Bekijk het origineel

VAN DEN WOORDE GODS

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

VAN DEN WOORDE GODS

UIT HET ONGESCHREVEN WOORD

10 minuten leestijd

Genesis 8 : 21. En de Heere rook dien lieflijken reuk en de Heere zeide in Zijn hart: ik zal voortaan den aardbodem niet meer vervloeken om des menschen wil, want het gedichtsel van des menschen hart is boos van zijne jeugd aan. En Ik zal voortaan niet meer al het levende slaan, gelijk als Ik gedaan heb.

XXI.
Het woord, dat de Heere spreekt tot menschen, spreekt Hij in menschelijke taal. Hij openbaart Zich in zulke vormen, dat Hij door den mensch kan worden verstaan. Dat is in den diepsten grond eene verborgenheid, die eigenlijk hare volle ontplooiing verkrijgt in de vleeschwording des Woords, waarvan de apostel immers gezegd heeft: „de verborgenheid der godzaligheid is groot. God geopenbaard in het vleesch". In den Heere Jezus Christus spreekt God Zijn Woord, zoodat de Heere Jezus zeggen kan : „Wie Mij gezien heeft, die heeft den Vader gezien". En de Heere Jezus was ons in alles gelijk, uitgenomen de zonde. Zoo diep buigt de Heere, die in het verhevene woont en wiens Naam heilig is, zich neer. Dit is Zijn wonder ontfermen, de heerlijkheid Zijner goddelijke liefde, die ondoorgrondelijk is. Doch op zichzelf beschouwd, blijft het ondoorgrondelijk voor ons menschelijk verstand. En wat nu van die menschwording van den Zone Gods geldt, dat geldt eveneens van de openbarende daad, van het Woord, dat de Heere spreekt. Ook daarin buigt Hij Zich neder tot den mensch in zijne gevallenheid en spreekt in menschelijke vormen. Hij buigt Zich ook daarin neder tot ons, opdat wij niet eenzaam in onze zonde zullen omkomen, maar zullen komen tot het leven door het zaad van Zijn Woord. Indien de Heere niet alzoo deed, wij zouden van Hem niets weten, noch weten kunnen, omdat Zijn getuigenis dan aan ons voorbij zou gaan. En zoo komt het dan ook in de Schrift niet alleen hier, maar op iedere bladzijde voor, dat de Heere spreekt in menschelijke vormen.
Alzoo wordt Hij ook hier in zijn eigen Woord ons voorgesteld, wanneer de uitgeredde Noach de nieuwe, au drooggeworden aarde betreedt en de dankbaarheid, die zijne ziel ontroerde, uitsprak in de daad van het offer. De Heere zelve had hem de offergaven 'bereid, want de zeven paren reine dieren waren op Gods bevel ingebracht in de ark, opdat deze in ruimere mate behoudenis zouden deelachtig worden en Noach hebben zou hetgeen tot het offer noodig was. Het waren dus niet de gaven, die de vrucht waren van Noach's zorg en ijver, maar de Heere Zelve had deze bereid, opdat zijn knecht Noach zijne, door den Heere zelven bewaarde gaven, offeren zou. Zoo was er dus op dat dankaltaar gelegd hetgeen de Heere voor Zichzelven verkoren had. De gave was Hem geheiligd krachtens de uitverkiezende daad des Heeren. Zoo offerde Noach naar het woord des apostels : „uit Hem, door Hem en tot Hem zijn alle dingen". Welk een diep ontroerende stroom van waarachtige dankbaarheid ging door de ziel van dezen offeraar, die in den waren zin een priester des Allerhoogsten was, die voor de gansche aarde nu, na hare droogwording, het God verheerlijkend offer bracht, dat gansch verteerd werd. Nadat het oordeel over de eerste wereld was voltrokken en de vloek des Heeren uitgewoed had, was het eerste, dat de Heere van deze vernieuwde aarde ontving, het offer der dankzegging. Hem gebracht uit zijn eigene gaven door den man, die uit zichzelven en van zichzelven ook niets had te brengen, maar alleen daardoor onderscheiden was, dat hij alleen onder die duizenden der oude wereld genade gevonden had in de oogen des Heeren. Daarom was Noach rechtvaardig, was hij oprecht in zijne geslachten en wandelde hij met God. De Heere verheerlijkt Zichzelven in de redding des zondaars. En zoo ontvangt Hij dan ook de lof en de dankzegging. En daarbij sluit nu ook aan, dat zulk een offer den Heere aangenaam is.
Het was dan die innerlijke gezindheid, die zin voor Gods genadedaad, die in het ware offer den toon aangeeft. Zooals de psalmist, nadat hij ook uit ellende en smart gered was, uitbrak in een lof : „Ik zal Gods Naam prijzen met gezang en Hem met dankzegging groot maken". En daarvan nu geldt: „En het zal den Heere aangenamer zijn dan een os of gehoornde var, die de 'klauwen verdeelt". Zoo heeft Noach achter zijn altaar gestaan. Zoo stonden alle heiligen van het begin der wereld met hun offergaven, die zij zelven eerst uit Gods hand hadden ontvangen. Inderdaad, de behoefte aan het offer was er dan ook van den beginne. Het is dan ook niet alleen, zooals Prof. Böhl het zegt, op blz. 83 van Tekst en Uitleg, I, dat het offer is, volgens de bedoeling van onzen auteur, zoo oud als de menschheid zelve", maar inderdaad is er van eene menschheid zonder een offer nergens sprake. Waar de mensch verschijnt, verschijnt hij met zijn altaar en zijn offer, al hebben zij de heerlijkheid des onverderflijken Gods veranderd in de gelijkenis van een verderflijk mensch en van gevogelte en van viervoetige en kruipende gedierten. Zij waren van den beginne na den val zoekende en tastende, of zij den Heere mochten vinden. Die behoefte bracht het offer met zich mede. En dus, het was er inderdaad van den beginne. En het was er m Gods uitverkoren volk van den beginne, zooals het hier in Noach verschijnt als gebracht uit het diepe besef van de genadegaven Gods, die zij van den Heere hadden ontvangen, om den Heere weder te brengen. En zulk eene offergave was den Heere aangenaam. Daarom staat er nu dan ook geschreven:
„En de Heere rook dien liefelijken reuk".
Zie hier, op welk een treffende wijze de Heilige Geest ons nu leert, hoe de Heere dit offer der waarachtige dankbaarheid ontvangt. Het wordt ons voorgesteld alsof de Heere, gelijk een mensch, aangename geuren ruikt, ook een welbehagen heeft in dit offer. Van dit brandoffer gingen uit den aard der zaak wolken van rook op, die tevens geuren in zich droegen, die den mensch behagen kunnen. Wij weten bij ervaring allen, hoe wij worden aangedaan, wanneer wij ons hongerig voelen, door de fijne geuren, die van het braadvleesch onze reukorganen aandoen. Dan kan er soms een diep gevoel van begeerte in ons opwaken om onzen honger te stillen. En dan is die geur aangenaam voor ons gevoel en wordt op deze wijze een welbehagen gewekt in de spijze, die wij nog niet zien, maar als van verre ruiken. En onze verbeelding treedt daarbij nog bovendien in actie, zoodat wij de tafel als toebereid zien. Zulk een natuurlijk menschelijk doorleven wordt nu door den Heiligen Geest als een beeld gebezigd om ons te doen verstaan wat Noach's offerande was in de oogen des Heeren: „de Heere rook dien liefelijken reuk". Zoo wordt ons Gods welbehagen geteekend, de vreugde, waarmede het werd ontvangen. En zoo leeren wij hier tevens, hoe de Heilige Geest, hetgeen wij zielkundig doorleven, aangrijpt om het ons te verkondigen, dat dit offer van Noach, waarmede hij om zoo te zeggen, Gods oordeel besloot en de nieuwe toekomst der aarde ontsloot, Godewelbehagelijk was. En dat niet om het bloed van het dier, niet omdat de reuk van het offer opsteeg, maar omdat in dat offer Noach's eigen zieleleven aangezien werd. Het gold ook toen van den Heere: „Gij hebt geen lust gehad aan slachtoffer en spijsoffer; Gij hebt mij de ooren doorboord, brandoffer en zondoffer hebt Gij niet geëischt". Dus !het was niet het vleesch zelf, niet de gave zelve, want die waren ten laatste van den Heere zelven, zooals het vee op duizend bergen is. Ja, het goud en het zilver zijn Zijns. Niets van dit alles had op zichzelf beteekenis en waarde voor God. Waarde had alléén, dat hier een kind Gods de waarachtige dankbaarheid 'brengt, waarin de Heere een welgevallen heeft. Er is blijdschap in den hemel over één zondaar, die zich bekeert, en zoo is er ook blijdschap als één zondaar opkomt met de dankbaarheid des harten en roept: „Wat zal ik, met Gods gunsten overlaan, dien trouwen God voor Zijn gena vergelden ? " En daarom was er nu die liefelijke ontvangst van Noach's brandoffer bij den Heere, zoodat „Hij rook dien liefelijken reuk", omdat ook hier in den diepsten grond dat offer zag op Hem, die in de stilte der eeuwigheid, in den eeuwigen raad des vredes heeft gesproken : „Zie, Ik kom". In de dagen van Noach, al was er nog geen rol van het geschreven Woord van God onder de menschen, was er toch wel dat eeuwig besluit der genade van God. Ook toen was Hij er, die lust had om Gods welbehagen te doen, die de gerechtigheid boodschappen zou in de groote gemeente. En alle offeranden en ceremoniën der Wet, zij hadden allen bij Israël en de volken de strekking om het geloofsoog te richten op Hem, die de vervulling zou zijn van de diepste zielsbegeerten. Daarom was het bekend ook aan Noach, dat de offerdieren op zichzelf niet bij machte waren met hun bloedstorting te reinigen van de zonde. De grondtoon in Noach's offerlied was de jubelstem der vele engelen rondom den troon, der ouderlingen en der dieren, die zeiden met eene groote stem : „Het Lam, dat geslacht is, is waardig te ontvangen de kracht en den rijkdom en wijsheid en sterkte en eer en heerlijkheid en dankzegging". Dat lied ruischte door het gevoel zijner dankbaarheid, was het wezenlijk beginsel zijns levens. De conscientie zelfs leerde, dat de gaven en slachtofferen, die geofferd werden, niet konden heiligen hem, die den dienst pleegde. Zoo heeft ook Noach daar gestaan met een slachtoffer, dat de Heere zelve voor hem bewaard en behouden had, , opdat zijn kind wat te offeren hebben zou. Op zichzelf was het niets dan, zooals de Hebreën-brief leert, „rechtvaardigmaking des vleesches, opgelegd tot den tijd der verbetering". Maar het waren schaduwen, en zooals elke schaduw een wezenlijk beeld achter zich heeft, dat de schaduw verwekt, zoo heeft ook dit brandoffer van Noach, evenals alle offers der Wet, achter zich het eeuwig onvergankelijk beeld van Hem, die het eeuwig Woord is, dat vleesch geworden is, van Christus, den Hoogepriester der toekomende goederen, die niet door het bloed van stieren en bokken, maar door Zijn eigen bloed inging, om eene eeuwige verlossing teweeg te brengen. Naar dit slachtoffer ging Noach's ziel uit, terwijl hij daar stond achter het altaar. En daarom ging er ©en liefelijke reuk den Heere op en werd aan Noach ook bevestigd, dat zijn offerande der dankzegging den Heere aangenaam was.
Het rechte offer der dankbaarheid gaat daarmede gepaard. Het is om zoo te zeggen eene sacramenteele daad, waarin de Heere door zijnen Heiligen Geest in het hart van hem, die het offer brengt, zijnen Heiligen Geest uitstort, die de verzegelende daad voltrekt, waardoor de zondaar zich mag baden in de diepe stroomen der eeuwige liefde Gods en daarin zich badend, zichzelven Hem tot een levend offerande der dankbaarheid opofferen. Zoo stond dus Noach, de eenige geredde, te midden eener vernieuwde aarde voor eene nieuwe toekomstige historische ontwikkeling der menschheid met een offer der dankzegging. Die gansche aarde, alle komende geslachten, werden, alzoo geheiligd den Heere. Op hen rustte een hooge en heilige roeping, die in den Heere Jezus Christus hooge, heerlijke werkelijkheid is geworden. Naar Hem ging hunne hope uit, op Hem was het oog des geloofs gevestigd en 172 alzoo was Noach een erfgenaam der rechtvaardigheid, die naar het geloof is. Zijne prediking is eertijds uitgegaan tot de geesten, die in de gevangenis zijn. En diezelfde prediking gaat uit van hem tot aan het einde der eeuwen. Hij roept op tot verwachting der stad, die fundamenten heeft, welker kunstenaar en bouwmeester God is. En zijne offerande was den Heere eene liefelijke reuk, opdat wij, ais hij, zullen komen tot Hem, die met Zijne ééne offerande tot in eeuwigheid volmaakt heeft al degenen, die geheiligd worden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 april 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

VAN DEN WOORDE GODS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 april 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

PDF Bekijken