Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

HET DOOPSFORMULIER

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

HET DOOPSFORMULIER

8 minuten leestijd

INLEIDING.
I. Liturgie.

Ons doopsformulier behoort tot de liturgische geschriften van onze Kerk ; daarom is het gewenscht in een inleidend woord eerst even enkele opmerkingen te maken over liturgie in het algemeen en over liturgische geschriften in 't bizonder.
Het woord liturgie komt van het Grieksche woord leitourgia, met welk woord bij de Grieken de dienst, die men het volk of den Staat bewees door het bekleeden van een bepaald ambt of het vervullen van een bepaalde taak, werd aangeduid. Het was bepaaldelijk een dienst, waarvoor geen geldelijke belooning werd ontvangen, zoodat, al had het woord bij de Grieken geen religieuze beteekenis, nochtans de gedachte van een zekere wijding, de gedachte van het brengen van een offer aan het woord niet geheel vreemd was.
Als in de derde eeuw vóór Christus het Oude Testament in het Grieksch wordt vertaald, kiezen de vertalers dit woord leitourgia om den dienst der priesters in tabernakel en tempel weer te geven. Ook in het Nieuwe Testament wordt het woord in dien zin gebruikt. Van Zacharias wordt in Lucas I vers 23 gezegd : het geschiedde, als de dagen zijner bediening vervuld waren, dat hij naar zijn huis ging. Bediening is hier de vertaling van leitourgia en geeft krachtens het verband duidelijk aan het dienstwerk van den priester in den tempel.
Wijl wij Jezus Christus belijden als onzen grooten en eenigen Hoogepriester, is het geen wonder, dat ook Zijn werk met dezen naam wordt aangeduid. Zoo lezen wij van Hem in Hebr. 8 vers 6: En nu heeft Hij zooveel uitnemender bediening (leitourgia) gekregen, als Hij ook eens beteren verbonds Middelaar is. In hetzelfde hoofdstuk wordt Jezus in vers 2 dienovereenkomstig een liturg van het heiligdom en van den waren tabernakel genoemd.
Daar staat echter naast, dat het woord in het Nieuwe Testament ook voor liefdedienst, aan menschen bewezen, gebruikt wordt. In 2 Cor. 9, waar de apostel spreekt over een inzameling van liefdegaven, lezen we in vers II: want de bediening van dezen dienst vervult niet alleen het gebrek der heiligen, maar is ook overvloedig door vele dankzeggingen tot God. In het Grieksch staat dan : de diaconie van deze liturgie. En in Fil. 2 vers 25 wordt Epafroditus, die door de gemeente gezonden was om den apostel een gave van haar liefde te brengen, een bedienaar (liturg) mijner nooddruft door Paulus genoemd.
Wijl echter over het algemeen de dienst der liefde aan menschen in het Nieuwe Testament met het woord diaconia wordt aangeduid, valt het te begrijpen, dat het woord liturgie gekozen werd om den dienst van God aan te duiden, bepaaldelijk den dienst, waarmede de gemeente Hem dient in haar samenkomsten en dien wij gewoon zijn met den naam eeredienst aan te duiden.
Er is een groot en diepgaand onderscheid tusschen den dienst (eeredienst) van de heidensche godsdiensten en dien van de gemeente des Ouden en Nieuwen Verbonds.
Dit onderscheid wordt ten zeerste duidelijk uit den naam, waarmede de Romeinen gewoon waren dezen dienst aan te duiden, n.l. cultus Dei. Dit woord beteekent allereerst de immer terugkeerende bearbeiding van den bodem; vervolgens het zich gedurig ingespannen bezighouden met een bepaalde zaak, waardoor men spreekt van de cultus der letteren, der andere kunsten enz. Ons woord cultuur is daarvan gevormd. Past men dit woord nu toe op God, zoodat men spreekt van een cultus Dei, dan bedoelt dit woord weer te geven den dienst, waarmede men God dient en waardoor men op Hem tracht in te werken en iets van Hem tracht te verkrijgen.
Alle heidensche eeredienst is op deze laatste gedachte gegrond. Men geeft den goden iets om wat terug te krijgen; men doet wat om daardoor gedaan te krijgen, dat zij iets doen.
Deze gedachte is aan den Oud-Testamentischen eeredienst gansch vreemd, maar zij is aan de Joden niet vreemd geweest. Vandaar, dat zij telkens deze gedachte in den eeredienst gaan indragen en dat de profeten altijd weer opnieuw daartegen protesteeren. Men denke b. v. aan Psalm 50, waar haast de spot gedreven wordt met de gedachte, alsof de Almachtige de offerdieren des volks noodig had; het is immers alles van Hem, het gedierte der gansche aarde. Ja, soms gaan de profeten in de bestrijding van deze gedachte zoover, dat het is alsof zij den geheelen offerdienst op zij willen zetten.
De offerdienst van het Oude Testament spreekt van verzoening met God, het eerste wat de zondaar noodig heeft om weer tot God te kunnen naderen. Maar deze verzoening kon door het bloed van stieren en bokken niet gewerkt worden. Al deze offeranden waren slechts een schaduw van de groote offerande, waarmede Jezus Christus zich zelf zou offeren. Zoodra de gemeente des Ouden Verbonds dit uit 't oog verloor en niet meer uitzag naar den beloofden Verlosser, moest zij op heidensch spoor terecht komen. Dan brengt de mensch zelf het offer der verzoening, terwijl het evangelie, de onmogelijkheid daarvan veronderstellende, met de blijde boodschap komt, dat God zelf voorzien heeft en Zijn Eeniggeborene tot een verzoening onzer zonden gegeven heeft.
Maar al te spoedig is echter de heidensche gedachte weer in de Christelijke gemeente ingeslopen. Met bepaalde handelingen meent men iets bij God te kunnen uitwerken. Vooral als de offergedachte weer een plaats krijgt in den dienst en voor het altaar een plaats moet worden ingeruimd in het huis des gebeds, krijgt men in den eeredienst allerlei cultische handelingen, die bij God iets uitwerken. Zeer karakteristiek was in de dagen der mobilisatie voor den grooten oorlog, toen iemand den pastoor vroeg, of men niet overal gelijktijdig in de kerken een bidstond kon houden, het antwoord van dien pastoor: wij hebben al iets gedaan. Hij zeide niet: wij hebben al een bidstond gehouden, maar wij hebben al iets gedaan. In de Roomsche Kerk doet men iets en door die cultische handeling bewerkt men iets bij God of bij de heiligen. Het is heel goed mogelijk, dat het teruggriipen op den Oud-Testamentischen eeredienst met zijn offerdienst en priesterschare, een en ander gedragen door de heidensche cultusgedachte, aanleiding heeft gegeven tot het kiezen van den naam liturgie voor den eeredienst ook van de gemeente van het Nieuwe Verbond.
Uit het voorgaande is duidelijk, dat de Hervormers, die zich los maakten van wat in de Roomsche Kerk niet op de Schrift gegrond was, zich ook opnieuw oriënteeren moesten ten opzichte van de vraag, welke de beteekenis is van de samenkomst der gemeente en de zin van den Nieuw-Testamentischen eeredienst. Het is niet met zekerheid te zeggen, of zij mede daarom van het woord liturgie geen gebruik hebben gemaakt, wijl dit woord voor hen een te Roomschen bijsmaak had gekregen. Wel kan het feit geconstateerd worden, dat eerst vrij laat het woord liturgie en liturgische geschriften onder 't Protestantisme burgerrecht verkrijgen.
Evenwel, al gebruiken zij het woord liturgie niet, de Hervormers hebben nochtans begrepen, dat een geordende en goed ingerichte eeredienst der gemeente niet kon worden gemist. In het 14de hoofdstuk van den eersten Corinthenbrief bemoeit de apostel Paulus zich ook met deze zaak. Want in de gemeente dreigden daar wanordelijkheden, vooral door de gave van het spreken in vreemde talen, welke gave door de gemeente veel te hoog gewaardeerd werd. Er was zulk een drang om te spreken, dat soms verschillende personen tegelijk het woord namen. Daarom schrijft de apostel, dat, als iemand een vreemde taal spreekt, het door twee of hoogstens drie geschieden mag en dat bij beurte; dus niet door elkander heen, maar ieder op zijn beurt. Daarna moet het uitgelegd worden. Is er geen uitlegger, dan moeten zij, die in vreemde talen spreken, zwijgen, wijl alleen door de uitlegging de gemeente gebouwd kan worden.
Waarschijnlijk heeft nu de een of ander de opmerking gemaakt, dat, als de Geest des Heeren hem tot spreken dringt, hij niet zwijgen en wachten kan, totdat zijn beurt om te spreken is gekomen. De apostel wijst althans dat bezwaar af en zegt, dat zij den een na den ander kunnen profeteeren, wijl de geest der profeten den profeten onderworpen is.
God is geen God van verwarring. Laat alle dingen met orde en eerlijkheid geschieden. Dat heeft van den beginne doen aandringen op een goed geordende eeredienst. De vrijheid, die de Hervorming zocht, was geen ongebondenheid. Ook op het stuk van den eeredienst wenschten zij de willekeur te weren. Daarom moge de liturgie van de Roomsche Kerk voor de Hervormers onbruikbaar zijn, wijl het misoffer daar in het middelpunt van den eeredienst staat, zonder vaste ordening van den eeredienst kan ook naar hun overtuiging de Kerk niet. Zoo ontstaat zoekend en tastend een liturgie van den Protestantschen eeredienst, waaraan wel de eenheid ontbreekt, omdat iedere Protestantsche Kerk naast haar eigen belijdenisgeschriften ook haar eigen liturgische geschriften krijgt; maar bij alle verscheidenheid treft toch de poging om in de liturgische vormen van den eeredienst uitdrukking te geven aan het geloof in de eene heilige algemeene Christelijke Kerk.
O. a. d. IJ.
Woelderink

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 december 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

HET DOOPSFORMULIER

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 december 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

PDF Bekijken