Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

VAN DEN WOORDE GODS

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

VAN DEN WOORDE GODS

UIT HET ONGESCHREVEN WOORD

11 minuten leestijd

Genesis 8 : 21. En de Heere rook dien liefelijiken reuk en de Heere zeide in zijn hart: 'k zal voortaan den aardbodem niet meer vervloeken om des menschen wil, want het gedichtsel van 's menschen hart is boos van zijne jeugd aan. En Ik zal voortaan niet meer al het levende slaan gelijk als Ik gedaan heb.

5e Serie.
XXIV.
Indien er iets uit de geschiedenis der oude wereld, zooals zij ons in de eerste hoofdstukken des Bijbels meegedeeld wordt, blijkt, dan zeker wel de algemeene en volstrekte zondestaat des menschen. En de historie-beschrijving, zooals zij in deze oude verhalen zich voor ons stelt, onderscheidt zich niet alleen van alle andere verhalen, die er in de gebieden van Tigris en Euphraat gangbaar waren, door hare nuchterheid en reinheid van allen polytheïstischen zuurdeesem, maar ook daardoor, dat de zedelijke toestand der wereld van dien aard was, dat zij in Gods oordeel moest vallen, omdat zij niet meer geschikt kon worden geacht drager te zijn van de kiemen, waaruit de toekomstige menschheid kon opkomen in zulk een toestand, dat zij Gods genadeplan en heilswerk dienen kon. Zij was er niet meer geschikt voor en dus werd Gods recht aan haar voltrokken. Maar te midden van de uitvoering van dit vreeselijke vonnis blijkt nu ook tevens de goddelijke genade, werkzaam in de redding van den uitverkoren Noach, die toch in het Schriftverhaal een gewoon mensch is en blijft en niet, zooals dit in Babylonische verhalen het geval is, eindigt met onder de goden te worden opgenomen. Steeds houdt het verhaal in den Bijbel den zondestaat der menschheid voor oogen en is deze de diepe grond van Gods oordeel. En daarbij komt nu ook nog deze bijzonderheid, dat God toezegt niet ten tweeden male door een zondvloed de menschheid te zullen straffen. Daaruit wordt het ongetwijfeld duidelijk, dat de inkleeding van het Bijbelsch zondvloed-verhaal geen achtergrond heeft, die ontleend kan zijn aan het natuurgeschieden, zooals dit in de vlakte van Mesopotamië jaarlijks plaats grijpt. Niet de overstrooming, door de rivieren veroorzaakt, bood een uitgangspunt voor het verhaal, want dan zou men er eene herhaling van in het uitzicht zien gesteld. Jaar op jaar toch, als de sneeuw op de bergen smolt, herhaalde zich voor de oogen der bewoners van Mesopotamië hetzelfde beeld van het ondergeloopen land., Van een wereldperiode, die door andere wereldperioden gevolgd wordt, is hier geen sprake. Met nadruk wordt het éénmalig gebeuren in het licht gesteld. En dit valt te meer op, omdat bij eigenlijk alle natuurvolken van den ouden en nieuwen tijd, voorzoover zij dan nog bestaan of hunne religieuse voorstellingen uit de laatste eeuwen bekend zijn, de idee leeft van een eeuwigen kringloop der wereld. In de voorstellingen aangaande zielsverhuizing, aan reïncarnatie, zooals die heden ten dage in Oostersche godsdiensten verschijnt en in het ontkerstende Europa weder geïmporteerd wordt, in het geloof in den eeuwigen kringloop aller zie­len overheerschend. En zoo zouden we dus mogen verwachten, dat andermaal een nieuwe strafoefening in het uitzicht werd gesteld, wanneer de zonde der wereld wederom eene groote afmeting aangenomen zou hebben. En geheel in tegenstelling daarmede wordt hier nu beloofd : „Ik zal voortaan den aardbodem niet meer vervloeken om des menschen wil". En als grond daarvoor wordt nu aangegeven dezelfde volstrekte zondestaat, die eenmaal de aanleiding werd tot het vreeselijk oordeel door den vloed. Toen zag de Heere, dat de boosheid des menschen menigvuldig was op de aarde en al het gedichtsel zijns harten te allen dage alleenlijk boos was. Daarom berouwde het den Heere, dat Hij den mensch gemaakt had, „smartte het Hem aan zijn hart" en spreekt de Heere het vonnis uit: „Ik zal den mensch, dien Ik geschapen heb, verdelgen van den aardbodem, van den mensch tot het vee". En in volstrekte tegenstelling daarmede zegt God hier tot Noach, dat Hij den aardbodem niet meer voortaan zal vervloeken, want het gedichtsel van 's menschen hart is boos van zijne jeugd aan. Dezelfde zondestaat, die in den beginne tot het oordeel van den vloed leidt, wordt nu een grond, dat van eene herhaling geene sprake zal zijn. (En ook van al wat met den mensch leeft op de aarde en door den vloed was ondergegaan, geldt eveneens : „Ik zal het voortaan niet meer slaan, gelijk als Ik gedaan heb". Dit is ongetwijfeld een in het oog loopend verschil met alle bij andere volken in omloop zijnde zondvloed-verhalen, die of daarvan niet spreken, of eene herhaling doen veronderstellen. Hier wordt met nadruk op den voorgrond gesteld, dat na dezen zondvloed geen tweede is te wachten. Den aardbodem zal God niet meer vervloeken om des menschen wil. Dat beteekent niet, dat de Heere terugneemt hetgeen Hij eenmaal in het paradijs had gezegd, toen Hij vanwege de overtreding van het proefgebod den mensch had aangekondigd : „Zoo zij het aardrijk om uwentwil vervloekt". Die vloek rust tot op den huldigen dag op den aardbodem, zooals de gevallen zondaar met smart eet daarvan al de dagen zijns levens. De paradijs-vloek strekt zich uit over de aarde in betrekking tot den mensch en zijnen arbeid, tot den mensch in zijnen levensgang. De eerste wereld heeft dien vloek diep gevoeld, zoodat zelfs toen Noach geboren werd, zijn vader zeide : „Deze zal ons troosten over ons werk en over de smart onzer handen, vanwege het aardrijk, dat de Heere vervloekt heeft". Door dien vloek over het aardrijk wordt tot uitdrukking gebracht hetgeen ook Mozes zeide van de dagen onzer levensjaren: „het meeste van die is moeite en verdriet". En die vloek is en wordt niet opgeheven, want hij begeleidt de menschheid in gansch hare geschiedenis. Hier doelt de Schrift op eene herhaling van den geweldigen ommekeer, dien Noach voor zijne oogen had zien voltrekken. Niet andermaal zal de Heere een vloed zenden, niet andermaal het levende dooden, zooals Hij gedaan had.
Daarbij sluit nu de beschouwing van het Nieuwe Testament aan. In 2 Petr. 3 : 5—-7, wordt allereerst de scheppende daad Gods in herinnering gebracht, waarvoor de vijanden des Evan­gelies, de spotters, geen oog hébben. Zij zitten vastgekleefd aan hunne philosophische beschouwingen en begrijpen niets van Gods Woord, dus ook niet van Zijne beloften. En daarom, als in de gemeente gesproken werd' over des Heeren toekomst, dan geloofden zij daarvan niets, want zij zagen deze niet komen, merkten niet, dat deze dag reeds was opgaande van den beginne. Dus zeiden zij, dat alle dingen immers bleven, zooals zij waren. En willens was hun dit onbekend, dat door het Woord des Heeren de hemelen van overlang geweest zijn. De aarde was uit het water en in het water bestaande. En die wereldzee, waaruit het droge oprijst, was de bron geweest, waaruit de zondvloed was opgekomen en de toenmalige wereld verg: an. Doch dan opent ook de tweede Petrus-brief een uitzicht in de toekomst, dat geheel overeenstemt met en aanpast bij hetgeen hier in Genesis wordt geopenbaard, want er wordt gezegd : „Maar de hemelen, die nu zijn en de aarde, zijn door hetzelfde Woord als een schat weggelegd en worden ten vure bewaard tegen den dag des oordeels en der verderving der goddelooze menschen". Daar wordt dus ook gezegd, dat niet andermaal een vloed zal opkomen, maar omgekeerd, het komende oordeel zal worden voltrokken door vuur. De beschouwing van den zondvloed, zooals Petrus die hier voordraagt, toont duidelijk, dat de vloed een wereld-catastrophe is geweest. Hij spreekt dan ook van „hemelen, die nu zijn", in tegenstelling dus met hemelen, die voorheen waren, en hij stelt in het uitzicht, dat niet andermaal het water als een tuchtroede Gods zal worden gebezigd. De hemelen zullen met gedruisch voorbijgaan en de elementen zullen branden en vergaan en de aarde en de werken, die daarin zijn, zullen verbranden. En evenzoo heeft de Heere Jezus In zijne redenen over het einde aller dingen gesproken in termen, die wijzen op eene wereldcatastrophe, waarin met de aarde ook de hemelen zijn betrokken. „De zon", zoo profeteerde Hij, „zal verduisterd worden en de maan zal haar schijnsel niet geven en de sterren zullen van den hemel vallen en de krachten der hemelen zullen bewogen worden en zoo zullen de hemel en de aarde voorbijgaan. En zoo ook heeft Petrus op den Pinksterdag gesproken van den dag des Heeren en ook gewezen op wonderen, die God geven zal in den hemel boven, en op teekenen op de aarde beneden. Wijzen die teekenen op de aarde op de oorlogen en hunne verwoestingen, die daaraan voorafgaan, de teekenen in den hemel somt hij ook op door te spreken van de zon, die veranderd zal worden in duisternis, van de maan, die veranderd zal worden in bloed. Zoo gaat er dus door de Nieuw Testamentische profetie steeds de voorstelling van diep ingrijpende kosmische wijzigingen, van geweldige natuurverschijnselen, die met het einde dezer bedeeling zullen gepaard gaan. Maar van een hernieuwden zondvloed is geene sprake. En ook van eene vervloeking der aarde op zichzelve is hierbij ook geen spoor te ontdekken. Hoewel in dat einde het oordeel gaat over de menschheid, het vonnis wordt voltrokken over de goddeloosheid en de ongerechtigheid en de ondergang dezer wereld ook daarbij als een rechtsvoltrekking over de wereld wordt beschouwd, is er van een vervloeking der aarde niet meer sprake en van een vloed in het geheel niet. Uit dit oogpunt is er in de Heilige Schriftuur, evenals in alle groote geestelijke aspecten, een treffende overeenstemming. In het Oude Testament wordt eveneens, geheel üi overeenstemming met hetgeen hier gezegd wordt, dat de aardbodem niet meer vervloekt zal worden en God het levende niet meer slaan zal, door Jesaja geprofeteerd, dat de wateren van Noach niet meer over de aarde zullen gaan. Die eenmaal uitgesproken en daarna in den zondvloed voltrokken vloek, zal niet worden herhaald. Daarin is de sprake Gods duidelijk en klaar en in de gansche Schrift, hoewel hare wording zich over eeuwen uitstrekt en zij onder de meest verschillende omstandigheden geboren werd, is er in verband met de toekomst dezer aarde, eene volkomene overeenstemming, dat niet andermaal op dezelfde wijze de tuchtroede zal gelegd worden over de menschheid.
En dit zal zoo geschieden, niet omdat de menschheid eene andere is en eene betere dan die der oude wereld. Uit dat oogpunt gezien, is er geen onderscheid. Van de oude wereld heeft het gegolden, dat het gedichtsel van 's menschen hart alleenlijk boos was. Ook van de wereld na den vloed geldt: „het gedichtsel van 's menschen hart is boos van zijne jeugd aan". Er is dus in den mensch geene verandering ingetreden na den vloed. Het oordeel, hoe geweldig en vreeselijk ook, heeft den zedelijken toestand op aarde niet veranderd. Het verzondigd bestaan werd niet weggenomen, van eene bekeering tot God was niets te bespeuren. Doch hoewel dit zoo is. hoewel God aan deze wereld dus geen onrecht zou aandoen als Hij nogmaals een zondvloed over haar bracht, toch zal dit niet geschieden. Het zal niet geschieden, ofschoon Gods heiligheid en gerechtigheid dezelfde zijn als in de dagen van Noach. Het goddelijk recht is niet veranderd en ook de zondestaat der wereld is niet veranderd. En toch zal de aardbodem niet meer vervloekt worden om des menschen wil en zal al het levende niet meer worden geslagen. Hoewel dus deze wereld na den zondvloed even schuldig is als die van voorheen, misschien zelfs in menig opzicht nog schuldiger, toch zal geen zondvloed meer verdelgen hetgeen op de aarde is.
Daaruit wordt nu duidelijk, dat hoewel de voorwaarden voor dezelfde tuchtoefening er zijn, het in den Raad des Heeren ligt, dat andere wegen worden gevolgd dan wij zouden verwachten. De Schrift profeteert hier de ontwikkeling van het natuurkundig proces, dat de aarde zal doorloopen, laat ons dat ook zien in verband met den zedelijken toestand der menschheid, maar verklaart nu tevens, dat het natuurgeschieden na den zondvloed geheel anders zal zijn dan vóór den vloed. Zoo legt zij een verband met den raadslag der genade in den Heere Jezus Christus en zal de aarde na den vloed de voorwaarden in zich dragen voor de verwerkelijking van het Koninkrijk Gods, dat in en met den Heere Jezus Christus verschijnen zal.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 april 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

VAN DEN WOORDE GODS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 april 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

PDF Bekijken