Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

HET DOOPSFORMULIER

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

HET DOOPSFORMULIER

10 minuten leestijd

HOOFDSTUK II.
C. De doopsbediening te Zurich.
Tot een der eerste hervormers kan Zwingli gerekend worden. Hij is geen leerling van Luther. Zijn hervormingswerkzaamheid valt bijna wat de tijd betreft, geheel samen met die van Luther en moet daarom gezien worden als uit dezelfde bron te zijn voortgekomen, de nadere verlichting door het Woord Gods. Zurich is de plaats, vanwaar de invloed van zijn werk zich in breeden kring laat gelden.
Evenals Luther door Melanchton wordt bijgestaan, heeft ook Zwingli een vriend en broeder, die hem trouw ter zijde staat, Leo Judae.
In 1523 geeft deze Leo Judae in de landstaal een geschriftje in het licht, waarin hij andere voorgangers mededeelt, op , welke wijze de doopsbediening in Zurich plaats heeft, met de bedoeling hen daardoor tot bestiering in hun werk te zijn. Merkwaardig is, dat dit boekje, in hetzelfde jaar verschenen als het doopboekje van Luther, groote trekken van overeenkomst heeft met dat van Luther, niet alleen in dien zin, dat de auteur de Roomsche gebruiken van de zoutgift en de zalving met olie als de uitbanning van den duivel laat bestaan, ja, het aanhouden van deze gebruiken verdedigt op dezelfde gronden, waarop Luther dit doet, maar ook daarin, dat de gebeden vrijwel met elkander overeenstemmen. Waar men tot nu toe de afhankelijkheid van Leo Judae van Luther's doopboekje niet heeft kunnen bewijzen, ligt het voor de hand om te veronderstellen, dat zij beide eenvoudig vertaald hebben, wat in de Roomsche liturgie van den doop in hun landstreken vervat was en dat deze Roomsche liturgie te Wittenberg en te Zurich groote overeenkomst vertoond heeft.
Enkele gedeelten van deze inleiding laten we hier in vertaling volgen.
Alle Christgeloovigen behooren zich vlijtig toe te leggen op het onderzoek van het eenige en eeuwige Godswoord, hetwelk ons licht en onze fakkel is, die ons te midden van alle verwarring, dwaling en duisternis voorlichten. Wie dit licht volgt, wandelt niet in de duisternis, maar heeft het licht des levens. Ik heb echter gezien, dat er velen in onze kerkelijke gemeente zijn, die het Woord Gods wel aanhangen, maar nog zoo zwak zijn, dat zij de sinds lang bestaande gewoonten en verkeerde gebruiken, zooals die tot nu toe bij den doop gebruikelijk waren, evenals andere dingen niet zoo spoedig en snel geheel kunnen en willen loslaten en dat, wanneer men daarin overijld met hen te werk wil gaan, een niet geringe krenking, ja zelfs tegenkanting van hen te vreezen is. Het gaat hun als degenen, die een langen tijd in een donkere kerker hebben gelegen; wanneer zij daaruit gevoerd worden, kunnen zij de lans van de zon en van het daglicht nietverdragen; daarom brengt men ze niet onmiddellijk in het volle licht, maar in en vrij donker vertrek, niet opdat zij ten allen tijde in de duisternis zouden blijven, maar voor zoo lang, als zij het daglicht iet verdragen kunnen.
Dit heeft mij ook bewogen om dit geschrift voor deze zwakken te maken; niet dat ik van meening ben, dat zij zulks altijd moeten gebruiken en aanhouden, maar omdat ik ze niet overijld van alle dingen wilde afstooten en daardoor verbitteren. En al mijn zin, ernst en vlijt zijn daarop gericht geweest, dat ik de eere Gods wilde bevorderen en velen in Christus wenschte te stichten. Van deze mijn bedoeling is mijn Heere Jezus Christus de getuige, voor Wien alle harten open en loot liggen; heb ik hierin iets misdaan, zoo moge Hij het mij vergeven.
Liever wilde ik echter, dat in de toekomst deze toevoegselen zooveel mogelijk konden worden weggedaan en in de Christelijke gemeente de doop en al het andere naar de inzetting van het Woord Gods werden uitgericht; ofschoon in dit boekje niets of weinig althans gevonden wordt, dat niet met het Woord en den Geest van God overeenstemt. Daarom is mijn ernstige bede aan alle vrome christenen en dienaren Gods, dat zij zich alleen aan het zuivere Godswoord houden, zoowel hierin als in andere dingen, opdat wij bij het rechte licht en op den rechten weg blijven. Waar men echter om der wille van de zwakken, om twist en onrust te vermijden, deze en andere dingen, die van menschen gemaakt zijn, moet gebruiken, gebruike men ze een tijd lang als een spijze voor zieken en zwakken; men vermane echter de zwakken bij iedere gelegenheid, dat zij niet bij deze dingen blijven staan, maar steeds meer tot volkomenheid oppassen en het ware licht van Gods Woord aannemen; en dan verbrande en verscheure men dit en alles, wat niet in Gods oord gegrond is. Waar men echter zulks kan doen, daar gebruike men dit boekje gansch niet, maar blijve bij den vorm, die Christus voor den doop gegeven heeft, toen Hij sprak: doopt hen in den naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes.
Uit deze woorden wordt duidelijk, dat men enkel om de groei der Hervormingsbeweging niet te schaden, om paedagogiche redenen dus, de Roomsche gebruiken niet onmiddellijk heeft afgeschaft, maar dat in 1523 reeds de bedoeling voorzat om ze alle af te schaffen. Zoo is dan ook spoedig gebeurd. Radicaal heeft men, heel anders dan Luther, met de Roomsche gebruiken afgerekend. Reeds in 1525 blijkt dat te zijn geschied. In een werk van Zwingli, namelijk van 1525, De doop, de wederdoop en de kinderdoop, geeft hij weer, op welke wijze in Zurich in dien tijd de doop bediend werd en daaruit blijkt, dat men alle ceremoniën, voorheen gebruikelijk, heeft laten vallen en tot den grootsten eenvoud is teruggekeerd.
We laten thans in vertaling uit het genoemde werk van Zwingli volgen, welke wijze van doopsbediening men toen volgde.
De dienaar der gemeente spreekt eerst:
In Gods naam. Amen. Onze hulp staat in de kracht des Heeren, die hemel en aarde geschapen heeft.
Thans vraagt men aan de peters en meters :
Wilt gij, dat het kind gedoopt worde in den doop van onzen Heere Jezus Christus ? Antwoord: Ja.
Dan zegt de priester (hier is het Roomsche woord priester nog behouden, W.) : noem den naam van het kind. Dan zeggen de meters : N. (Hier wordt de naam van het kind genoemd. W.)
Dan zegt de priester : laten wij met elkander tot God bidden. O, almachtige en eeuwige God, Gij, die naar uw streng oordeel de ongeloovige wereld door den zondvloed hebt geoordeeld en den geloovigen Noach met zijn achten uit uw groote barmhartigheid hebt behouden. Gij, die den verstokten Pharao met al de zijnen in de Roode Zee verdronken hebt en uw volk Israël droogvoets daardoor geleid hebt, waardoor dit bad des doops beduid is geworden, wij bidden U bij uw grondelooze barmhartigheid, dat Gij dezen uwen dienstknecht N. genadiglijk wilt aanzien en hem het licht des geloofs in zijn hart wilt geven, opdat hij uw Zoon ingelijfd en met Hem in den dood begraven worde, in Hem ook moge opstaan tot een nieuw leven, opdat hij zijn kruis. Hem dagelijks navolgende vroolijk drage. Hem aanhange met waar geloof, vaste hoop en vurige liefde, opdat hij dit leven, dat niet anders is dan een dood, om uwentwil manlijk verlaten moge en ten jongsten dage in het algemeen gericht uws Zoons zonder verschrikking verschijnen moge, door dezen onzen Heere Jezus Christus, uwen Zoon, die met U leeft en regeert, een God in de gemeenschap des H. Geestes. Amen.
De dienaar zegt: de Heere zij met u!
Antwoord: en met uwen geest!
De dienaar zegt: Wat nu volgt, staat in het Evangelie van Marcus, hoofdstuk 10 vers 13, etc.
Antwoord: Eere zij den Heere God!
De dienaar : Het gebeurde op zekeren tijd, dat zij de kinderen tot Jezus brachten, opdat Hij de handen op hen zou leggen. Maar de jongeren bestraften hen, die ze brachten. Als Jezus dat zag, werd Hij toornig en zeide tot hen: laat de kinderen tot Mij komen en verhindert ze niet, want derzulken is het koninkrijk Gods. Voorwaar zeg Ik u : wie het koninkrijk Gods niet ontvangt gelijk een kindeke, die zal geenszins daarin komen. En als Hij ze met zijn arm omvangen had en de hand op hen gelegd had, heeft Hij ze gezegend en laten gaan. God zij geloofd! Hij moge ons door zijnen Zoon al onze zonden vergeven!
Dan neemt de dienaar het kind en zegt: Wilt gij, dat het kind gedoopt worde ? De meters antwoorden: ja. De dienaar zegt: noem het kind. De meters zeggen: N. De dienaar zegt: N., ik doop u in den naam des Vaders en des Zoons en des H. Geestes.
Nadat het kind met het doopkleed bekleed is :
De Heere geve, dat, gelijk gij nu lichamelijk met het witte kleed bekleed zijt, gij ten jongsten dage met een reine, onbevlekte consciëntie voor Hem verschijnen moogt. Amen.
De Heere zij met u ; gaat heen in vrede !
Het treft onmiddellijk, dat wij hier weer het gebed voor den doop uit ons formulier tegenkomen. Het is aanmerkelijk verkort, wanneer wij het vergelijken met het gebed, zooals het in Luther's doopboekje voorkomt. Toch is het in oorsprong hetzelfde gebed. Dat wordt heel duidelijk, als we hiernaast leggen het gebed, zooals het in het geschrift van Leo Judae uit 1523 gevonden wordt. Al is er ook dan verschil aan te wijzen ten opzichte van het gebed uit Luther's doopboekje, de overeenkomstige trekken zijn niettemin bizonder groot. Ter vergelijking laten we het gebed uit het boekje van Leo Judae hier volgen:
O, almachtige, eeuwige God, die naar uw streng oordeel , wij bidden U bij uw grondelooze barmhartigheid, dat Gij dezen uw dienstknecht N. genadiglijk wilt aanzien en hem het licht des geloofs in zijn hart wilt geven, opdat door deze heilzame zondvloed aan hem verdrinke en onderga alles wat hem van Adam aangeboren is, opdat hij uit het getal van de ongeloovigen en kinderen des toorns van U, o hemelsche Vader, genadiglijk tot een kind worde aangenomen, uw Zoon door het kruis en dagelijksch lijden ingelijfd en met Hem begraven worde, in vurige liefde, vaste hoop en waar geloof den dood onverschrokken overwinne en tot het eeuwige leven moge komen door onzen Heere Jezus Christus, uwen Zoon. Amen.
Dat dit gebed niet van Luther is, maar uit de Middeleeuwsche liturgie is overgenomen, volgt m.i. uit wat Luther ter inleiding van zijn doopboekje zegt, dat hij niets heeft willen veranderen, maar eenvoudig in de Duitsche taal heeft willen overbrengen, wat te voren, wijl het in het Latijn werd gesproken, door de menschen niet werd verstaan.
Als dit juist is, wordt het des te waarschijnlijker, dat Leo Judae zijn liturgie en ook dit gebed niet van Luther heeft overgenomen, maar eveneens zijn gegevens aan de bestaande liturgie heeft ontleend. Het gebed voor den doop in het doopsformulier is dan het eenige stuk, dat in ons formulier, al is het met sterke wijziging, de verbindingsschakel vormt tusschen de Middeleeuwsche liturgie en die der Hervorming.
O. a.d. IJ.
Woelderink

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van Thursday 28 January 1937

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

HET DOOPSFORMULIER

Bekijk de hele uitgave van Thursday 28 January 1937

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

PDF Bekijken