Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

HET DOOPSFORMULIER

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

HET DOOPSFORMULIER

HOOFDSTUK I. (Vervolg).

9 minuten leestijd

Het is niet moeilijk een antwoord te geven op de vraag, wat tot uitstel van den doop in de derde en vierde eeuw na Christus aanleiding heeft gegeven. De gedachte was namelijk bij velen doorgebroken, dat de doop reinigde van de zonden, maar dat het zeer moeilijk was reiniging te ontvangen voor de zonden, na den doop bedreven. Daarom zegt Tertullianus, dat in het bizonder voor de ongehuwden uitstel van den doop noodig en gewenscht is, want „onder hen is verzoeking voor de hand liggend, zoowel voor de maagden door rijpheid als voor de weduwen door ledigheid, totdat zij of huwen óf versterkt worden tot ingetogenheid". Tenslotte gaat hij zoover met te zeggen : „als sommigen begrip hebben van het gewicht des doops, zullen zij het verwerven meer duchten dan het uitstel”.
De gedachte, dat de zonden na den doop nagenoeg onvergeeflijk zijn, hangt samen met een overschatting van de beteekenis van het Sacrament des doops. Zooals de ark des Heeren door de zonen van Eli vereenzelvigd werd met den Heere zelf, zoo begon men meer en meer het Sacrament te vergoddelijken en werd het teeken vereenzelvigd met de afwassching der zonden zelf. Een schroom en vrees voor het Sacrament komt boven en wordt aangezien voor bizondere ernst. Het verwerven van den doop wordt meer geducht dan het uitstel. Zooals zeker schrijver zegt: men vreesde meer het Sacrament te ontheiligen, dan dat men begeerig was de kracht er van te verstaan. Toch is dit uitstel van den doop een tijdelijke en voorbijgaande periode geweest in de Christelijke Kerk. Niet dat de gedachte, waarop wij zooeven wezen, geheel verdwenen is, maar men heeft haar overgebracht op het Avondmaal; zij heeft daar geleid tot de leer van de transsubstantiatie en tot het onthouden van den beker aan de leeken. Zelfs zien wij dezelfde factoren ook onder ons weer werkzaam ten opzichte van het Avondmaal en velen zijn meer bevreesd dit Sacrament te ontheiligen, dan begeerig om de kracht ervan te verstaan.
Als één gedachte medegewerkt heeft om aan het uitstellen van den doop een einde te maken, meegewerkt heeft aan de algemeene invoering van den kinderdoop, dan is het zeker de overtuiging van de onmisbaarheid van den doop. De vergoddelijking van het Sacrament leidde tot de vereenzelviging van doop en afwassching der zonden. Wie dus niet gedoopt was, was niet gereinigd van ongerechtigheid. Tenslotte is door de heerschappij van deze gedachte het uitstel juist, omgeslagen in het tegendeel, de z. g. n. vroegdoop. Zoo spoedig als maar mogelijk is, behooren de kinderen gedoopt te worden. De Roomsche Kerk leert, dat ongedoopte kinderen in het stuk der zaligheid verre achterstaan bij gedoopte, wanneer zij ongedoopt komen te sterven. Vandaar ook de invoering van den nooddoop. In geval van nood, als het kind dreigt te sterven, is ieder, man en vrouw, geloovige en ongeloovige, gerechtigd en verplicht zulk een kind te doopen.
In de eerste eeuwen, toen de Kerk zich onder de heidenen gedurig uitbreidde, ging aan den doop een voorbereidingstijd vooraf. Catechumeni werden zij genoemd, die zich voorbereidden voor hun opname in de Christelijke gemeente. Aanvankelijk werd daarvoor zelfs een tijdperk van drie jaar gezet. Later, in de vierde eeuw, waren twee volle jaren al geen vereischte meer, terwijl in de vijfde eeuw een Synode vaststelde, dat Joden een voorbereidingstijd van acht maanden moesten doormaken, omdat zij zoo spoedig afvallen. Daaruit mag waarschijnlijk het besluit getrokken worden, dat deze tijd toen al niet meer noodzakelijk werd geacht voor de heidenen, die christenen werden.
Toen de Christelijke Kerk meer en meer het heidendom had overwonnen, geraakte de doop der volwassenen als algemeen verschijnsel in onbruik, maar hoe verwonderlijk het ook schijne, men heeft zich daardoor niet gedrongen gevoeld om de liturgie van den doop te wijzigen. Wij hebben een verschillend formulier voor den kinderdoop en voor den doop der volwassenen, maar de oude Kerk heeft de liturgie van den doop der volwassenen eenvoudig overgebracht naar den doop der kinderen, zoodat we zelfs bij Luther in de gebeden nog stooten op uitdrukkingen, die eigenlijk alleen voor volwassenen passen. Wij geven thans den gang van de liturgie aan, zooals die langzamerhand geworden is en ook in stand is gebleven, toen de doop der volwassenen door den kinderdoop is vervangen. Bijna alle deelen dier liturgie zijn in de tegenwoordige Roomsche liturgie van den doop behouden gebleven.
Als de doopeling zijn begeerte te kennen had gegeven om gedoopt te worden, werd hem als teeken van zijn opname onder de catechumenen het teeken des kruises gegeven, het symbool van zijn toebehooren tot Jezus, den gekruisigde. Meestal werd daarbij op hem geblazen. En nog altijd begint de Roomsche liturgie bij het binnentreden van de kerk met de vraag, tot degene, die het kind ten doop brengt: wat begeert gij? Vervolgens heeft de beademing plaats, die gedacht wordt, als het begin van de duivelbezwering, waarna het kruisteeken gegeven wordt.
Op het kruisteeken volgde de handoplegging en de datio salis, de gave van het zout, waarbij de doopeling een weinig zout in den mond werd gelegd met de~woorden : ontvang het zout der wijsheid, vergezeld van een zegenspreuk, die echter niet altijd gelijkluidend was. Vóór het gebruik werd het zout gewijd. Ook deze handelingen zijn in de Roomsche Kerk bewaard gebleven.
Hierna kreeg het exorcisme, de duivelbezwering, een bizondere plaats. Ook deze dateert uit den tijd, dat de heidenen overkwamen tot het Christendom. Het heidendom werd gezien als een bizondere macht des Satans. Wie overkwam tot de gemeente van Christus, moest op plechtige wijze aan de macht des Satans onttrokken worden. Was in den aanvang de duivelbezwering een bizondere gave, later werd zij een priesterlijke functie. Bepaalde formules deden dienst, waarbij de duivel werd aangesproken en hem bevolen werd uit den doopeling uit te varen. Ook bij den kinderdoop is deze duivelbezwering gehandhaafd, gelijk ze nog in de Roomsche Kerk in gebruik is. Men heeft haar toen toegepast op de erfzonde, waarin de kinderen geboren worden en waardoor ze gezien werden als zich in de macht des duivels te bevinden. Deze duivelbezwering ging meestal weer gepaard met het kruisteeken en de handoplegging.
Eerst na deze plechtigheid was er oudtijds plaats voor wat men de traditio symboli noemde, de overgave van de belijdenis des geloofs. Men moet zich namelijk wel indenken, dat de ceremoniën, over welke wij gesproken hebben, vroeger over éen vrij lang tijdperk verdeeld waren. Eerst na het volbrengen van het voorafgaande werd den doopcandidaat de geloofsbelijdenis geleerd ; door hem die langzaam voor te zeggen, moest hij deze van buiten leeren. Later volgde daarop de z. g. n. redditio symboli, d.w.z. de doopeling deed belijdenis des geloofs door het opzeggen van deze geloofsbelijdenis. Toen de kinderdoop algemeen was geworden, bleef dit gebruik in stand, in zooverre thans de priester de geloofsbelijdenis opzegde en het Onze Vader bad; ook was het hier en daar gebruik, dat de peten dit deden.
Onmiddellijk aan de bezwering sluit zich de apertio aurium aan, de opening der ooren. De priester raakt met speeksel oor en mond aan en zegt: effeta, wordt geopend, het woord, dat Jezus sprak bij de genezing van den doofstomme. Allerlei formules werden daaraan toegevoegd.
Daarop volgde de afzwering van den duivel, het antwoord van den doopeling op de uitdrijving van den duivel. Hij belijdt daarbij den dienst des duivels te verlaten en afstand te doen van al wat deze den mensch biedt. Het spreekt vanzelf, dat het pasgeboren kind den duivel niet kan afzweren. Toch bleef ook deze ceremonie bij den kinderdoop bestaan. Het kind zweert den duivel af bij monde van zijn peten.
Soms werd de afzwering van den duivel voorafgegaan door de zalving met olie, soms ook werd zij er door gevolgd. Dat laatste is thans het geval in de Roomsche Kerk. In de Oostersche Kerk was indertijd sprake van een zalving van het gansche lichaam; in de Westersche Kerk is dit tot een zalving van borst en schouders geworden.
Toen het gebruik om in stroomend water te doopen meer en meer om allerlei redenen verlaten was, werden er in de kerken doopbassins gebouwd, waarin de doopeling afdaalde en door een driemaal herhaalde onderdompeling gedoopt werd in den naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes. Bij uitbreiding der Kerk in de meer noordelijke landen werden deze bassins door groote steenen doopvonten vervangen, waarin de doopeling ging staan en waarin hij met het water uit het doopvont werd overgoten. Later, bij het algemeen worden van den kinderdoop, was het nog lang gebruik om het kind, geheel ontkleed, in het water van het doopvont in te dompelen of het boven het doopvont te houden en met water te overgieten. Toen ook dit gebruik door de besprenging werd vervangen, was het niet slechts gewoonte om het water op het hoofd van het kind te sprengen, maar bepaaldelijk om het over het hoofd van het kind heen te gieten. Heel dikwijls werd daarvoor een kannetje gebruikt.
Na den doop volgen nog enkele ceremoniën, allereerst de zalving met olie, wel te onderscheiden van de zalving, die aan den doop voorafgaat. In den regel had zij alleen plaats aan het voorhoofd in den vorm van een kruisteeken. Gevolgd werd zij door de oplegging der handen, symbool van het ontvangen van den H. Geest. In de Roomsche Kerk heeft deze ceremonie zich tot een apart sacrament ontwikkeld, het z.g.n. vormsel.
Ook was het gewoonte, dat de doopeling, als hij uit het water opsteeg, gekleed werd in witte kleederen, een symbool van reinheid, die hem thans geworden was. Ook bij invoering van den kinderdoop werd dit gebruik behouden door het witte doopkleed, dat het kind gegeven werd; in sommige landen is ook sprake geweest van een bepaalde hoofdbedekking.
De rij der ceremoniën eindigde met de overreiking van brandende kaarsen aan den doopeling of zijn peten.
Het zal een ieder duidelijk zijn, dat de meeste van deze ceremoniën hun oorspronkelijken zin bij de invoering van den kinderdoop geheel of gedeeltelijk verloren hebben. Dat zij nochtans zijn blijven bestaan, moet daaruit verklaard worden, dat het er spoedig niet meer op aankwam de zinnebeeldige beteekenis van deze riten te verstaan. Magische handelingen zijn het langzamerhand geworden, die op zich zelf iets uitrichten en die daarom beteekenis hebben en krachtig werkzaam zijn, al verstaat niemand er iets van. Juist in dezen weg is de botsing van de Hervorming met de Roomsche Kerk zoo hevig geweest.
O. a. d. IJ.
Woelderink

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 januari 1937

De Waarheidsvriend | 18 Pagina's

HET DOOPSFORMULIER

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 januari 1937

De Waarheidsvriend | 18 Pagina's

PDF Bekijken