach, zeggende: Ga uit de ark, gij en uwe huisvrouw en uwe zonen en de vrouwen uwer zonen met u. En al het gedierte, dat met u is, van alle vleesch, aan gevogelte en aan vee en aan al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt, doe met u uitgaan". Zoo legt de Heere in Noach's ziel een verbond met alle dieren, welker leven met het zijne was gespaard. Aan Noach legt Hij de roeping op voor hunne uitleiding zorg te dragen. Doch tevens wordt daarmede voor zijne oogen eene nieuwe toekomst geopend. De aarde wordt andermaal, voor al wat gered is, opengesteld. De Heere Iaat hem met de aanschouwing van de gedroogde en hernieuwde velden tevens zien, hoe daarmede zijne levensroeping, eenmaal bij des menschen schepping voorgesteld, nu andermaal wordt voorgelegd. Met eene herinnering aan Genesis 1 : 22 en 28 wordt Noach gesteld voor de eens voor het eerst en nu andermaal herhaalde levenstaak. Eerst had God gezegd van diezelfde schepselen : „Zijt vruchtbaar en vermenigvuldigt de aarde", en nu zij warden uitgeleid uit de ark, klinkt het andermaal: at zij „overvloediglijk voorttelen op de aarde en vruchtbaar zijn en vermenigvuldigen op de aarde".
Zoo wordt dus bij hernieuwing aan Noach, aan zijne geslachten, de cultuurtaak opgelegd. Een nieuwe toekomst wordt voor zijn voet ontsloten, nieuwe levensidealen worden gewekt, nieuwe hope aangewakkerd. God zelve ontplooit ze voor zijne oogen en wijst hem de levensdoeleinden aan.
Het wordt niet alles precies zoo herhaald als het in den aanvang den mensch was voorgehouden, maar toch in enkele trekken wordt het grootsche levenswerk der menschheid afgemaaid. Vruchtbaar zijn en vermenigvuldigen, want die vermeerdering sloot noodzakelijk in zich een uitbreiding van het cultureele streven. Aan Noach wordt aldus van Gods' wege de levensopdracht herhaald. En andermaal zouden de eeuwen zich ontrollen aan de spil van het aardsch bestaan en de nu uit meerderen ontsproten menschheid hare zegetocht aanvangen over de aarde. En ook die zegetocht, die wel de onderwerping zou brengen van de krachten der natuur en haar dienstbaarmaking aan den mensch, zou toch, als in de eerste wereld, onder de verderving barende inspiratie der zonde zich ontpoppen als een hernieuwd drama, waarin het zaad der slang en dat der vrouw zouden worstelen om de victorie. Ook in die nu geredde menschheid, geboren als zij was uit den eersten Adam, zet zich de worsteling door, zal de menschheid eenerzyds met Satan samenspannen tot de ontwrichting der souvereiniteit onzes Gods, maar zal ook in haar de Zone Gods, geboren uit het zaad der vrouw. Zich de gemeente vergaderen ten eeuwigen leven. Ook Hij zal Zijne goddelijke onwederstandelijke kracht openbaren in de wederbaring eener nieuwe menschheid. En ook deze zal in het proces der cultuur, dat de menschheid moet doorloopen. Zijne krachten ontplooien in een strijd, die eindigt met Zijne victorie.
Van Noach gaat andermaal een nieuwe stoot uit in de historische ontwikkeling, waarin het werk der verkiezing Gods de gouden draad des levens zal trekken door de geslachten. De Kerk Gods zal de Heere bouwen in Noach's geslachten. En daarover gaat nu in Gods Woord het licht op, zoodat ook de cultureele ontplooiing ons wordt geteekend in het licht van de overwinning, die de Heere zelve van den beginne heeft gewaarborgd. Ten laatste toch heeft de hernieuwde roeping aan Noach bij zijn uitgang uit de ark der behoudenis haar einde bereikt in de profetie van den ziener op Patmos, die den nieuwen hemel en de nieuwe aarde aanschouwde en het nieuw Jeruzalem. En van haar zeide hij : „De volken, die zalig worden, zullen in haar licht wandelen en de koningen der aarde brengen hunne heerlijkheid en eer in dezelve". Zoo is de uitgang uit de ark, de roeping door God aan Noach getoond, gesteld in het licht van den ingang van de stad Gods, verschijnt de cultuur in een eindbestemming, haar van God naar Zijne eeuwige, scheppende gedachte toegekend in haar Godverheerlijkend doel. Want zij zullen de heerlijkheid en de eer der volken, waarin de moderne menschheid opgaat, toch ten laatste moeten leggen voor de voeten Desgenen, die zit op den troon en Wiens devies de eeuwen door en ook in deze donkere, goddelooze tijden nog luidt: „Hij zal Zijne eere aan geen ander geven, want Ik ben de Heere, dat is mijn Naam".

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 maart 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

VAN DEN WOORDE GODS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 maart 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

PDF Bekijken