Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

VRAGENBUS

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

VRAGENBUS

5 minuten leestijd

Vraag: Is het waar, dat Paulus weinig of niets om den doop gaf, zoodat hij er God voor dankt, dat hij er gelukkig maar weinigen in de gemeente gedoopt heeft? (1 Cor. 1 : 14).
Antwoord: Wij hebben deze redeneering en opvatting en gevolgtrekking eigenlijk nog nooit gehoord. Zelf hebben we daarover ook nooit gedacht in bovenbedoelden zin: alsof Paulus weinig of niets om den Doop zou geven en : alsof Paulus God gedankt heeft, dat hij er gelukkig maar enkelen in de gemeente van Corinthe gedoopt had.
Er is van deze beschouwing en opvatting gelukkig niets wat waar en echt is. 't Is er glad naast. Lees het 15de vers maar !! Wat ieder toch ook, bij eenig nadenken, wel begrijpen kan. Paulus zag juist zoovéél in den doop. Met al zijn eigengerechtigheid was hij voor God weggezonken en hij had Christus leeren kennen tot verzoening van de zonden en vernieuwing zijns levens en dat noemde hij — lees Rom. 6 maar eens !) „in Christus Jezus gedoopt zijn".
„Wij zijn dan met Hem begraven door den doop in den dood, opdat gelijkerwijs Christus uit de dooden opgewekt is tot de heerlijkheid des Vaders, alzóó ook wij in
nieuwigheid des levens wandelen zouden".
Paulus kende de beteekenis van den doop in z'n rijkdom en heerlijkheld : de oude mensch begraven, de nieuwe mensch opgestaan ! „Maar nu van de zonde vrijgemaakt zijnde, en Gode dienstbaar gemaakt zijnde, hebt gij uwe vrucht tot heiligmaking en het einde het eeuwige leven". Rom. 6 : 22.
Hoe blij zou Paulus dus geweest zijn, indien hij er velen in de gemeente van Corinthe had mogen doopen, die met droefheid over de zonden in Christus hun troost en heil hadden mogen vinden, om als nieuw geboren kinderen des lichts Gode te leven tot verheerlijking met vrede en vreugd !
Maar en nu komt het treurige van de gemeente van Corinthe aan het licht — Paulus bedroeft zich er over, dat men in Corinthe helaas ! als 't hoogste doel van het leven van den christen schijnt te beschouwen om „partijman" te zijn en dan te kunnen zeggen : „ik ben van Petrus" (met verachting van de Paulusmenschen) ; terwijl anderen zeiden : „wij zijn van Apollos" (met verachting van de Paulusmenschen) ; terwijl nog weer anderen met een anderen partijnaam kwamen aandragen, waarbij zelfs de naam van Christus als partijnaam werd misbruikt.
Dat waren nu de doopelingen der gemeente ! Hier een groepje, daar een kringetje, daar een gezelschapje, daar een kerkje — waarbij Paulus het groot leed zijner ziele uitklaagt en met droefheid vervuld zegt: ik dank er God voor, dat ik hier maar weinigen gedoopt heb en alzoo niet heb behoeven mee te werken aan de uitbreiding van die jammerlijke clubjesgeest in de gemeente.
Het zou hem diep leed gedaan hebben, als er velen door hem gedoopt waren, die dan zouden gaan zeggen : „wij zijn de Paulus-partij en wij zijn de besten van de besten !" (lees vers 15 maar!!)
Als men dus 1 Cor. 1 : 14 maar in het verband leest dan bemerkt men dadelijk, dat het heusch niet waar is dat Paulus weinig of niets om den doop geeft en God er voor dankt, dat er gelukklg maar weinigen in Corinthe zijn, die door hem gedoopt zijn.
De treurige toestand in de gemeente speelt hier een rol! (vers 15 !!)
En Paulus dankt er God voor, dat Hij het zóó heeft willen leiden en besturen, dat men in Corinthe nu gelukkig niet nog méér misbruik van zijn naam kon maken!
Vers 15 zegt het zoo nadrukkelijk : „opdat niet iemand zegge, dat ik in mijnen naam gedoopt heb".
Men verkankerde alles door laster.
Men bedierf alles door het roemen in den mensch zelfgenoegzaam.
Kunnen we het ook in ónze dagen niet begrijpen en verstaan, dat er zijn die ten opzichte van onderscheidene dingen, die op zichzelf goed zijn, gaan zeggen : „ik doe er niet meer aan". Of wellicht ook: „ik heb me er gelukkig nooit mee bemoeid."
Wat z'n oorzaak vindt in al het lasteren en liegen ; z'n oorzaak vindt in die ellendige partijmanieren en dien ongelukkigen clubgeest — die niet geestelijk maar vleeschelijk is, niet uit God, maar uit den booze.
O, hoe heeft Paulus veel, héél veel moeten lijden, door de laster van z.g.n. vrienden der waarheid en door den partijgeest van eigengerechtige, hoogmoedige, onverdraagzame menschen!
Mozes en Paulus — ze staan voor ons, om ons toe te spreken in de taal des geloofs, zeggende : strijdt den goeden strijd des geloofs — Gods genade is u genoeg — Zijn kracht wordt in uwe zwakheid volbracht — Die het beloofd heeft is getrouw — Hij laat niet varen de werken Zijner handen.
En zóó hebben we dan niet te vertragen, en niet te zeggen : ik trek me hier van terug en ik doe daaraan niet meer mee."
We hebben getrouw te zijn en gehoorzaam aan Gods : bevelen.
„Spreek Heere, Uw knecht hoort."
De Heere zal voor de uitkomst zorgen.
't Is Isrels God, die krachten geeft, van Wien het volk z'n sterkte heeft. Loof God; elk moet Hem vreezen". Psalm 68 : 17.
De werkstakers in Gods Koninkrijk hebben het aan 't verkeerde eind !
Ze leven in de zonde !
 

Dit artikel werd u aangeboden door: de Gereformeerde Bond

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 augustus 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

VRAGENBUS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 augustus 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

PDF Bekijken